|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:907 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 23/2656-T2 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Tweede tussenuitspraak. Toekenning nadeelcompensatie vanwege omrijschade agrarisch bedrijf. Kapitalisatiefactor voor percelen met geliberaliseerde pacht. Kapitalisatiefactor voor het ophalen van appelpulp. Winterperiode. De rechtbank heeft twijfels over diverse uitgangspunten die in het advies van de deskundige van het college zijn gehanteerd om de schade te berekenen. Heropening onderzoek om onafhankelijk deskundige op het gebied van het onteigeningsrecht in te schakelen.
Zie ook: eerste tussenuitspraak ECLI:NL:RBMNE:2024:3812 d.d. 18-6-2024 | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | geliberaliseerde pacht | | | koeien | | | onteigening | | | perceel | | | reguliere pacht | | | trekker | | | uitkering | | | vee | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2656 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Brons).
Samenvatting
1. Deze zaak gaat over het verzoek van eiser om nadeelcompensatie vanwege omrijschade door afsluiting van de Vechtbrug in Breukelen voor landbouwvoertuigen. Dit verzoek was door het college afgewezen, omdat uit de schadeberekening van [adviesbureau] niet was gebleken of de gestelde schade daadwerkelijk is geleden.
2. Op 18 juni 2024 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan. Voor een beschrijving van de achtergrond van het geschil verwijst de rechtbank naar deze tussenuitspraak. In de tussenuitspraak oordeelde de rechtbank kortgezegd dat de door [adviesbureau] gekozen methode voor de schadeberekening niet redelijk en aanvaardbaar was. De rechtbank vond het onzorgvuldig dat het college het advies van [adviesbureau] aan de besluitvorming ten grondslag had gelegd.
3. Om dit gebrek te herstellen en te komen tot een finale geschilbeslechting, paste de rechtbank een burgerlus en een bestuurlijke lus toe. De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid om gegevens over de ritten naar de percelen waarbij hij moest omrijden nader uit te werken. Het college kreeg de mogelijkheid om de schade opnieuw te (laten) begroten met de methode van het vergelijken van kosten en daarbij de gegevens van eiser te betrekken. Partijen hebben hiervan gebruik gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat het college op basis van een nieuw advies van [adviesbureau] een nieuw besluit heeft genomen, waarin aan eiser een bedrag aan nadeelcompensatie is toegekend.
4. Eiser kan zich ook niet vinden in dit nieuwe besluit. Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is de hoogte van de kapitalisatiefactor die is gebruikt voor de omrijschade naar de percelen die eiser gebruikt op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Ook zijn er volgens eiser percelen ten onrechte buiten de schadeberekening gebleven. Verder is eiser het niet eens met de kapitalisatiefactor voor de omrijschade voor het ophalen van appelpulp, de gehanteerde winterperiode van 28 weken en de hoogte van de deskundigenkosten die worden vergoed.
5. De rechtbank doet nu een tweede inhoudelijke tussenuitspraak om een deskundige te benoemen voor het uitbrengen van advies aan de rechtbank.
Verdere procesverloop
6. Voor het procesverloop tot aan de eerste tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar deze tussenuitspraak. De rechtbank heeft bij tussenuitspraken van 3 september 2024 en 8 november 2024 de termijn voor het herstellen van het gebrek door het college tweemaal verlengd.
7. In reactie op de tussenuitspraak heeft het college op 3 december 2024 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2). Het college heeft het primaire besluit herroepen en besloten om aan eiser een bedrag aan nadeelcompensatie ter hoogte van € 41.466,- toe te kennen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag van 13 november 2018 tot aan de dag van algehele vergoeding. Ook heeft het college besloten de deskundigenkosten te vergoeden tot een bedrag van € 14.563,50 exclusief btw. Aan bestreden besluit 2 ligt een nader advies van [adviesbureau] van 28 november 2024 ten grondslag.
8. Eiser heeft een zienswijze ingediend. [adviesbureau] heeft daarop schriftelijk gereageerd.
9. Op 16 december 2025 heeft een tweede zitting plaatsgevonden in een gewijzigde samenstelling van de meervoudige kamer. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn mr. [A] en mr. [B] , beiden werkzaam bij [adviesbureau] verschenen.
10. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep van rechtswege
11. Omdat eiser het niet eens is met het bestreden besluit 2, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
Nieuw advies [adviesbureau]
12. [adviesbureau] heeft een conceptadvies voorgelegd aan partijen. In dit advies is de omrijschade berekend voor de door eiser aan de oostzijde van de Vechtbrug gepachte percelen en voor het ophalen van appelpulp bij [bedrijf] . Daarbij is als algemeen uitgangspunt gehanteerd dat de omrijschade per jaar wordt bepaald door het aantal extra te rijden kilometers per jaar, te delen door de gemiddelde rijsnelheid van de trekker en te vermenigvuldigen met het uurtarief. Voor de toepassing hiervan heeft [adviesbureau] het aantal ritten naar de gepachte percelen en voor het ophalen van appelpulp bij de fabriek van [bedrijf] vastgesteld.
13. Voor het vaststellen van het aantal ritten is van belang of de percelen het hele jaar, of slechts een deel daarvan, moeten worden bezocht. Op de percelen [adres 1] en [adres 2] is géén schuilgelegenheid voor koeien aanwezig. Daarom is [adviesbureau] ervan uitgegaan dat de koeien in de winterperiode niet op deze percelen verblijven. In het advies is een winterperiode aangehouden van 28 weken (1 oktober – 14 april). Het berekenen van de ritten voor het voederen is gebaseerd op koeien die 24 weken (15 april – 30 september) in de wei staan. Het aantal ritten per jaar naar deze percelen is door [adviesbureau] vastgesteld op 336.
14. In het conceptadvies heeft [adviesbureau] kapitalisatiefactor 8 gebruikt voor de percelen nabij [adres 3] en [adres 2] , uitgaande van reguliere pachtovereenkomsten, en kapitalisatiefactor 5 voor de percelen nabij [adres 1] en het ophalen van appelpulp vanwege het beëindigen van deze activiteiten per 1 januari 2023. Met toepassing van deze kapitalisatiefactoren kwam het schadebedrag in het conceptadvies uit op € 300.321,-.
15. De reacties van partijen hebben [adviesbureau] aanleiding gegeven om het advies aan te passen en op 28 november 2024 is een definitief advies uitgebracht. De jaarlijkse omrijschade is vastgesteld op € 48.783,65. Uit de schadeberekening volgt dat deze jaarlijkse omrijschade is gekapitaliseerd met factor 1,08333 voor de percelen nabij [adres 1] , met factor 3,25 voor de percelen nabij [adres 3] en met factor 1 voor de percelen nabij [adres 2] , omdat op de peildatum sprake was van geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Voor het ophalen van appelpulp is een factor 1 toegepast. Op het schadebedrag is een kortingspercentage toegepast van 15% vanwege het normale ondernemersrisico. [adviesbureau] heeft het schadebedrag in het definitieve advies vastgesteld op € 41.466,-.
Geschilpunten
16. Eiser is het niet eens met het definitieve nieuwe advies van [adviesbureau] . Hij is samengevat van mening dat (1) er percelen ten onrechte buiten de schadeberekening zijn gehouden (2) de winterperiode korter is (3) de kapitalisatiefactor voor de percelen die hij gebruikt op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten hoger is (4) datzelfde ook geldt voor de kapitalisatiefactor voor de omrijschade bij het ophalen van appelpulp en (5) de toegekende deskundigenkosten te laag zijn.
17. Omdat de kapitalisatiefactor het grootste geschilpunt is, zal de rechtbank dit punt eerst bespreken.
De kapitalisatiefactor
18 . Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat bij nadeelcompensatie in geval van jaarlijks, voor onbepaalde tijd terugkerende inkomensschade, de inkomensschade overeenkomstig de systematiek van het onteigeningsrecht moet worden gekapitaliseerd. Kapitalisatie gebeurt door het bedrag van de gemiddelde jaarlijkse netto-inkomensschade te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. Met de uitkering van een som geld in één keer wordt beoogd om de verliezen welke de gedupeerde in de loop van de komende jaren zal lijden te compenseren.
19. Niet in geschil is dat in het onteigeningsrecht voor reguliere pacht van los land kapitalisatiefactor 8 gangbaar is. Op de zitting is met partijen besproken dat in de rechtspraak geen standaard kapitalisatiefactor voor geliberaliseerde pachtovereenkomsten wordt toegepast. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de door [adviesbureau] in de schadeberekening gebruikte kapitalisatiefactoren redelijk zijn.
Zijn de door [adviesbureau] toegepaste kapitalisatiefactoren voor de pachtgronden redelijk?
20 . [adviesbureau] heeft de kapitalisatiefactoren in het definitieve advies naar beneden bijgesteld, omdat uit nader door eiser overgelegde stukken bleek dat sprake was van geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Volgens [adviesbureau] dient bij het bepalen van de kapitalisatiefactoren uitgegaan te worden van de (resterende) looptijd van de pachtovereenkomsten op de peildatum en kan geen rol spelen dat achteraf is gebleken dat deze overeenkomsten steeds weer zijn verlengd. Tussen partijen is de peildatum – 1 december 2017 – niet in geschil.
21. Vervolgens heeft [adviesbureau] in het definitieve advies voor de verschillende gepachte percelen waarnaar moet worden omgereden, de kapitalisatiefactor bepaald. Voor de percelen nabij [adres 1] was de resterende looptijd van de geliberaliseerde pachtovereenkomst 13 maanden. [adviesbureau] heeft voor deze percelen factor 1,083 (13/12) gehanteerd. Voor de percelen nabij [adres 3] bedroeg de resterende looptijd 39 maanden en dat leidt tot een factor 3,25 (39/12). Voor de percelen nabij [adres 2] bedroeg de resterende looptijd van 9 maanden en heeft [adviesbureau] factor 1 gebruikt.
22. Eiser kan zich niet verenigen met deze door [adviesbureau] gehanteerde kapitalisatiefactoren. Deze percelen worden steeds opnieuw gepacht waardoor er een zekere continuïteit is. Daarom is het volgens eiser te beperkt om alleen naar de resterende duur van de pachtovereenkomsten te kijken. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting gesteld dat hij zich kan voorstellen dat het minder is dan 8, maar dat het in ieder geval meer moet zijn dan 1.
23. De rechtbank overweegt dat in de literatuur staat beschreven dat de kapitalisatiefactor afhangt van de rechtspositie van de pachter. Daarbij wordt de resterende looptijd van de pachtovereenkomst genoemd, maar ook dat rekening kan worden gehouden met de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd. Aldus kunnen toekomstverwachtingen een rol spelen bij het bepalen van de kapitalisatiefactor. Toekomstverwachtingen kunnen worden gebaseerd op verlengingen van de betreffende pachtovereenkomst in het verleden en de opsteller van de verpachter daarin. [adviesbureau] heeft bij het vaststellen van de kapitalisatiefactor alleen rekening gehouden met de op de peildatum resterende looptijd van de geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Voor de pachtovereenkomsten die eindigden op 31 december 2017 is [adviesbureau] ervan uitgegaan dat de mondelinge verlenging met weer een jaar al op de peildatum waren gemaakt, waardoor er nog een jaar bij op is geteld. In geen geval heeft [adviesbureau] rekening gehouden met mogelijke toekomstverwachtingen.
24. De rechtbank betwijfelt of deze benadering van [adviesbureau] juist is, omdat het perspectief op verlenging in de literatuur wel wordt genoemd als aspect dat relevant kan zijn voor het bepalen van de kapitalisatiefactor. Daar komt bij dat [adviesbureau] er in het advies van uitgaat dat voor verschillende in de schadeberekening betrokken percelen aan het [adres 2] op de peildatum een mondelinge pachtovereenkomst gold. Naast het perspectief op verlenging is hier relevant dat mondelinge pacht een sterker recht kan zijn dan schriftelijke overeengekomen geliberaliseerde pacht. Ook daar heeft [adviesbureau] geen rekening mee gehouden bij het bepalen van de kapitalisatiefactor. Ondanks dat het uiteindelijk aan de rechtbank is om de vraag te beantwoorden of de door [adviesbureau] toegepaste kapitalisatiefactor redelijk is, heeft zij er mede gelet op een finale beslechting van het geschil, behoefte aan om zich hierover te laten adviseren door een onafhankelijk deskundige op het gebied van het onteigeningsrecht. De deskundige zal gevraagd worden welke omstandigheden een rol spelen bij het bepalen van de kapitalisatiefactor en welke omstandigheden er in dit concrete geval aanwezig zijn. Als de deskundige van mening is dat rekening gehouden moet worden met het perspectief op verlenging van de pachtovereenkomsten, dan is de vraag hoe dat doorwerkt in de hoogte van de kapitalisatiefactor. Daarbij heeft de rechtbank behoefte aan een bandbreedte voor de kapitalisatiefactor waaraan de deskundige vanuit zijn deskundigheid richting kan geven.
Welke percelen werden op de peildatum gepacht?
25. Voor de hoogte van de schadevergoeding is naast de kapitalisatiefactor van belang welke percelen op de peildatum werden gepacht, want alleen die percelen kunnen in de schadeberekening worden meegenomen. Daar zijn partijen het over eens. [adviesbureau] gaat ervan uit dat eiser de volgende percelen nog niet pachtte op de peildatum: de percelen bekend bij de gemeente [gemeente 1] sectie [sectie] nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] en kadastraal bekend bij de gemeente [gemeente 2] sectie [sectie] nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , en [nummer 7] . Dit zijn percelen nabij het [adres 2] . Volgens eiser heeft [adviesbureau] deze percelen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Volgens eiser was namelijk op de peildatum sprake van mondeling overeengekomen pacht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat vanaf 2017 tot 2022 jaarlijks een bedrag aan de familie [familie] is betaald.
26. Op de zitting heeft [adviesbureau] toegelicht dat tijdens de bespreking met partijen op 4 oktober 2024 alle percelen zijn nagelopen en dat eiser toen niet heeft meegedeeld dat deze percelen werden gepacht op de peildatum. Op basis van de verklaring van eiser heeft [adviesbureau] deze percelen niet in de schadeberekening betrokken.
27. Deze toelichting is onvoldoende om te kunnen vaststellen of er op de peildatum inderdaad geen mondelinge pachtovereenkomsten waren voor de percelen in [gemeente 1] sectie [sectie] nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] en die in [gemeente 2] sectie [sectie] nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , en [nummer 7] . Op de zitting heeft eiser betwist dat hij heeft gezegd dat hij deze percelen niet pachtte op de peildatum en eiser heeft er terecht op gewezen dat er geen verslag is van deze bijeenkomst, zodat de rechtbank dit niet kan controleren. Daar komt bij dat [adviesbureau] voor de andere percelen aan het [adres 2] wel uitgaat van een mondelinge pachtovereenkomst op de peildatum. Onduidelijk is waarom [adviesbureau] het voor die percelen wel aannemelijk vindt dat die mondelinge pachtovereenkomst er was op de peildatum en voor de andere percelen niet.
28. De rechtbank betwijfelt dus of per kadastraal perceel dat eiser pachtte op de peildatum en waar als gevolg van de afsluiting moet worden omgereden, voldoende inzichtelijk is gemaakt welke afspraken golden. De rechtbank heeft er behoefte aan dat voor alle kadastrale percelen inzichtelijk wordt gemaakt wat de situatie was op de peildatum: werden deze al gepacht door eiser en zo ja, wat voor soort pachtovereenkomst was dit? Als het gaat om geliberaliseerde pacht: wat was het perspectief om verlenging? Het gaat niet alleen om de kadastrale percelen nabij [adres 2] die eiser van de familie [familie] pacht, maar ook om de kadastrale percelen nabij [adres 1] en [adres 3] .
29. De rechtbank zal daarom in de opdracht aan de deskundige vragen om de situatie van alle betrokken kadastrale percelen op de peildatum in kaart te brengen. Het ligt daarbij op de weg van eiser om de daarvoor relevante gegevens aan te leveren, in ieder geval wat betreft de gestelde mondelinge pachtovereenkomsten. Op de zitting heeft de rechtbank over de door eiser overgelegde bankafschriften opgemerkt dat daaruit nog niet blijkt voor welke kadastrale percelen de pachtprijs is betaald. Dat staat namelijk niet op die afschriften vermeld. Zoals met eiser besproken op zitting ligt het op zijn weg om te onderbouwen dat er mondelinge pachtafspraken waren. Hij heeft immers de contacten met de verpachter. Doet hij dit niet, dan kan dat consequenties hebben voor de vaststelling van de schade.
De winterperiode
30. Eiser betoogt dat [adviesbureau] van een winterperiode van 24 weken uit had moeten gaan, omdat het gangbaar is dat vee tot 1 november buiten loopt.
31. Voor het vaststellen van de jaarlijkse schade moet worden bepaald van welke winterperiode moet worden uitgegaan. In die periode hoeft immers niet naar de gepachte percelen te worden gereden. [adviesbureau] heeft op de zitting toegelicht dat twee relaties zijn geraadpleegd en dat op basis daarvan een winterperiode van 28 weken is gehanteerd. Daar staat tegenover dat eiser heeft gesteld dat een winterperiode van 24 weken gangbaar is in de landbouwpraktijk. In reactie op de opmerking in het advies van [adviesbureau] dat eiser deze winterperiode aannemelijk kan maken met bijvoorbeeld digitale gegevens over de weidedagen, heeft eiser op de zitting gesteld dat de weidemelkregeling voor melkgevende koeien is, terwijl de koeien die aan de andere kant van de Vecht staan geen melk geven. Eiser heeft verder toegelicht dat is gezocht naar een onderbouwing van een winterperiode van 24 weken, maar dat hij daarover in de literatuur of informatie van de WUR niets heeft kunnen vinden.
32. De rechtbank zal op dit punt nog geen beslissing nemen, maar de deskundige vragen om dit ook mee te nemen in het onderzoek. Ook hiervoor geldt dat het aan eiser is om de daarvoor benodigde informatie aan te leveren over de periode dat de koeien in de wei staan. Relevant is wat de situatie bij eiser was rondom de peildatum en niet wat in zijn algemeenheid een gangbare winterperiode is.
Beoordeling kapitalisatiefactor in verband met ophalen appelpulp
33. Eiser betoogt dat over de omrijschade voor het ophalen van de appelpulp factor 5 toegepast had moeten worden, omdat van het begin af aan duidelijk was dat de appelpulp voor 5 jaar opgehaald zou worden, zoals ook in het conceptadvies staat.
34. Naar aanleiding van de reactie van eiser op het conceptadvies heeft [adviesbureau] bij eiser de overeenkomst met [bedrijf] opgevraagd. Eiser heeft toen laten weten dat de afspraken mondeling van aard waren. Volgens [adviesbureau] konden deze afspraken direct worden opgezegd, omdat eiser geen langlopend contract heeft kunnen overleggen. [adviesbureau] heeft geadviseerd om de extra omrijkosten voor het ophalen van appelpulp toch voor een jaar te vergoeden, omdat het aannemelijk is dat het enige tijd duurt voordat een alternatief voor de appelpulp in de bedrijfsvoering is doorgevoerd.
35. De rechtbank is niet overtuigd van de juistheid van de benadering van [adviesbureau] dat aan een mondelinge overeenkomst beperkte betekenis toekomt bij het bepalen van de kapitalisatiefactor. Een mondelinge overeenkomst is immers ook rechtsgeldig. De rechtbank zal dit geschilpunt ook aan de deskundige voorleggen voor advies. Daarbij wordt opgemerkt dat de bewijslast dat de mondelinge overeenkomst met [bedrijf] voor 5 jaar was aangegaan bij eiser ligt.
Deskundigenkosten
36. Volgens eiser zijn drie facturen ten onrechte niet vergoed. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat de factuur van 12 november 2024 wel is meegenomen bij de vaststelling van de deskundigenkosten. De factuur van 4 december 2024 ziet op de werkzaamheden in november 2024. [adviesbureau] heeft met deze factuur geen rekening kunnen houden, omdat deze dateert van na het definitieve advies. Op de zitting heeft het college toegezegd dat deze factuur ook voor vergoeding in aanmerking komt. De factuur van 7 januari 2025 ziet op werkzaamheden in december 2024, dus van na het bestreden besluit 2, en is daarom buiten de toegekende vergoeding gelaten. In de einduitspraak zal de rechtbank oordelen over de kosten van ná het bestreden besluit 2.
Deskundige benoemen
37. Zoals volgt uit deze tussenuitspraak, heeft de rechtbank twijfels over diverse uitgangspunten die in het nieuwe advies van [adviesbureau] worden gehanteerd. In het kader van een definitieve geschilbeslechting heeft de rechtbank behoefte om zich daarover te laten adviseren door een onafhankelijk deskundige op het gebied van het onteigeningsrecht. De deskundige zal worden gevraagd de rechtbank te adviseren over de volgende onderwerpen:
– welke percelen worden door eiser op de peildatum gepacht, op basis van welk soort pachtovereenkomsten en met welk perspectief op eventuele verlenging,
– welke winterperiode wordt door eiser op de peildatum gehanteerd en welke winterperiode is gangbaar,
– welke omstandigheden spelen in het algemeen een rol bij het bepalen van de kapitalisatiefactor, welke omstandigheden zijn in dit concrete geval aanwezig en wat is op grond daarvan de bandbreedte voor de in dit geval toe te passen kapitalisatiefactoren,
– wat is de bandbreedte voor de kapitalisatiefactor voor de omrijschade in verband met het ophalen van de appelpulp.
Bij dit alles geldt dat het op de weg van eisers ligt om de benodigde relevante gegevens aan te leveren. Als eiser dit niet of onvoldoende doet dan komt dat voor zijn risico.
38. De deskundige-opdracht zal aan partijen worden voorgelegd, waarbij zij de gelegenheid krijgen om te reageren op de vraagstelling.
39. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- zal een deskundige benoemen voor het uitbrengen van een advies;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. A. de Snoo, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:RBMNE:2024:3812.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4608.
Sluysmans en Van der Werf, Onteigeningsrecht (2023), p. 149-150 en Den Drijver-Van Rijckevorsel e.a., Handboek Onteigening (2013) p. 189.
Dit volgt dan uit de toepassing van artikel 7:322 van het Burgerlijk Wetboek. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|