Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:11955 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:09-09-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 25/1529
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over twee besluiten waarbij de minister boetes heeft opgelegd aan eiseres wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Volgens de minister heeft eiseres sinds 2019 zeven vreemdelingen in dienst gehad die feitelijk reguliere arbeid hebben verricht terwijl zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor het lopen van een stage. Dit is volgens de minister in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Verder is de minister van mening dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is overtreden omdat de vreemdelingen, nu zij reguliere arbeid hebben verricht, recht hadden op minimumloon in plaats van een stagevergoeding. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op grond van de beschikbare informatie in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de feitelijke werkzaamheden van de vreemdelingen zijn aan te merken als reguliere arbeid. De rechtbank acht hierbij van belang dat de vreemdelingen en hun stagebegeleider hebben verklaard dat zij feitelijk dezelfde werkzaamheden hebben verricht als de overige werknemers en niet anders werden behandeld of begeleid. Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres zich wel op het standpunt heeft gesteld dat het leeraspect voorop heeft gestaan maar hiervan geen onderbouwing heeft gegeven. De conclusie van de minister dat sprake is van reguliere arbeid is hiermee door eiseres onvoldoende weerlegd. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boetes te matigen omdat de redelijke termijn is overschreden.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
minimumloon
tewerkstellingsvergunningen
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/1529 en 25/1530

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2026 in de zaken tussen

[eiseres] ., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Abalhaj),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
(gemachtigden: mr. N.M. Popa de Boer en mr. Y.D.R. Mandel).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee te onderscheiden besluiten waarbij de minister boetes heeft opgelegd aan eiseres wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Volgens de minister heeft eiseres sinds 2019 zeven vreemdelingen in dienst gehad die feitelijk reguliere arbeid hebben verricht terwijl zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor het lopen van een stage. Dit is volgens de minister in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Verder is de minister van mening dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is overtreden omdat de vreemdelingen, nu zij reguliere arbeid hebben verricht, recht hadden op minimumloon in plaats van een stagevergoeding.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op grond van de beschikbare informatie in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de feitelijke werkzaamheden van de vreemdelingen zijn aan te merken als reguliere arbeid. De rechtbank acht hierbij van belang dat de vreemdelingen en hun stagebegeleider hebben verklaard dat zij feitelijk dezelfde werkzaamheden hebben verricht als de overige werknemers en niet anders werden behandeld of begeleid. Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres zich wel op het standpunt heeft gesteld dat het leeraspect voorop heeft gestaan maar hiervan geen onderbouwing heeft gegeven. De conclusie van de minister dat sprake is van reguliere arbeid is hiermee door eiseres onvoldoende weerlegd. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boetes te matigen omdat de redelijke termijn is overschreden. De beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 14 maart 2024 heeft de minister eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen om aan haar twee boetes op te leggen voor het overtreden van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wml) en de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).


2.1.
Eiseres heeft hier op 25 april 2024 met een zienswijze op gereageerd.



2.2.
Op 28 juni 2024 heeft de minister besloten om twee boetebeschikkingen op te leggen. In totaal € 23.625,- voor het overtreden van de Wml en in totaal € 21.000,- voor het overtreden van de Wav.



2.3.
Eiseres heeft op 8 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de boetebeschikkingen.



2.4.
Met het bestreden besluit I van 31 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de boete op grond van de Wml ongegrond verklaard. Met het bestreden besluit II van dezelfde datum heeft de minister het bezwaar tegen de boetebeschikking op grond van de Wav ook ongegrond verklaard.



2.5.
Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld (zaaknummer 25/1529 betreft het beroep in het kader van de Wml, zaaknummer 25/1530 betreft het beroep in het kader van de Wav). De beroepschriften zijn inhoudelijk eensluidend.



2.6.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



2.7.
Op 29 mei 2026 heeft eiseres schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.



2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens eiseres, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


De totstandkoming van de bestreden besluiten

3. Medio 2019 is door het Samenwerkingsverband Uitzendbureaus onderzoek gedaan naar Stichting uitwisseling voor studiereizen op het platteland (SUSP). Uit dit onderzoek is gebleken dat hoger opgeleide buitenlandse studenten die via SUSP bij agrarische bedrijven in Nederland stage hebben gelopen, hoofdzakelijk reguliere (productie)werkzaamheden bij deze agrarische bedrijven hebben verricht. Verder is gebleken dat deze stagiairs geen of nagenoeg geen onderzoek hebben verricht in het kader van hun studie terwijl dit wel was opgegeven bij hun aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning. Eén van deze agrarische bedrijven betreft eiseres.


3.1.
Er is daarom nader onderzoek gedaan naar eiseres. Naar aanleiding van dit onderzoek is geconstateerd dat meerdere vreemdelingen als stagiair arbeid hebben verricht voor eiseres die hoofdzakelijk gericht was op het meedraaien met de primaire bedrijfsactiviteiten zoals het planten, oogsten, wieden en bossen van bloemen voor de verkoop.



3.2.
Naar aanleiding van het onderzoek is een boeterapport opgesteld. Dit rapport is op 22 januari 2024 naar eiseres verzonden. Uit het boeterapport volgt dat de inspecteurs ten aanzien van vijf vreemdelingen overtredingen hebben vastgesteld van artikel 7, eerste lid, van de Wml en ten aanzien van twee vreemdelingen overtredingen hebben vastgesteld van artikel 7, derde lid, van de Wml. Ten aanzien van deze zeven vreemdelingen zijn vervolgens ook overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd. Op grond hiervan is aan eiseres een boete opgelegd van € 23.625,- voor het overtreden van de Wml en € 21.000,- voor het overtreden van de Wav.


Het bestreden besluit I (Wml)

4. In het bestreden besluit I stelt de minister zich – kort samengevat – op het standpunt dat geen sprake is van stage-overeenkomsten maar dienstbetrekkingen in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). De reden hiervoor is dat de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden niet overeenkwamen met de trainingsplannen en voornamelijk bestonden uit gangbare productiewerkzaamheden. Verder is ook niet gebleken dat de werkzaamheden waren afgestemd op de door hen gevolgde opleidingen. Concluderend overweegt de minister dat de werkzaamheden niet primair gericht waren op het vergroten van de eigen kennis en vaardigheden van de vreemdelingen maar op het verrichten van arbeid voor eiseres. Hiermee staat volgens de minister vast dat de vreemdelingen tot eiseres in dienstbetrekking stonden en dat eiseres was aan te merken als hun werkgever. Dat studenten hebben verklaard veel te hebben geleerd en dat zij een mooie tijd hebben gehad, doet hier volgens de minister niet aan af omdat hiermee nog niet is gebleken dat het leeraspect voorop heeft gestaan. Zodoende is de minister van mening dat eiseres aan de vreemdelingen als werknemers het wettelijk minimumloon diende te betalen op grond van het eerste (en derde) lid van artikel 7 van de Wml. Het staat niet ter discussie dat dit niet is gebeurd. Daarmee staan de vijf overtredingen van artikel 7, eerste lid, en de twee overtreden van artikel 7, derde lid, van de Wml volgens de minister vast. Vanwege het tijdsverloop tussen de start van het onderzoek en het opsturen van het boeterapport heeft de minister het boetebedrag met 25% gematigd tot € 23.625,-.


Het bestreden besluit II (Wav)

5. In het bestreden besluit II stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres ook het eerste lid van artikel 2 van de Wav heeft overtreden omdat de vreemdelingen niet beschikten over de juiste tewerkstellingsvergunningen. Zoals blijkt uit het bestreden besluit I is de minister van mening dat zeven vreemdelingen in dienst van eisers niet kunnen worden aangemerkt als stagiairs. Dientengevolge is ook geen sprake van stages op een HBO- of universitair niveau, zoals vereist volgens paragraaf 30 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 (hierna: de Regeling), op grond waarvan de tewerkstellingsvergunningen van deze vreemdelingen zijn verleend. Zodoende komt de arbeid die de vreemdelingen hebben verricht niet overeen met het doel van hun tewerkstellingsvergunningen. Volgens het boeterapport zijn daarom ook zeven overtredingen van artikel 2 van de Wav geconstateerd. Ook de boete voor de overtredingen op grond van de Wav heeft de minister met 25% gematigd wegens het tijdsverloop tussen de start van het onderzoek en het opsturen van het boeterapport, wat neerkomt op een totaal van € 21.000,-


Heeft eiseres de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en Wet arbeid vreemdelingen overtreden?

6. In haar enige beroepsgrond stelt eiseres zich op het standpunt dat zij de Wml en de Wav niet heeft overtreden. Eiseres stelt dat de minister de boetes heeft gebaseerd op een bulkonderzoek naar SUSP en de daarbij aangesloten bedrijven. Volgens eiseres is daarom ten onrechte geen rekening gehouden met de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het onderzoek is volgens eiseres vooral gebaseerd op de beschikbare documenten zoals de trainingsplannen en de administratie van SUSP en wordt onvoldoende gesteund door de eigen verklaringen van de vreemdelingen waardoor de feitelijke werkzaamheden onvoldoende vast zijn komen te staan. Zo zijn niet alle vreemdelingen gehoord in het kader van het onderzoek, waardoor volgens eiseres ten aanzien van deze vreemdelingen onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de Wml of de Wav is overtreden. Verder wijst eiseres erop dat zij door het aanzienlijke tijdsverloop tussen het onderzoek en het boeterapport niet meer in staat is om tegenbewijs te leveren. Eiseres erkent dat de vreemdelingen zich bezig hebben gehouden met de kernactiviteiten van het bedrijf en zodoende ook normale werkzaamheden hebben verricht. Dit betekent volgens eiseres echter niet automatisch dat van een dienstbetrekking gesproken moet worden. Volgens eiseres heeft het leeraspect altijd centraal gestaan. Dat niet alle vreemdelingen onderzoek hebben verricht maakt dit volgens eiseres niet anders. Eiseres wijst er daarbij op dat zij in 2019 ongeveer 120 werknemers had en dat er maximaal twee vreemdelingen tegelijk stage hebben gelopen. Zodoende kan niet gezegd worden dat de vreemdelingen een wezenlijk onderdeel vormden van de bedrijfsvoering van eiseres. Verder heeft eiseres te allen tijde voldaan aan de voorwaarden van die door het UWV aan de tewerkstellingsvergunningen zijn gesteld.


Overtreding van de Wml



6.1.
Uit artikel 7, eerste lid, van de Wml volgt dat een werknemer jegens een werkgever recht heeft op minimumloon voor de arbeid die hij in dienstbetrekking verricht. Voor de vraag of eiseres minimumloon verschuldigd was aan de vreemdelingen is dus in de eerste plaats van belang of de arbeid die zij voor eiseres hebben verricht moet worden aangemerkt als een dienstbetrekking dan wel als een stage. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad moet deze vraag worden beantwoord met het oog op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen hadden, maar moet ook rekening worden gehouden met de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan invulling hebben gegeven. Daarnaast is een leerovereenkomst volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen arbeidsovereenkomst indien de verrichte werkzaamheden primair zijn gericht op het vergroten van eigen kennis en/of het opdoen van werkervaring. Dit betekent dat om te spreken van een stage-overeenkomst van belang is dat het leeraspect voorop staat.



6.2.
Omdat het hier gaat om een belastend besluit is het in de eerste plaats aan de minister om te onderbouwen dat het leeraspect niet voorop heeft gestaan. Het is dus de vraag of op grond van het boeterapport waarop de minister zich baseert voldoende duidelijk is dat geen sprake is geweest van stages. In dit geval is het boeterapport vooral gebaseerd op verklaringen van betrokken partijen en de stagedossiers van de vreemdelingen. De stagedossiers bestaan onder andere uit de stageovereenkomsten, de trainingsplannen, de aanvragen van de tewerkstellingsvergunningen en de maandelijkse stageverslagen van de vreemdeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze stukken genoegzaam onderbouwd dat het leeraspect niet voorop heeft gestaan. Bij dit oordeel hecht de rechtbank met name waarde aan de verklaringen van degene die de stagiairs namens eiseres heeft begeleid; [naam 2] . Uit zijn verklaringen blijkt dat hij alle vreemdelingen ten aanzien van wie er overtredingen zijn geconstateerd, herkent. Hij heeft verklaard dat deze vreemdelingen zich hoofdzakelijk hebben beziggehouden met het snijden van bloemen en volledig hebben meegedraaid in het bedrijf. Voor zover de vreemdelingen ook onderzoek hebben verricht of anderszins tijd hebben besteed aan hun studie, hebben zij dit volgens hem in hun eigen tijd gedaan. Verder blijkt uit zijn verklaringen dat de stagiairs qua werkzaamheden en begeleiding niet anders werden behandeld dan de overige werknemers. Tijdens de begeleiding is voorts volgens de eigen verklaringen van de begeleider niet stilgestaan bij het leerproces van de stagiairs. Deze verklaringen worden niet tegengesproken door de verklaringen van de medevennoot van eiseres, [naam 3] , die heeft verklaard dat hij geen van de betrokken vreemdelingen herkent en zich niet kan herinneren of zij in het kader van hun stage onderzoek hebben verricht. Wel heeft hij verklaard dat iedereen in principe dezelfde werkzaamheden heeft verricht.



6.3.
Naast de verklaringen van de stagebegeleider en de medevennoot, heeft de minister zich ook gebaseerd op de verklaringen van drie van de zeven betrokken vreemdelingen. De minister stelt zich hierover onbetwist op het standpunt dat het niet mogelijk is gebleken om de overige vijf vreemdelingen te horen omdat zij niet bereid waren om mee te werken aan het onderzoek. Uit de drie beschikbare verklaringen volgt dat de vreemdelingen alle drie tussen de 40 en 45 uur per week werkten en hetzelfde werk deden als alle andere werknemers van eiseres. Eén van hen heeft daarnaast verklaard dat zij niet in staat was om het leerplan af te ronden omdat het bedrijf van eiseres niet beschikte over een laboratorium. Daartegenover staat dat alle drie de vreemdelingen wel hebben verklaard dat zij 10 tot 30% van hun tijd hebben besteed aan hun studie (hetgeen overigens niet strookt met de verklaringen van hun stagebegeleider) en dat zij alle drie in het kader van hun studie een scriptie of eindverslag van hun stage hebben gemaakt. Uit de beschikbare verklaringen van de vreemdelingen blijkt ook dat zij vinden dat ze veel geleerd hebben in hun tijd bij eiseres. Daargelaten of dit voldoende is om te concluderen dat het leeraspect voorop heeft gestaan, is er geen onderbouwing van deze verklaringen voorhanden. Bovendien staan deze verklaringen haaks op de verklaringen van de stagebegeleider. Verder blijkt uit de maandelijkse stageverslagen, die overigens wel van elke vreemdeling beschikbaar zijn en door henzelf zijn ingevuld, dat zij iedere maand opnieuw hebben aangegeven dat hun werkzaamheden bestonden uit, met name en zonder uitzondering, het snijden van bloemen. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat de vreemdelingen hoofdzakelijk reguliere werkzaamheden hebben verricht waardoor niet kan worden gezegd dat het leeraspect voorop heeft gestaan. Dat de vreemdelingen wel hebben verklaard enige tijd te hebben besteed aan hun studie en een scriptie of eindverslag te hebben gemaakt, maakt dit niet anders omdat elke onderbouwing hiervan ontbreekt. Wat dat betreft lag het op de weg van eiseres om bijvoorbeeld de scripties of eindverslagen van de betrokken vreemdelingen over te leggen, hetgeen zij niet heeft gedaan.



6.4.
Op grond van deze informatie heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen dat het leerdoel niet voorop heeft gestaan waardoor moet worden uitgegaan van een dienstbetrekking in de zin van de artikel 7:610 van het BW. De rechtbank wijst er verder op dat eiseres de hierboven genoemde specifieke omstandigheden in bezwaar noch in beroep onderbouwd heeft betwist. Dat terwijl de minister in het primaire besluit en vervolgens in het bestreden besluit per vreemdeling heeft uiteengezet op grond van welke bevindingen de overtredingen zijn geconstateerd. Voor zover eiseres dus aanvoert dat de minister met de bovenstaande bevindingen niet heeft voldaan aan de eigen bewijslast en hiermee dus onvoldoende heeft onderbouwd dat het leeraspect niet voorop heeft gestaan, gaat de rechtbank hier niet in mee. Dit betekent dat de minister heeft kunnen concluderen dat er sprake was van dienstbetrekkingen in de zin van de artikel 7:610 van het BW en dus geen sprake was van stages. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wml betekent dit dat de vreemdelingen voor hun arbeid recht hadden op minimumloon. Eiseres heeft niet betwist dat geen minimumloon is uitbetaald.


Overtreding van de Wav



6.5.
Op grond van het eerste lid van artikel 2 van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De vreemdelingen in dienst bij eiseres beschikten over een tewerkstellingsvergunning op grond van paragraaf 30 van de Regeling. Deze tewerkstellingsvergunning is bedoeld voor vreemdelingen die korter dan één jaar arbeid verrichten als stagiair. Verder is vereist dat de stagiair een opleiding volgt aan een instelling voor hoger onderwijs (van HBO- of universitair niveau) in het buitenland of op het moment van aanvraag ten hoogste twee jaar beschikt over een diploma, afgegeven door een instelling voor hoger onderwijs. Tot slot mag de stage niet in de plaats komen van een reguliere baan. In verband met dit vereiste dient in de stageovereenkomst een beschrijving van het stageprogramma te worden opgenomen, waarin de educatieve doelstellingen en leercomponenten van de stage zijn opgenomen.



6.6.
In rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake was van een stage in de zin van artikel 7:610 van het BW omdat niet is gebleken dat het leeraspect voorop heeft gestaan. Logischerwijs kan dan ook geen sprake zijn van een stage in de zin van paragraaf 30 van de Regeling. Daar komt bij dat in dit geval stageprogramma’s zijn opgesteld maar dat niet is gebleken dat de stageprogramma’s zijn gevolgd of dat de educatieve doelstellingen zijn gehaald. Op papier is daarom voldaan aan de vereisten van paragraaf 30 van de Regeling, maar in de praktijk hebben de vreemdelingen arbeid verricht voor eiseres die niet aansluit bij het doel waarvoor hun tewerkstellingsvergunning is verleend, namelijk het lopen van een stage. Met andere woorden beschikten de vreemdelingen niet over de juiste tewerkstellingsvergunningen, hetgeen in strijd is met het eerste lid van artikel 2 van de Wav.


Is de redelijke termijn overschreden?

7. Eiseres heeft in haar aanvullende gronden van 29 mei 2026 een beroep gedaan op matiging van beide boetes op grond van een overschrijding van de redelijke termijn.



7.1.
De rechtbank toetst in boetezaken of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Deze termijn wordt overschreden indien de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze, wordt de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar (één jaar voor de bestuurlijke fase en één jaar voor de rechterlijke fase) heeft geduurd. De termijn in punitieve zaken begint te lopen op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. In dit geval is dat het moment waarop de minister het voornemen heeft geuit om de boetes op te leggen, namelijk 14 maart 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden ten tijde van de datum van deze uitspraak. Deze termijnoverschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen. Omdat het gaat om een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden, ziet de rechtbank aanleiding om beide boetes met 5% te matigen. Dit betekent dat de boete van € 23.625,- op grond van de Wml wordt gematigd tot € 22.443,75 en dat de boete van € 21.000,- op grond van de Wav wordt gematigd tot € 19.950,-.




Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen voor zover het de hoogte van de boetes betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten in zoverre te herroepen en de hoogte van de boetes vast te stellen op € 22.443,75 ten aanzien van het overtreden van de Wml en € 19.950,- ten aanzien van het overtreden van de Wav.


8.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor het geslaagde beroep op overschrijding van de redelijke termijn, wordt in de samenhangende zaken een punt toegekend, met een waarde van € 934,-, met wegingsfactor 0,5. Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 467,- aan eiseres.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 31 januari 2025 voor zover het de hoogte van de boetes betreft;
- herroept de besluiten van 28 juni 2024 ten aanzien van de hoogte van de boetes;
- stelt de hoogte van deze boetes vast op € 22.443,75 ten aanzien van het overtreden van de Wml en € 19.950,- ten aanzien van het overtreden van de Wav;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de besluiten;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 770,- (2x € 385,-) aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. F.K. van Wijk, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:HR:2012:BY8742.


De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.
Link naar deze uitspraak