|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:11307 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | K/4101/11879322 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Rente(wijzigings)beding hypotheek. Geen schending informatieplicht en zorgplicht door de bank. Geen oneerlijk beding. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | kredietovereenkomst | | | tarieven | | | | Uitspraak | RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11879322 \ CV EXPL 25-3240 IL
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.S.E.C. Moulen Janssen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de kantonrechter van 18 februari 2026;
- de akte van [gedaagde] ;- de antwoordakte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
De kantonrechter is bevoegd om van de zaak kennis te nemen
2.1.
In het vonnis van 18 februari 2026 heeft de kantonrechter, kort gezegd, overwogen voornemens te zijn de zaak te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar. Dit omdat - op dat moment- duidelijke aanwijzingen dat de van onbepaalde waarde zijnde vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.00,00, ontbraken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich over dit voornemen uit te laten wat zij bij (antwoord)akte hebben gedaan.
2.2.
[gedaagde] heeft in haar akte, kort gezegd, gesteld dat de hoogte van de vordering niet volledig is te bepalen, mede als gevolg van het feit dat die hoogte afhankelijk is van onzekere toekomstige omstandigheden. Daarnaast heeft [gedaagde] voorgesteld dat [eiser] uitdrukkelijk afstand doet van het meerdere van € 25.000,00 dan wel instemt om dit geding op de voet van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten overstaan van de kantonrechter voort te zetten.
2.3.
In reactie hierop heeft [eiser] in zijn antwoordakte zijn vordering uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,00 en afstand gedaan van het meerdere.
2.4.
Dit brengt mee dat de kantonrechter (alsnog) bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.
De feiten
2.5.
[eiser] heeft in oktober 2023 een hypothecaire geldlening met een variabele rente voor de verduurzaming van zijn woning bij [gedaagde] afgesloten via een onafhankelijke intermediair.
2.6.
Op 5 maart 2025 heeft [eiser] een klacht bij [gedaagde] ingediend over onverklaarbare en niet transparante verhogingen van zijn variabele hypotheekrente en vergoeding van te veel betaalde rente gevorderd.
2.7.
Op 18 april 2025 heeft [gedaagde] de klacht en schadevordering afgewezen, omdat de variabele rente (het basistarief) niet op een externe marktrente (zoals Euribor) is gebaseerd. Daarbij heeft [gedaagde] een korte toelichting gegeven op de opslagen en doorlopende kosten.
Het geschil
2.8.
[eiser] legt (samengevat) aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van een afgesproken rentekorting van 0,53% en dat [gedaagde] tekortschiet in haar verplichtingen (waaronder de informatieplicht en zorgplicht) en onrechtmatig handelt waardoor hij schade lijdt. Ook is volgens [eiser] sprake van een onredelijk bezwarend rentebeding en een oneerlijke handelspraktijk. Hierbij gaat de kantonrechter uit van wat [eiser] daarover in de conclusie van repliek heeft gesteld, omdat de in de dagvaarding genoemde (andere) juridische grondslagen niet zijn toegelicht en [eiser] op dat punt niet aan zijn waarheids- en volledigheidsplicht heeft voldaan. [gedaagde] stelt terecht dat zij zich daartegen niet voldoende kan verdedigen.
2.9.
[gedaagde] voert verweer.
2.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
De overeenkomst: geen rentekorting en/of 1-maands Euribortarief
2.11.
[eiser] stelt dat een rentekorting van 0,53% expliciet is opgenomen in de offerte en onderdeel is van de prijsafspraak. Volgens [eiser] is deze korting kort na ingang van de lening volledig verdwenen zonder voorafgaande aankondiging, toelichting of herberekening. Daarbij verwijst [eiser] naar zijn klacht aan de [gedaagde] . Daarin stelt hij dat de basisrente is gebaseerd op de “1-maands Euribor” en hij aanspraak heeft op de rentekorting van 0,53% omdat dit het verschil is tussen de variabele rente en de Euriborrente in december 2023 (3,34% - 3,87%).
2.12.
[gedaagde] voert aan dat partijen een variabele rente hebben afgesproken, die niet is gebaseerd op de Euriborrente. Volgens [gedaagde] bestaat het basistarief uit de gemiddelde variabele spaarrente die de bank betaalt aan klanten en de kosten die gemoeid zijn om het basistarief te bepalen en is die niet gebaseerd op een externe marktrente, zoals Euribor.
2.13.
De kantonrechter moet dus eerst beoordelen of partijen zijn overeengekomen dat de variabele rente bestaat uit of is gebaseerd op het 1-maands Euribortarief. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en licht dit oordeel hierna toe.
2.14.
De overeenkomst tussen partijen is neergelegd in de offerte. Aan de offerte is het Europees Gestandaardiseerd Informatieblad (ESIS) gehecht. Voorafgaand aan de overeenkomst heeft [gedaagde] [eiser] een renteaanbod gedaan. Daarbij is de Klantinformatie Lenen & Wonen gevoegd. Verder zijn de Algemene Plusvoorwaarden voor particuliere leningen van de [gedaagde] 2022 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In deze stukken wordt geen koppeling met het 1-maands Euribortarief gemaakt en/of wordt geen rentekorting van 0,53% genoemd:
2.14.1.
In de offerte staat:
“Wijzigt uw rentetarief? Dan wijzigt ook dit bedrag. Het rentebedrag daalt per maand. En het bedrag dat u terugbetaalt, stijgt per maand. (…)
U heeft gekozen voor een variabele rente. Dat betekent dat wij deze rente altijd kunnen veranderen. Deze rente is op het moment van het uitbrengen van deze offerte 3,2% per jaar. (…)
U heeft met uw tussenpersoon gesproken over de risico’s van de lening. (…)
Belangrijke risico’s voor u zijn:
- U wilt voor uw lening een variabele rente betalen. Deze rente kan op ieder moment hoger of lager worden. Wij kunnen deze rente altijd veranderen. (…)
Wij gaan ervan uit dat uw tussenpersoon alle belangrijke afspraken en risico’s met u heeft besproken. (…)”
2.14.2.
In het ESIS staat dat [gedaagde] variabele rente steeds kan veranderen, dat de variabele rente is opgebouwd uit vijf componenten (een basistarief, opslagen in verband met ontwikkelingen op de kapitaalmarkten en kapitaalkosten, individuele risico-opslagen, doorlopende kosten (bijvoorbeeld administratie- en beheerkosten) en een winstopslag) en dat [gedaagde] de hoogte van de verschillende componenten kan wijzigen en daardoor de variabele rente kan wijzigen.
2.14.3.
In het renteaanbod met de Klantinformatie Lenen & Wonen wordt ook geen koppeling met het Euribortarief gemaakt. In het renteaanbod staat dat het rentetarief ‘variabele rente’ is en dat deze rente op ieder moment hoger of lager kan worden en [gedaagde] deze rente altijd kan veranderen. Daarbij verwijst [gedaagde] naar informatie op haar website. Ook in de klantinformatie staat dat [gedaagde] variabele rente steeds kan aanpassen, dat deze kan stijgen of dalen en dat de variabele rente is opgebouwd uit de eerder genoemde vijf onderdelen. Daarbij staat dat er in de toekomst misschien onderdelen kunnen bijkomen of verdwijnen.
2.14.4.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 31 een bepaling over een leningdeel met variabele rente en in artikel 32 een bepaling over een leningdeel met een rente die gekoppeld is aan het 3-maands Euribortarief. In artikel 32 onder c staat dat in de overeenkomst staat hoe lang de opslagvastperiode is.
2.15.
Uitgaande van deze stukken zijn partijen een variabele rente van op dat moment 3,2% per jaar overeengekomen. Deze rente is opgebouwd uit vijf componenten (een basistarief, opslagen in verband met ontwikkelingen op de kapitaalmarkten en kapitaalkosten, individuele risico-opslagen, doorlopende kosten). In deze stukken is het begrip ‘basistarief’ niet gedefinieerd. Ook is niet omschreven op welke wijze het basistarief wordt vastgesteld. Maar dit betekent - zonder nadere toelichting van [eiser] - niet dat onder het begrip ‘basistarief’ het 1-maands Euribortarief zou moeten worden verstaan. De schriftelijke stukken bieden daarvoor geen steun. In artikel 31 van de algemene voorwaarden over een leningdeel met variabele rente wordt bijvoorbeeld (ook) niet naar het Euribortarief verwezen, terwijl dat wel mogelijk en logisch was geweest. Zoals bijvoorbeeld in artikel 32 van de algemene voorwaarden wel is gebeurd. Die bepaling gaat namelijk over een leningdeel met een rente die gekoppeld is aan het 3-maands Euribortarief.
2.16.
[eiser] noemt geen (andere) omstandigheden waaruit volgt dat hij de overeenkomst redelijkerwijs zo mocht opvatten en/of redelijkerwijs mocht verwachten dat er een koppeling met het 1-maands Euribortarief wordt gemaakt en/of een rentekorting van 0,53% van toepassing is. Het standpunt van [eiser] gaat in zoverre niet op.
Consumentenovereenkomst
2.17.
De kantonrechter merkt de overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] aan als een overeenkomst tussen een handelaar en een consument en licht dat als volgt toe.
2.18.
Onder consument wordt verstaan: iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. [gedaagde] stelt (onbetwist) dat [eiser] geen gemiddelde consument is, maar iemand met bovengemiddelde kennis van financiële producten en markten. Dit is voor de kwalificatie van de overeenkomst niet relevant. [eiser] heeft de hypotheek afgesloten voor de verduurzaming van zijn privéwoning. De kantonrechter merkt hem daarom aan als een consument.
2.19.
[eiser] heeft de hypothecaire geldlening afgesloten via een tussenpersoon. De kantonrechter leidt hieruit af dat de verzekeringsovereenkomst binnen de verkoopruimte is gesloten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.20.
Voor een lening als deze heeft de handelaar een precontractuele informatieplicht. De handelaar moet de precontractuele informatie verstrekken onverwijld nadat de consument de nodige informatie over zijn behoeften, financiële situatie en voorkeuren heeft verstrekt en ruimschoots voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden. Ook moet de precontractuele informatie worden verstrekt overeenkomstig het ESIS. Het ESIS moet op papier of op een andere duurzame drager worden verstrekt. De consument moet het ESIS dus kunnen lezen, maar ook kunnen opslaan. Het ESIS kan dus bijvoorbeeld per e-mail worden verstrekt of via een ‘mijn omgeving’ als de consument het ESIS daar ook kan downloaden/opslaan. Daarnaast moet de kredietverstrekker voor het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de consument beoordelen (zorgplicht).
2.21.
De kantonrechter leidt uit het dossier af dat aan deze precontractuele informatieplicht en zorgplicht is voldaan. Dat blijkt met name uit de informatie in het renteaanbod (met factsheet), de offerte en het ESIS. De precontractuele informatie is via de intermediair van [eiser] met hem gedeeld, zoals als niet betwist is komen vast te staan. De informatieplicht gaat niet zover dat er inzage moet worden verstrekt in hoe de rente concreet is opgebouwd. De kantonrechter leidt uit de stukken en gang van zaken af dat de in de factsheet genoemde informatie die mede dient om de kredietwaardigheid te toetsen, aan [gedaagde] is verstrekt en door haar is beoordeeld, omdat zij daarna de offerte heeft opgesteld. De kredietwaardigheid is niet ter discussie gesteld, zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet om ambtshalve na te gaan of [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van [eiser] voldoende heeft getoetst.
Toetsing van het rente(wijzigings)beding
2.22.
De overeenkomst bevat een rentebeding en een rentewijzigingsbeding. [eiser] vindt het rentebeding (de kantonrechter begrijpt: en het rentewijzigingsbeding) oneerlijk en onredelijk bezwarend. De kantonrechter is het niet met hem eens en motiveert dat hierna.
2.23.
Een rentebeding bij een hypothecaire geldlening is een kernbeding; geen algemene voorwaarde. Het onderhavige rentebeding is duidelijk en transparant.
2.24.
Het rentewijzigingsbeding van artikel 31 van de Algemene Plusvoorwaarden voor particuliere leningen van de [gedaagde] 2022 is op zichzelf duidelijk en begrijpelijk. Weliswaar is het voor de consument op basis van de tekst van het rentewijzigingsbeding niet mogelijk om met name de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien te overzien (anders dan dat hij rekening moet houden met tariefsverhogingen), maar die eis behoeft in dit geval enige nuancering. Van [gedaagde] kan namelijk niet worden verlangd dat ze in de algemene voorwaarden specifieke redenen voor een prijswijziging noemt als ze die zelf ook nog niet kent. Zo is op voorhand niet aan te geven welke ontwikkelingen zich op de kapitaalmarkten zullen voordoen, terwijl ook wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in de algemene kostenstructuur niet op voorhand nader te specificeren zijn. De kantonrechter oordeelt dat in het onderhavige geval het transparantievereiste niet eist dat de gevolgen van het rentewijzigingsbeding vooraf precies te becijferen zijn. De kantonrechter acht het beding dan ook voldoende transparant. De gemiddelde consument begrijpt, althans moet kunnen begrijpen, dat bij ontwikkelingen op de kapitaalmarkten de tarieven aangepast moeten kunnen worden.
2.25.
Het rentewijzigingsbeding komt voor op de indicatieve lijst in de Bijlage bij de Richtlijn oneerlijke bedingen. Dat betekent niet direct dat het beding oneerlijk is. Alle voorwaarden van de overeenkomst zijn van belang om te bepalen of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht.
2.26.
Er is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Tegenover de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid van [gedaagde] staat namelijk de mogelijkheid voor [eiser] om de lening kosteloos af te lossen of zijn rentetarief om te zetten naar een vast of alternatief variabel tarief. Deze twee maatregelen bieden voldoende compensatie voor de nadelige gevolgen van het eenzijdig wijzigingsbeding.
2.27.
Het rente(wijzigings)beding is dus niet oneerlijk en niet onredelijk bezwarend. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] die hierop zien daarom afwijzen.
Geen tekortkoming, onrechtmatig handelen en/of strijd met artikel 6:248 BW
2.28.
[eiser] stelt dat [gedaagde] tekortschiet in verplichtingen en in strijd met (andere) zorg- en informatieplichten handelt en dat sprake is van schending van artikel 6:248 en/of onrechtmatig handelen. De kantonrechter volgt deze stelling niet op basis van het volgende.
2.29.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat zij structureel weigert inzicht te geven in de concrete, individuele opbouw van de rente (het individuele basistarief, de hoogte en samenstelling van de opslag, de parameters die leiden tot wijziging van deze componenten en de reden voor het vervallen van de korting 0,53%) en de renteopbouw daarom niet controleerbaar is. Het gaat [eiser] erom dat hij niet kan controleren of de rente rechtmatig, proportioneel en marktconform is vastgesteld. De kantonrechter is het niet met [eiser] eens. Als niet betwist staat vast dat [gedaagde] [eiser] schriftelijk (via zijn intermediair) heeft geïnformeerd over de kenmerken van de variabele rente, over de componenten waaruit de variabele rente is opgebouwd en, als de variabele rente verandert, over welk component die wijziging veroorzaakt. Uit de bankafschriften in het dossier blijkt dat [gedaagde] [eiser] ook heeft geïnformeerd over wijzigingen (bijvoorbeeld wijziging van het rentepercentage door stijging basistarief en door daling van de winstopslag).
2.30.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat zij de rentekorting stilzwijgend heeft laten vervallen en stelt dat dit in strijd met artikel 6:248 BW is. Deze stelling is feitelijk onjuist en gaat daarom niet op.
2.31.
[eiser] stelt dat de externe marktrente substantieel is gedaald terwijl de contractuele rente niet is gedaald. [gedaagde] betwist dat. [eiser] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. De kantonrechter volgt hem daarom niet in deze stelling.
2.32.
Het vaststellen van het door [gedaagde] in rekening te brengen variabele rentetarief behoort tot haar interne beleidsvrijheid. Deze beleidsvrijheid bij het vaststellen van het variabele rentetarief is geen (onredelijk bezwarend) beding in algemene voorwaarden, maar een bevoegdheid die voortvloeit voort uit de door [eiser] gekozen rentevorm. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat zij geen openheid hoeft te geven over de exacte samenstelling (de opslagen) van het toegepaste rentetarief. [gedaagde] zou hierdoor genoodzaakt zijn concurrentiegevoelige en vertrouwelijke informatie vrij te geven. Daartoe is ze niet verplicht. De informatieverplichtingen gaan niet zo ver dat de hypothecaire financier in alle gevallen, ongeacht de inhoud van de met de wederpartij gesloten overeenkomst, is gehouden informatie te verschaffen over de samenstelling van het rentetarief.
2.33.
Het dossier bevat geen (andere) aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat sprake is van een tekortkoming, een schending van een zorg- en/of informatieplicht en/of artikel 6:248 BW en/of een onrechtmatig handelen door [gedaagde] . Het beroep van [eiser] op artikel 6:248 BW is onvoldoende specifiek. Onduidelijk is of hij een beroep op de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid doet. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] in zoverre afwijzen.
Geen oneerlijke handelspraktijk
2.34.
[eiser] baseert zijn stelling dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk op het achterhouden van essentiële informatie over het vervallen van de rentekorting en over de renteopbouw. Hiervoor is al geoordeeld dat geen sprake is van een rentekorting en schending van een informatieplicht. Van een misleidende omissie en een oneerlijke handelspraktijk is geen sprake.
2.35.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] die hierop zien daarom afwijzen.
Conclusie
2.36.
De kantonrechter zal zich bevoegd verklaren om van de zaak kennis te nemen en de vorderingen van [eiser] afwijzen.
2.37.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 1.442,50 (2,5 punt x tarief € 577,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld
in de beslissing)
Totaal € 1.586,50.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verklaart zich bevoegd om van de zaak kennis te nemen,
3.2.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.586,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Zie paragraaf III van de dagvaarding.
Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Productie 1 bij dagvaarding.
Artikel 6:230g lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Art. 7:122 BW.
Artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht (WFt).
Zie ook hierna in alinea 2.32.
Artikel 6:233 onder a in samenhang met Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn oneerlijke bedingen).
Conclusie van antwoord, productie 4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|