Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:5668 
 
Datum uitspraak:20-05-2026
Datum gepubliceerd:14-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:AWB - 24 _ 4655
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Douane. Utb voor aanvullende rechten na vollopen contingenten staal uit India. Verbindendheid van Verordening 2019/159 (vrijwaringsmaatregelen staalproducten). Beginselen van non-discriminatie, transparantie en voorspelbaarheid. Verhouding contingenten Indiaas staal tot andere landenspecifieke contingenten. Snelle uitputting van contingenten Indiaas staal. Evenredige toepassing van het contingent op de uitputtingsdag. Publicatie van uitputtingsgegevens. Geen real time informatievoorziening. Doorlooptijd aanvaarding van de aangifte, doorsturen van de aangifte aan de Commissie en daadwerkelijke toewijzing uit de contingenten. Beheer van tariefcontingenten overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften, niet op chronologische volgorde van tijdstip van aangifte. Vertrouwensbeginsel. Geen aanleiding voor prejudiciële vragen. Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Verlenging van de maximale redelijke behandelduur.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
 
Uitspraak
Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/4655, HAA 24/4657, HAA 24/4659, HAA 24/4661 en HAA 24/4662

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen




[eiseres] , gevestigd te [stad] ( [land] ), eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),

en



de inspecteur van de Douane, verweerder.





Inleiding

Deze beroepen gaan over Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (Verordening 2019/159), in het bijzonder over de vraag of prejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden aan het Hof van Justitie of deze verordening (met de daaropvolgende wijzigingsverordeningen) geldig is ten aanzien van tariefcontingenten voor bepaalde staalproducten uit India.

Verweerder heeft aan eiseres diverse uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt voor een bedrag van in totaal € 88.079,88 aan aanvullende rechten.

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de utb’s ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 18 november 2025 ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de beroepen een regiezitting gehouden, waarbij de meervoudige douanekamer mr. C.A. Schreuder op grond van 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht uit haar midden heeft aangewezen als rechter-commissaris. Namens eiseres zijn toen verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] ( [bedrijf 1] LLP). Namens verweerder zijn toen verschenen: mr. [naam 2] en [naam 2] .
Na de regiezitting heeft de rechtbank de (inhoudelijke) behandeling aangehouden tot de zitting van 24 maart 2026.

Partijen hebben vóór deze zitting nadere stukken ingediend: verweerder met dagtekening 3 december 2025 en eiseres met dagtekening 23 januari 2026.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 3] (beiden van [bedrijf 1] LLP), [naam 4] (directeur van [bedrijf 2] Ltd), B.J.C. de Paauw (Staff Member van [bedrijf 3] B.V. en douane-expediteur van [bedrijf 4] B.V.) en [naam 5] en [naam 6] (beiden tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. dr. [naam 7] en drs. [naam 8] .

Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met beroepen van diverse andere eiseressen, waarin de geldigheid van Verordening (EU) 2019/159 ook in geschil is. In die beroepen doet de rechtbank vandaag ook uitspraak.




Overwegingen


Feiten

1. Eiseres is een groothandel en detailhandel in industriële goederen. Haar werkzaamheden bestaan onder andere uit handel in roestvrij staal, handel in metalen en metaalproducten.

2. Eiseres heeft in de periode van het derde kwartaal 2022 tot en met het derde kwartaal van 2023 in diverse kwartalen aangiften voor het vrije verkeer gedaan van staalproducten van oorsprong uit India van de productcategorieën 14 en 15 uit Bijlage IV.1 van Verordening 2019/159 (staal uit India). Productcategorieën 14 en 15 behoren beide tot de in de staalindustrie gebruikelijk te onderscheiden productfamilie “lange producten”. Categorie 14 betreft staven en lichte profielen van roestvrij staal. Categorie 15 betreft walsdraad van roestvrij staal. Bij de aangiften in de kwartalen in geding deed eiseres een beroep op de toepassing van de voor deze producten geldende contingenten (098871 respectievelijk 098876).

3. In de kwartalen in geding werd telkens in totaal een grotere aanspraak gemaakt op de geldende contingenten dan dat er van die contingenten beschikbaar was, zodat de contingenten telkens op een deel van de aangegeven staalproducten werden toegepast en eiseres voor de overige delen de aanvullende rechten van 25% verschuldigd was.

4. De aangiften in geding betreffen voor categorie 14: het derde en vierde kwartaal van 2022, en het eerste, tweede en derde kwartaal van 2023. De aangiften in geding betreffen voor categorie 15: het vierde kwartaal van 2022. Het financiële belang van de aangiften in geding bedraagt in totaal € 88.079,88.

5. Voor de aangiften die werden aanvaard op of na de uitputtingsdag van de geldende contingenten heeft verweerder utb’s uitgereikt. Op diverse data maakte eiseres bezwaar tegen deze utb’s. In haar bezwaarschriften deed eiseres steeds tegelijk een verzoek om terugbetaling van de bedragen van de utb’s. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen afwijzing van haar bezwaren. Verweerder heeft de verzoeken om terugbetaling afgewezen. In de loop van de beroepsprocedures tegen de utb’s heeft verweerder desgevraagd ingestemd met rechtstreeks beroep tegen elke afzonderlijke afwijzing van de verzoeken om terugbetaling. De verzoeken om rechtstreeks beroep zijn door de rechtbank ingewilligd. In die beroepen doet de rechtbank vandaag ook uitspraak (zaaknummers HAA 25/1694 tot en met HAA 25/1699).


Geschil
6. Eiseres betoogt dat met Verordening 2019/159 en de uitvoering van het tariefcontingentensysteem beginselen van non-discriminatie, transparantie en voorspelbaarheid zijn geschonden. De Commissie heeft volgens eiseres de invoer van staal uit bepaalde landen, waaronder India, selectief benadeeld. De vrijwaringsmaatregelen zijn daarmee discriminerend geweest voor importeurs van staal uit India van categorie 14, zoals eiseres. De Commissie had voor een ander systeem dan tariefcontingenten moeten kiezen.
De uitputting van de tariefcontingenten is volgens eiseres in de tijd niet transparant en bovendien onvoorspelbaar geweest. De contingenten waarvoor eiseres aanvragen indiende, in het bijzonder het contingent voor productcategorie 14, waren steeds bij de aanvang van het kwartaal direct uitgeput. De ijverige aangeefster zoals eiseres kreeg daardoor niet de hoeveelheid uit het contingent toebedeeld die zij op grond van haar ijver had mogen verwachten. De onvoorspelbaarheid werd in de hand gewerkt door de traagheid waarmee de Commissie informatie over de uitputting van contingenten beschikbaar stelde en het ontbreken van real time updates. Verder beroept eiseres zich op gewekt vertrouwen en stelt zij dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zich te laten leiden door instructies van de Commissie. Zij verzoekt de rechtbank over bovengenoemde aspecten prejudiciële vragen te stellen.Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de utb’s, met veroordeling van verweerder in de proceskosten en tot betaling van het griffierecht in de beroepen. Ook verzoekt zij om vergoeding van de door haar geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in de bezwaarfase.

7. Volgens verweerder zijn de utb’s terecht en op juiste gronden opgelegd. De betreffende verordeningen zijn correct toegepast door verweerder en de Commissie. Er zijn geen redenen om aan de geldigheid van de verordeningen te twijfelen. Verweerder wijst daarbij ook op de ruime beoordelingsvrijheid die de instellingen van de Europese Unie op het terrein van het gemeenschappelijk handelsbeleid hebben. Het vooreerst uitblijven van een landenspecifiek contingent voor staal van categorie 14 afkomstig uit China leidt niet tot discriminatie op basis van nationaliteit, net zo min als het verwijt van eiseres dat bepaalde landenspecifieke contingenten (van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk) ongebruikt zijn gebleven. De vrijwaringsmaatregelen in geding betreffen niet een bijzonder complexe exercitie. Openstelling en toedeling vindt plaats op de gebruikelijke wijze, conform de artikelen 49 tot en met 54 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 (de UVo.DWU). Hierin is een evenwichtig en rechtvaardig beheersysteem geregeld. Niet in geschil is dat verweerder heeft gehandeld conform de wettelijke procedure. Verweerder heeft het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” correct toegepast. Ter zitting heeft verweerder deze procedure nogmaals toegelicht en ook een toelichting gegeven op verschillende door eiseres overgelegde screenshots. Dat de staalproducten bestaan uit veel categorieën en veel verschillende goederencodes maakt het beheer (de aanvraag en raadpleging) niet gecompliceerd. Door haar ervaring als professionele en deskundige marktdeelnemer zou eiseres moeten weten dat het zeer gebruikelijk is dat bepaalde tariefcontingenten op de eerste dag van beschikbaarheid van dat contingent zijn uitgeput. Als een tariefcontingent op de eerste dag uitgeput raakt, wordt elke aangever geconfronteerd met een heffing over een deel van de goederen. De situatie van eiseres is daarin niet uniek.Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Verder heeft de Commissie geen enkele rol gespeeld in de besluitvorming van verweerder. Ten laatste wijst verweerder erop dat het betoog van eiseres dat het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” zonder meer niet kan slagen voor aangiften die zijn aanvaard ná de eerste dag van het kwartaal die geen feestdag is.Verweerder ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.


Beoordeling van het geschil

8. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De hoofdlijn van het tariefcontinentensysteem is als volgt.


Het tariefcontingentensysteem van Verordening 2019/159

9. Bij Verordening 2019/159 heeft de Europese Unie definitieve vrijwaringsmaatregelen getroffen op de invoer van staal van 26 productcategorieën. Voor deze productcategorieën is een vrijwaringsmaatregel (aanvullend recht) van 25% ingesteld. Om de traditionele handelsstromen te beschermen en in het kader van het verzoenen van conflicterende belangen, waaronder de belangen van importeurs en van gebruikers, wordt binnen de vrijwaringsmaatregel per kwartaal een hoeveelheid staal, per productcategorie en per exporterend land, uitgezonderd van het aanvullend recht. Daarbij is gekozen voor een gemengde aanpak: naast een landenspecifiek contingent wordt een residueel contingent toegewezen. Krachtens artikel 3 van Verordening 2019/159 worden de vastgestelde contingenten door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten van de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU.

10. Artikel 49, eerste lid, van de UVo.DWU bepaalt dat tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer waarin een beroep wordt gedaan op een contingent. Overeenkomstig artikel 54 van de UVo.DWU sturen de lidstaten de gegevens van deze aangiften door naar de Commissie. De Commissie wijst vervolgens de hoeveelheden toe uit de betreffende contingenten (artikel 51, derde lid, van de UVo.DWU). De toewijzing kan niet eerder plaatsvinden dan op de tweede werkdag na de datum van aanvaarding van de aangifte (artikel 51, tweede lid, van de UVo.DWU). Wanneer op een dag van toewijzing de som van de hoeveelheid van alle aanvragen uit aangiften die op dezelfde dag zijn aanvaard, groter is dan het resterende saldo van het tariefcontingent, wordt het resterende saldo naar evenredigheid verdeeld over de aanvragen van die dag (artikel 51, vierde lid, van de UVo.DWU).

11. Eiseres trekt de rechtsgeldigheid van artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU niet in twijfel. De rechtbank gaat van de geldigheid van deze bepalingen uit. Het oogmerk van deze bepalingen is een juiste en uniforme toepassing van de tariefcontingenten. Dit blijkt ook uit de overwegingen in de UVo.DWU: “Overwegende dat de regels voor het beheer van deze tariefcontingenten een gelijke en eerlijke behandeling van alle importeurs in de Gemeenschap moeten waarborgen; dat derhalve dient te worden gewaarborgd dat die tariefcontingenten, tot zij zijn uitgeput, voor alle importeurs steeds gelijkelijk en ononderbroken toegankelijk zijn en dat toewijzingen eenmaal per werkdag dienen te gebeuren, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is.”

12. Voor zover de achtergrond van het betoog van eiseres is dat Verordening 2019/159 (gedeeltelijk) nietig moet worden verklaard, heeft allereerst het volgende te gelden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie beschikken de instellingen van de Europese Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en meer in het bijzonder ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Het beroep van eiseres op het arrest van het Gerecht van 4 maart 2026, dat handelt over de voorwaarden voor de vaststelling van een ontwijking van bepaalde antidumpingmaatregelen en op grond waarvan eiseres benadrukt dat een beroep op een “ruime discretionaire bevoegdheid” nooit kan worden losgekoppeld van een feitelijke en zorgvuldige analyse, maakt dit uitgangspunt bij rechterlijk toezicht niet anders.
Ten tweede rust op eiseres de last om haar stellingen en standpunten met bewijzen te onderbouwen. Volgens vaste rechtspraak moet een onjuiste opvatting van feiten en bewijzen in een verordening duidelijk uit de processtukken blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van die feiten of bewijzen hoeft te worden verricht. Zo heeft het Gerecht overwogen:
“According to settled case-law, in order to establish that an EU institution committed a manifest error of assessment which would justify the annulment of a measure, it is for the applicant to adduce sufficient evidence to render implausible the assessments of the facts in that measure (see, to that effect, judgment of 3 December 2019, Yieh United Steel v Commission, T607/15, EU:T:2019:831, paragraph 110 and the case-law cited)”.


Omvang van het geding

13. De rechtbank constateert dat eiseres ook argumenten heeft aangevoerd die zien op andere kwartalen dan de kwartalen in geding (zie overweging 4). De rechtbank zal deze betrekken voor zover eiseres deze relateert aan de kwartalen in geding.
De rechtbank gaat niet in op punten waarover partijen hebben aangegeven dat daar geen geschil over bestaat. Feitelijke details als de data en nummers van de aangiften en hoogte van de utb’s zijn niet in geschil: partijen gaan uit van het door verweerder overgelegde overzicht met dagtekening 3 december 2025. De rechtbank sluit zich daarbij aan.


Uitputtingsdatum
14. Contingenten 098871 (productcategorie 14) en 098876 (productcategorie 15) zijn in de kwartalen in geding steeds aan het begin van het kwartaal uitgeput geraakt. Eiseres heeft regelmatig in haar gedingstukken voor hetzelfde kwartaal en dezelfde productcategorie verschillende uitputtingsdata genoemd. Ter zitting is aan de orde gesteld dat de datum in de Tariff quota consultation database leidend is voor de uitputtingsdatum waar de rechtbank van uitgaat, tenzij eiseres een andere uitputtingsdatum aannemelijk maakt. Aangezien eiseres dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank uitgaan van de uitputtingsdatum in de Tariff quota consultation database, ook als eiseres op dat punt een andere datum of data in haar stukken heeft opgenomen.


Discriminatie en de hoogte van contingent 14

15. Eiseres stelt dat zij door het stelsel van vrijwaringsmaatregelen is gediscrimineerd, in het bijzonder wat betreft haar import van staal uit India van productcategorie 14. Zij benoemt dat haar exporteur van dit staal in de procedures van totstandkoming van Verordening 2019/159 en de verlengingen van deze verordening ook steeds bezwaren naar voren heeft gebracht inzake discriminatie in het systeem van contingenten en de hoogte van het contingent voor staal uit India. Eiseres is door het stelsel van vrijwaringsrechten disproportioneel benadeeld. Dit is (onder andere) het gevolg van het niet in acht nemen van traditionele handelsstromen en de te beperkte hoogte van de contingenten voor staal uit India van productcategorie 14.
Eiseres betoogt meer in het bijzonder dat voor China ten onrechte niet bij aanvang, dus in Verordening 2019/159, een landenspecifiek contingent is ingesteld. Pas bij de wijziging van de verordening per 1 maart 2025 is een dergelijk contingent ingesteld. Dit is veel te laat geweest. De importeurs van Chinees staal van categorie 14 hebben daardoor onevenredig geprofiteerd van het residuele contingent. Uit een door haar overgelegde staat met gegevens van Chinese export naar de EU in categorie 14 over de periode 2020 – 2024 concludeert zij dat het marktaandeel van China in dit segment in die periode meer is geworden dan 5%. Uit de staat blijkt namelijk dat in 2020 het Chinese deel in deze categorie 4,64% bedroeg, in 2021 was dit 8,55%, in 2022 was dit 8,97%, in 2023 was dit 7,46% en in 2024 was dit 4,7%. Op grond daarvan had eerder een landenspecifiek contingent voor Chinees staal van categorie 14 moeten worden ingesteld.Verder leidt het niet volledig gebruiken van de landenspecifieke contingenten van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk ertoe dat eiseres gediscrimineerd wordt.


Geen landenspecifiek contingent voor China

16. Uit Bijlage III.2 van Verordening 2019/159, gelezen in samenhang met Bijlage II van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2037 van de Commissie van 10 december 2020, en overweging 121 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 (Verordening 2021/1029) volgt dat China - anders dan India - voor productcategorie 14 werd aangemerkt als ontwikkelingsland waarvoor geen contingent werd vastgesteld. In zoverre mist het betoog van eiseres doel: de situaties van India en China zijn niet vergelijkbaar. Verder overweegt de rechtbank dat het eiseres vrij stond om staal te importeren dat werd ingevoerd binnen het residuele contingent of binnen een ander landenspecifiek contingent dan India. Voor zover zij de keuze maakte om staal te importeren uit India, is zij niet anders behandeld dan andere importeurs van staal uit India.

17. Overschrijding van de drempel van een invoervolume van 5% behoeft niet tot het onmiddellijk instellen van een tariefcontingent voor het betreffende land te leiden. Bij het voorbereiden van de vrijwaringsmaatregelen heeft de Commissie de traditionele handelsstromen, waaronder de handelsstroom uit China, betrokken in haar analyse. Zodoende is (onder andere) voor staal van categorie 15 afkomstig uit China een contingent vastgesteld.

17.1
Bij de verlenging van de vrijwaringsmaatregelen (bij Verordening 2021/1029) heeft de Commissie aandacht geschonken aan de positie van Chinees staal op de wereldmarkt. De Commissie heeft ontwikkeling van de invoer en het marktaandeel, ontwikkeling van het gebruik van tariefcontingenten, ontwikkeling van de wereldwijde uitvoer door de belangrijkste staalexporterende landen en van het verbruik op hun binnenlandse markten, wereldwijde overcapaciteit, maatregelen van de VS op grond van Section 232, situatie van handelsbeschermings- en handelsbeperkende maatregelen in derde landen en aantrekkelijkheid van de markt van de Unie in haar beoordeling betrokken.



17.2
Bij de wijziging en verlenging van de vrijwaringsmaatregel in 2024 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1782 van de Commissie van 24 juni 2024 (Verordening 2024/1782) heeft de Commissie vorengenoemde aspecten ook betrokken, en daarbij nog twee andere aspecten: maatregelen van andere derde landen dan de VS en marktvooruitzichten. Zij heeft toen onder andere overwogen dat “de sterke toename van de uitvoer uit China leidde tot extra concurrentiedruk op derde markten, waarbij volumes van andere landen van uitvoer werden verdrongen, een trend die in de nabije toekomst niet lijkt te zullen worden gekeerd”. De uitvoer uit China op de wereldmarkt (inclusief de EU) is dus uitdrukkelijk in de beoordeling betrokken en de Commissie heeft (tot en met 2024) geen aanleiding gezien voor het instellen van een contingent voor de invoer van staal van productcategorie 14 van oorsprong uit China.



17.3
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit hetgeen eiseres heeft overgelegd niet dat de Commissie bij vorenstaande overwegingen een onjuiste opvatting van feiten en bewijzen heeft gehad. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moet onderzoeken. Dat de drempel van het invoervolume van productcategorie 14 van oorsprong uit China in enig jaar boven de 5% is geweest, betekent niet dat de Commissie zonder meer en onmiddellijk over had moeten gaan tot instelling van een landenspecifiek contingent voor dit product uit China. De afwegingen die de Commissie daarbij moet maken, zijn, zoals hiervoor is aangegeven, complexer.
Het betoog dat eiseres is gediscrimineerd omdat niet initieel een contingent voor staal van categorie 14 van oorsprong uit China is ingesteld, slaagt dus niet.


Gebruik van de landenspecifieke contingenten van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk

18. Ook het niet volledig gebruiken van de landenspecifieke contingenten van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk leidt niet tot discriminatie van eiseres als importeur van staal uit India. Eiseres betoogt dat door deze onderbenutting de beschikbare rechtenvrije ruimte voor importeurs uit landen die wél leveren, zoals India, wordt beperkt. Eiseres heeft echter geen rechtstreeks verband aangetoond tussen het niet benutten van de contingenten van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk en de positie van eiseres als importeur van staal van productcategorie 14 uit India.


De hoogte van de contingenten voor staal van categorieën 14 en 15 van oorsprong uit India
19. Eiseres betoogt dat de hoogte van de contingenten van productcategorieën 14 en 15 uit India te laag zijn vastgesteld. Dit blijkt volgens haar uit het feit dat deze contingenten steeds direct na de openstelling uitgeput worden.

20. Uit de gegevens van Tariff quota consultation database blijkt inderdaad dat vooral de contingenten voor productcategorie 14 in de kwartalen in geding snel na openstelling uitgeput raakten. De rechtbank merkt daarbij op dat voor eiseres geldt dat zij (lang) niet alle kwartalen in de periode in geding (derde kwartaal 2022 – eerste kwartaal 2024) bestrijdt (zie overweging 4). De algemene strekking van het betoog van eiseres moet dus met enige nuancering worden bezien.

21. De Commissie heeft de hoogte van de contingenten voor staal uit India in productcategorieën 14 en 15 gebaseerd op de traditionele handelsstromen onder de nadere overweging dat landenspecifieke toewijzing van contingenten leidt tot grotere voorspelbaarheid voor traditionele leveranciers en gebruikers. Eiseres vindt deze motivering niet steekhoudend. Ter zitting heeft eiseres onderschreven dat de eerste drie jaren na inwerkingtreding van Verordening 2019/159 de traditionele handelsstromen wel zijn gerespecteerd. Bij de wijzigingen in 2021 en 2024 is dat echter ten onrechte niet gebeurd, aldus eiseres.

22. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



22.1
In 2021 is de vrijwaringsmaatregel gewijzigd en verlengd (bij Verordening 2021/1029). De omvang van het contingent voor productcategorie 14 voor staal uit India in de laatste periode van Verordening 2019/159 (van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021) is 120 002,65 ton netto per jaar. In de eerste periode van de verlenging is deze hoogte 29 368,19 ton netto per kwartaal. Deze hoeveelheden sluiten op elkaar aan.



22.2
De omvang van het contingent voor productcategorie 15 voor staal uit India in de laatste periode van Verordening 2019/159 (van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021) is 27 372,78 ton netto per jaar. In de eerste periode van de verlenging is deze hoogte 6 830,52 ton netto per kwartaal. Ook deze hoeveelheden sluiten op elkaar aan.



22.3
Verder is in Verordening 2021/1029 voor de totale periode (van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024) de omvang van de contingenten per kwartaal verhoogd of verlaagd (zie bijlage IV bij Verordening 2021/1029). Per saldo is in deze periode het contingent voor productcategorie 14 per kwartaal verhoogd met 5%, van 29 368,19 ton netto naar 30 818,05 ton netto. Ook voor productcategorie 15 is het contingent per kwartaal verhoogd met 5%, namelijk van 6 830,52 naar 7 167,73 ton netto.



22.4
Bij de wijziging en verlenging van de vrijwaringsregeling bij Verordening 2024/1782 heeft de Commissie de snelle uitputting van bepaalde tariefcontingenten betrokken, en in het bijzonder de omstandigheid dat een aanzienlijk aantal van deze tariefcontingenten was uitgeput door enkele van de belangrijkste landen die staal uitvoeren naar de Europese Unie (China, India, Korea, Taiwan en Turkije). Soortgelijke uitvoerpatronen had de Commissie ook vastgesteld in Verordening 2021/1029. De Commissie heeft de snelle uitputting van tariefcontingenten dus uitdrukkelijk onder ogen gezien en daarin geen aanleiding gezien de contingenten van staal uit India in productcategorieën 14 en 15 verder te verhogen.



22.5
Het argument dat de contingenten zo snel uitgeput zijn, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat een onjuiste omvang van het contingent is vastgesteld voor het nu in geding zijnde staal dat eiseres uit India heeft ingevoerd. In dit verband wijst de rechtbank ook op Verordening 2024/1782 - meer in het bijzonder op overwegingen 121 tot en met 124 van die verordening - waarin de Commissie in algemene zin het argument van sommige belanghebbenden dat bepaalde contingenten snel of consistent uitgeput raken, heeft beoordeeld en afgewezen. De Commissie licht in overweging 158 van Verordening 2024/1782 toe dat ten aanzien van de traditionele handelsstromen wordt uitgegaan van de handelsstromen zoals die bestonden vóór de invoering van de maatregel en niet naar handelsstromen zoals die tijdens de maatregelen zijn gewijzigd, zoals eiseres voorstaat.



22.6
Het betoog van eiseres dat de contingenten voor staal van productcategorieën 14 en 15 van oorsprong uit India hoger hadden moeten worden vastgesteld, treft geen doel.

Onvoldoende liberalisering?
23. Eiseres betoogt dat de Commissie, in weerwil van haar verplichting daartoe, onvoldoende is overgegaan tot liberalisering van de vrijwaringsmaatregelen voor productcategorie 14. Zij stelt dat liberalisering nauwelijks heeft plaatsgevonden en wijst erop dat de quotaniveaus met 3% per jaar zijn geliberaliseerd van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2022, vanaf 1 juli 2022 met 4% per jaar, vanaf 1 juli 2024 met 1% en ten slotte vanaf 1 april 2025 met 0,1%.
Volgens de rechtbank volgt uit het betoog van eiseres dat de Commissie de niveaus van het contingent wel degelijk heeft geliberaliseerd. Zoals verweerder terecht opmerkt, voldoet zelfs een minimale liberalisering aan de vereisten van Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015. Voor de periode in geding heeft het liberaliseringspercentage tussen de 1 en 4% gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de regels inzake vrijwaringsmaatregelen niet geschonden door de mate van liberalisering.


Geschiktheid van het door de Commissie gekozen systeem
24. Eiseres betoogt dat ook andere systemen van verdeling of contingenten gekozen hadden kunnen worden waardoor de voorspelbaarheid groter zou zijn geweest. Als voorbeeld noemt zij een vergunningstelsel. De rechtbank wijst allereerst op de terughoudende toets die zij in deze heeft te betrachten (zie overweging 12). In overwegingen 151 en verder van Verordening 2019/159 heeft de Commissie gemotiveerd waarom zij met het oog op voorspelbaarheid niet heeft gekozen voor een vergunningstelsel. De Commissie heeft daar overwogen dat een vergunningstelsel niet noodzakelijk is omdat gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de invoer onder tariefcontingenten en het gebruik van rechtenvrije contingenten publiekelijk beschikbaar zijn en dagelijks worden geactualiseerd. Verder draagt de landenspecifieke toewijzing bij aan de voorspelbaarheid voor traditionele leveranciers en gebruikers en is het voor landen waarvan het landenspecifieke contingent is uitgeput mogelijk om in het laatste kwartaal van een periode gebruik te maken van het residuele contingent.


Geen dagelijkse actualisering van uitputtingsgegevens

25. Over het betoog van eiseres dat in weerwil van deze overwegingen de gegevens niet iedere dag worden geactualiseerd, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de screenshots die eiseres heeft overgelegd, kan de rechtbank deze gevolgtrekking niet maken omdat er (weekend)dagen ontbreken in de reeksen van screenshots. Veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat op weekenddagen geen actuele standen van contingenten worden gepubliceerd, heeft dat geen invloed op de toewijzing van de contingenten naar de dag van de aanvaarding van de aangiften, ongeacht of de dag van aanvaarding een werkdag, een weekenddag of een feestdag is. De Commissie wijst immers alleen op werkdagen hoeveelheden toe (artikel 51, eerste lid, van de Uvo.DWU). Daarbij komt dat de aangiften van eiseres die in geding zijn, hoofdzakelijk op de eerste dag (maar in ieder geval niet later dan op de derde dag) van de openstelling van de contingenten zijn ingediend. Gelet op de wettelijk vastgelegde doorlooptijd van minimaal twee werkdagen voor de toewijzing uit een contingent, betekent dit dat eiseres bij de utb’s in geding niet kan zijn geraakt door eventuele vertragingen in de publicatie van de gegevens door de Commissie. De rechtbank ziet in de wijze waarop de Commissie informatie inzake het gebruik van contingenten beschikbaar heeft gesteld geen schending van artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Niet is gebleken dat eiseres geen toegang heeft gehad tot documenten, dat de Commissie geen transparantie heeft betracht over haar werkzaamheden of dat stukken betreffende de wetgevingsprocedures ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. Dat eiseres informatie over het gebruik van contingenten eerder beschikbaar had willen hebben, betekent niet dat artikel 15 van het VWEU is geschonden.


Veelheid aan betrokken productcategorieën

26. Eiseres betoogt dat de veelheid aan betrokken productcategorieën, 26 in totaal en met meer dan 310 GN-onderverdelingen, het systeem zo complex maakt dat niet kon worden volstaan met traditioneel beheer van de contingenten. De rechtbank overweegt met verweerder dat de omstandigheid dat 26 productcategorieën betrokken zijn in Verordening 2015/159 de algemene wijze van beheer van contingenten niet ongeschikt maakt. Voor elke goederencode van een bepaald staalproduct zijn, in combinatie met een land van oorsprong, uniek genummerde tariefcontingenten opgesteld. Dit zijn standaardgegevens in een aangifte en standaardelementen bij het beheer van en toewijzing uit contingenten. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de Commissie niet voor het traditionele beheer van de contingenten had kunnen kiezen.


De ijverige aangever
27. Eiseres betoogt dat zij steeds ijverig (vroeg) op de eerste dag van openstelling van een contingent aangiften heeft gedaan met een verzoek om toepassing van het toepasselijke tariefcontingent en dat deze aangiften ook op deze aangiftedag zijn aanvaard. Zij verzet zich ertegen dat haar aanvragen op deze eerste dag niet steeds volledig zijn toegewezen.

28. Wanneer op de eerste dag van de openstelling van een contingent de som van de aanvragen groter is dan het beschikbare contingent, wijst de Commissie op grond van artikel 51, vierde lid, van de UVo.DWU voor deze eerste dag hoeveelheden toe in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden. Dit is inherent aan het wettelijk systeem van contingenten. In algemene zin bestaat ten tijde van het aanvaarden van een aangifte voor het vrije verkeer geen garantie dat alle aangegeven goederen binnen het (resterende saldo van het) contingent vallen. Op de dagen dat eiseres haar aangiften indiende en deze werden aanvaard, werd, in de kwartalen die eiseres bestrijdt, in totaal een grotere aanspraak gemaakt op de geldende contingenten dan dat er van die contingenten nog beschikbaar was, zodat de contingenten telkens slechts op een deel van de aangegeven staalproducten werden toegepast en eiseres voor de overige delen de aanvullende rechten van 25% verschuldigd was. Dit is in overeenstemming met het beheersysteem. Het gegeven dat het Indiase deel van de contingenten voor productcategorieën 14 en 15 in de onderhavige periode vaak (categorie 14) of soms (categorie 15) al op de eerste dag van de opening van een contingent (per kwartaal) was uitgeput, betekent niet dat de evenredige toepassing van het contingent op de aanvraag op de uitputtingsdag onjuist is.


Uitvoering van het beheer van de contingenten

29. Voor zover eiseres nader betoogt dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld in de uitvoering van het beheer van de contingenten van Verordening 2019/159, overweegt de rechtbank als volgt.

30. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat ten behoeve van de toepassing van contingenten de lidstaten elke werkdag om 13:00 uur een bestand naar de Commissie sturen, met daarin alle aanvragen voor contingenten die zijn opgespaard sinds de laatste verzending van aanvragen. De procedure die de Nederlandse douane hierbij volgt staat beschreven in het Handboek Douane, onder 6.15.2. De Commissie verzamelt de aanvragen uit alle lidstaten en wijst rond 14:30 uur die aanvragen toe waarvan de aanvaardingsdatum op dat moment twee dagen of langer geleden is. Het daarna resterende saldo wordt elke werkdag rond 19:00 uur bijgewerkt op de website van de Commissie.

31. Op deze website wordt ook de “total awaiting allocation (indicative)” bijgehouden, die op de website als volgt wordt toegelicht:
“The figure displayed as the "total awaiting allocation" is the aggregate total of the drawing requests received by the Commission for this tariff quota but not yet allocated. It should be noted that drawing requests under the "First-come First-served" management regime are not treated before the second working day following the date of acceptance of the customs declarations in question. Therefore, more requests than the amount indicated here may be forwarded to the Commission before the allocation is made. Consequently, if the total amount awaiting allocation exceeds or even approaches the amount indicated under "Balance" this should be taken as an indication that the quota will soon be exhausted.”

32. De verzameling van de binnengekomen aanvragen - door de nationale douaneautoriteiten en vervolgens de Commissie - en de volgtijdige toewijzing van beschikbare hoeveelheden uit de tariefcontingenten zoals in deze werkwijze beschreven, passen binnen het systeem zoals dat op grond van artikel 3 van Verordening 2019/159 en de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU is voorgeschreven. Het gegeven dat de publicatie van de nog beschikbare hoeveelheden uit de contingenten minimaal twee werkdagen achterloopt op de aanvaarding van aangiften, wordt - zij het in beperkte mate - opgevangen door de gepubliceerde “total awaiting allocation”. Dat hieruit voortvloeit dat eiseres nooit op het moment dat zij haar aangiften indient zekerheid heeft of, en zo ja voor welk deel, haar aangiften binnen een contingent vallen, is geen gevolg van een door haar gesteld wanbeheer door de Commissie, maar van het wettelijk systeem van beheer van contingenten. Zoals hiervoor onder 28 overwogen, bestaat ten tijde van het aanvaarden van een aangifte voor het vrije verkeer geen garantie dat alle aangegeven goederen binnen het (resterende saldo van het) contingent vallen.
Eiseres ziet een bevestiging van haar verwijt van wanbeheer in een e-mailbericht van 26 november 2025 van TAXUD aan haar direct vertegenwoordiger. De rechtbank leest in deze e-mail alleen een - correcte - verstrekking van algemene informatie over contingenten in het eerste kwartaal van 2026 en niet enige vorm van door eiseres gestelde onrechtmatigheid of wanbeheer.
Het betoog van eiseres dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld in de uitvoering van het beheer van de contingenten, slaagt dan ook niet.


Informatie over uitputting: te laat?

33. De stelling van eiseres dat zij op het moment van het indienen van de aangiften waarin zij een beroep doet op een contingent niet kan weten of er nog genoeg contingent beschikbaar zal zijn voor alle goederen waarvoor zij wil aangeven, is correct. Uit artikel 51, tweede lid, van de UVo.DWU volgt dat de Commissie hoeveelheden in het kader van tariefcontingenten toewijst op zijn vroegst twee werkdagen na de dag van de aanvaarding van de douaneaangifte waarin een verzoek tot toepassing van een contingent is opgenomen. Ten tijde van het doen van een aangifte voor het vrije verkeer bestaat daarom inherent geen zekerheid dat het tariefcontingent voor de verzochte hoeveelheid zal worden toegewezen. Het kan na de twee werkdagen doorlooptijd blijken dat op een eerdere dag dan de aanvaarding van een aangifte een andere aangifte met aanvraag voor toepassing van het contingent is aanvaard, waardoor een minder grote (of zelfs: geen) hoeveelheid uit het contingent beschikbaar is voor de latere aanvraag.

34. Eiseres staat een real time informatievoorziening over de uitputting voor. De Commissie had de benutting van de contingenten aan een centrale database moeten koppelen. Dergelijke systemen zijn mogelijk, aldus eiseres. Zij stelt dat het onrechtmatig is dat de Commissie niet een dergelijk systeem hanteert.

35. In het systeem van contingenten van de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU is echter niet een voorziening opgenomen om marktdeelnemers real time te informeren over de uitputting van tariefcontingenten. Integendeel, de informatie die wordt gepubliceerd, zal altijd enigszins achterlopen op de feitelijke situatie omdat de aanvaarding van de aangifte, het doorsturen van de aangifte aan de Commissie en de daadwerkelijke toewijzing uit de contingenten door de Commissie doorlooptijd vergen. Dat de Commissie gegevens niet real time publiceert, is dus niet een onrechtmatig handelen van de Commissie, maar het gevolg van het wettelijke systeem waarbinnen de uitputtingsgegevens altijd pas met een vertraging beschikbaar zijn.

36. Eiseres wijst erop dat het in de door haar bestreden kwartalen is voorgekomen dat pas op de tiende dag van de maand bekend werd welk deel van een aangifte (van de eerste dag van die maand) onder een contingent valt. Zij acht dit onrechtmatig.Eiseres miskent dat dit past binnen het wettelijk systeem van het beheer van de contingenten, bijvoorbeeld bij de toepassing van artikel 49, derde lid, van de UVo.DWU of van een blocking period in de zin van artikel 51, eerste lid, van de UVo.DWU (dit is bijvoorbeeld voorgekomen in het derde kwartaal van 2022). Daarbij komt dat de hiervoor genoemde periode van twee werkdagen voor de toewijzing uit een contingent een minimumperiode is. Naar het oordeel van de rechtbank is in de bestreden kwartalen geen sprake geweest van een zodanig onredelijk lange duur voordat informatie beschikbaar was, dat dit - binnen de terughoudende toets die de rechtbank dient te verrichten - leidt tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldig handelen.

37. Het beroep van eiseres op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CAS Succhi di frutta, in welk arrest zij steun vindt voor haar standpunt dat de Commissie gehouden is om transparant en voorspelbaar te zijn, maakt het bovenstaande niet anders. Dit arrest gaat over een andersoortige procedure namelijk aanbesteding. In het arrest is in geschil of de inschrijvingsvoorwaarden voor de aanbesteding duidelijk genoeg waren en op transparante en voorspelbare wijze zijn aangevuld. Dit is een andere context dan de vraag naar transparantie en voorspelbaarheid van een in op grond van verordeningen geldend systeem van het beheer van de contingenten, welke verordeningen met inachtneming van de daarvoor geldende procedurele voorschriften tot stand zijn gebracht, zoals bij Verordening 2019/159 en de UVo.DWU het geval is.


Principe van “first come, first serve”
38. Eiseres betoogt dat de Commissie, in strijd met de Verordening 2019/159 dan wel in strijd met het beginsel van gewettigd vertrouwen, niet het “first come, first serve” principe heeft toegepast naar de tijdstippen van indiening van de aangiften voor het vrije verkeer. De Commissie heeft, zo betoogt eiseres, ten onrechte de beschikbare hoeveelheden uit de contingenten verdeeld over alle aangiften die zijn gedaan op de dag van de uitputting van een contingent.

39. In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 van de Commissie van 17 juli 2018 (Verordening 2018/2013), die aan Verordening 2019/159 is voorafgegaan, zijn voorlopige vrijwaringsmaatregelen vastgesteld. In de overwegingen 112 tot en met 114 van Verordening 2018/1013 (“beheer van de contingenten”) is uiteengezet dat de tariefcontingenten zullen worden toegewezen in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer, zoals bedoeld in de UVo.DWU. In artikel 3 van die verordening is vervolgens bepaald dat de tariefcontingenten door de Commissie en de lidstaten worden beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU.

40. Ook in Verordening 2019/159 is in de overwegingen 181 tot en met 183 (“Toewijzing van de tariefcontingenten”) opgenomen dat de tariefcontingenten zullen worden toegewezen in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer zoals bedoeld in de UVo.DWU. In artikel 3 van Verordening 2019/159 is vervolgens ook bepaald dat de tariefcontingenten door de Commissie en de lidstaten worden beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU. In artikel 49, eerste lid, van de UVo.DWU, is opgenomen dat tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer. De werking van dit systeem wordt herhaald in artikel 51, derde lid, van de UVo.DWU. Overeenkomstig artikel 51, vierde lid, van de UVo.DWU wordt het resterende deel van een contingent op de dag van de uitputting ervan, evenredig verdeeld over de aangiften die op die dag zijn aanvaard.

41. De hiervoor opgenomen bepalingen kunnen redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de toewijzing van contingenten van Verordening 2019/159 plaatsvindt op chronologische volgorde van de dag dat de aangiften zijn aanvaard en niet, zoals eiseres betoogt, op chronologische volgorde van het tijdstip dat de aangiften zijn ingediend.
Dit blijkt ook uit de Engelstalige en Franstalige versie van overweging 181 van Verordening 2019/159 (onderstreping door rechtbank).

“the best way of ensuring optimal use of the tariff quotas is to allocate it between the countries having a substantial interest in supplying the product concerned and, for the others, in the chronological order of the
dates
on which declarations of release for free circulation are accepted, as provided for in Commission Implementing Regulation (EU) 2015/2447.”

“la meilleure façon de garantir une utilisation optimale des contingents tarifaires est de les répartir entre les pays ayant un intérêt substantiel dans la fourniture du produit concerné et, pour les autres, selon l'ordre chronologique des
dates
d'acceptation des déclarations de mise en libre pratique, comme le prévoit le règlement d'exécution (UE) 2015/2447 de la Commission.”



Toepasselijkheid van artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159
42. Eiseres verwijst voor haar interpretatie dat de contingenten op chronologische volgorde van het tijdstip van indienen van de aangiften zouden worden verdeeld, naar artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159. Daarin is voor een aantal contingenten bepaald dat “de aanvragen in chronologische volgorde van binnenkomst worden behandeld”. Uit het ontbreken van de toevoeging dat het om de volgorde van data gaat, leidt eiseres af dat het gaat om de chronologische volgorde naar tijdstip, zodat haar vroegtijdige aangiften volledig onder de contingenten zouden vallen.

43. Artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159 is niet van toepassing op staal uit India. Het derde lid ziet op “de toewijzing van het resterende deel van elk tariefcontingent en het tariefcontingent voor productcategorie 1”. Het geschil betreft niet productcategorie 1 maar productcategorieën 14 en 15. En het “resterende deel” is het deel dat niet valt onder artikel 1, tweede lid, van de verordening. Het in geding zijnde staal uit India valt echter wel onder artikel 1, tweede lid: dit betreft het deel van een tariefcontingent dat wordt toegewezen aan gespecificeerde landen. In bijlage IV van de verordening staat India genoemd bij staal van categorie 14 en 15. Nog ervan afgezien dat “chronologische volgorde van binnenkomst” niet betekent dat het moet gaan om chronologische volgorde van tijdstip van binnenkomst, kan het beroep van eiseres op artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159 al niet slagen vanwege het toepassingsbereik van dit derde lid.


Vertrouwensbeginsel
44. Eiseres stelt dat bij haar een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat haar vroegtijdige aangiften volledig onder de contingenten zouden vallen. Uit het ontbreken van de toevoeging dat het om de volgorde van data gaat, leidt eiseres af dat het gaat om de chronologische volgorde naar tijdstip, zodat het (vroegtijdige) tijdstip van de aangifte leidend moet zijn.
45. Naar het oordeel van de rechtbank is met de door eiseres genoemde omstandigheid niet bij haar een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat al haar vroegtijdig ingediende aangiften volledig binnen de aangevraagde contingenten zouden vallen. De landenspecifieke contingenten voor staal uit India voor de productcategorieën 14 en 15 vallen onder artikel 1, tweede lid van Verordening 2019/159 (zie overweging 43). Het gegeven dat in artikel 1, tweede lid van Verordening 2019/159 een expliciete toevoeging ontbreekt dat de toewijzing chronologisch plaatsvindt, betekent niet dat eiseres daaruit kan afleiden dat chronologische naar tijdstip van indiening of aanvaarding zal plaatsvinden, reeds omdat in artikel 3 van Verordening 2019/159 het beheersysteem van de artikel 49 tot en met 54 van de UVo.DWU van toepassing wordt verklaard. In artikel 49, eerste lid, wordt nu juist bepaald dat tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding. Deze bepaling van Unierecht is duidelijk. Voor inwilliging van een beroep op het vertrouwensbeginsel contra legem is geen plaats.


Geen aanleiding voor prejudiciële vragen
46. Eiseres heeft de rechtbank verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over het door haar gestelde discriminerende karakter van de vrijwaringsmaatregel, het gekozen systeem van contingenten, gebrek aan transparantie en onvoorspelbaarheid bij de toedeling, snelle uitputting van de contingenten en gewekt vertrouwen. Gezien bovenstaande overwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.


Ten onrechte geheven rechten?

47. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat in het vierde kwartaal van 2022 en in het eerste en vierde kwartaal van 2023 van haar invoerrechten zijn geheven over goederen waarvan de aangiften zijn aanvaard in de dagen voorafgaand aan de dag van uitputting van het contingent. Op die aangiften zou ten onrechte niet of slechts gedeeltelijk het nog openstaande contingent zijn toegepast. Eiseres heeft daarbij niet gedifferentieerd naar productcategorie 14 of 15.



47.1
Onderscheiden naar de twee productcategorieën betreft dit argument voor eiseres de volgende kwartalen (zie overweging 4):
- productcategorie 14 in het vierde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023;
- productcategorie 15 in het vierde kwartaal van 2022.


Productcategorie 14
47.2 Uit de gegevens in de Tariff quota consultation database volgt dat het contingent voor productcategorie 14 in het vierde kwartaal van 2022 op maandag 3 oktober 2022 uitgeput was. Van eiseres zijn geen aangiften van 1 of 2 oktober in geding voor productcategorie 14 waarin aanspraak werd gemaakt op een contingent.
Uit de gegevens in de Tariff quota consultation database volgt dat het contingent voor productcategorie 14 in het eerste kwartaal van 2023 op woensdag 4 januari 2023 was uitgeput. Op grond van artikel 49, derde lid, van de UVo DWU worden aangiften voor het vrije verkeer die door de douaneautoriteiten op 1, 2 of 3 januari zijn aanvaard, en één van deze dagen op een zaterdag of op een zondag valt, geacht op 4 januari van dat jaar te zijn aanvaard. Vanwege deze wettelijke fictie kunnen in het eerste kwartaal van 2023 voor de toewijzing uit het contingent geen aangiften zijn aanvaard in de dagen voorafgaand aan de dag van uitputting van het contingent op woensdag 4 januari 2023. De stelling dat aangiften zijn aanvaard in dagen voorafgaand aan de dag van uitputting kan dus niet slagen.

Productcategorie 15



47.3
Uit de gegevens in de Tariff quota consultation database volgt dat het contingent voor productcategorie 15 in het vierde kwartaal van 2022 op zaterdag 1 oktober was uitgeput. Uit de aard van die datum - de eerste dag van het kwartaal - volgt dat in dat kwartaal geen aangiften kunnen zijn gedaan eerder dan de uitputtingsdag.



47.4
De rechtbank stelt vast dat de door eiseres gestelde situatie zich niet heeft voorgedaan. Van eiseres zijn geen aangiften in het geding waarin aanspraak werd gemaakt op een contingent en deze aanspraak (gedeeltelijk) niet is gehonoreerd, terwijl het contingent nog openstond.


Slotsom
48. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de uitspraken op bezwaar in stand blijven.


Vergoeding van immateriële schade

49. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Haar verzoek omvat niet vergoeding van schade vanwege de duur van de beroepsfase.



49.1
De duur van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaarfase inbegrepen) is in beginsel 2 jaar. Eiseres heeft verschillende bezwaarschriften ingediend op verschillende data. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de samenhang in de zaken, redelijk is dat de termijn aanvangt met de ontvangst van het oudste bezwaarschrift van eiseres. Verweerder heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 30 augustus 2022. De termijn is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 20 mei 2026. De redelijke termijn van 2 jaar is daarom overschreden met afgerond 21 (45 minus 24 maanden) maanden. Gezien het verzoek van eiseres dient de rechtbank alleen voor de bezwaarfase te beoordelen of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. In beginsel is de maximale behandelduur in bezwaar 6 maanden. Partijen zijn het erover eens dat bijzonderheden in de procedure in bezwaar een verlenging van deze maximale behandelduur rechtvaardigen. Over het aantal maanden van de verlenging verschillen zij echter van inzicht. Verweerder vindt een verlenging van 12 maanden redelijk. Eiseres vindt een verlenging van 6 maanden redelijk. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaken (vele samenlopende procedures en omvangrijke stukken) en het procedureel verloop van de bezwaarfase, waarbij in totaal drie hoorgesprekken zijn geweest en eiseres pas op een laat tijdstip in de procedure (op 3 maart 2023) de door verweerder gewenste duidelijkheid heeft verschaft door de gronden van haar bezwaren aan te vullen, is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de maximale behandelduur met 9 maanden tot in totaal 15 maanden gerechtvaardigd is.
Bij uitspraken op bezwaar van verschillende data is op de bezwaren beslist. Gezien de samenhang in de zaken is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat de termijn eindigt met de laatste uitspraak op bezwaar. Op 7 mei 2024 is de laatste uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaken gedaan. Tussen de ontvangst van het oudste bezwaarschrift van eiseres (30 augustus 2022) en de laatste uitspraak op bezwaar zit een tijdspanne van (afgerond) 21 maanden. De redelijke termijn voor de bezwaarfase is met 6 (21 minus 15) maanden overschreden.



49.2
De rechtbank merkt de zaken van eiseres aan als samenhangend omdat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor de zaken gezamenlijk éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Gezien hiervoor berekende overschrijding van de termijn met 6 maanden, correspondeert daarmee een vergoeding van immateriële schade van € 500. Deze vergoeding komt voor rekening van verweerder omdat de vergoeding alleen overschrijding van de termijn in de bezwaarfase betreft.


Proceskosten en griffierecht

50. In de omstandigheid dat eiseres een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar wordt toegekend, vindt de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Eiseres heeft in bezwaar niet verzocht om vergoeding van proceskosten en bovendien blijven de uitspraken op bezwaar volledig in stand, zodat kostenvergoeding in bezwaar niet aan de orde is. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vanwege de samenhang van de zaken wordt eenmaal een vergoeding toegekend. De door verweerder aan eiseres te vergoeden proceskosten bedragen aldus € 233,50 (0,25 x € 934).

51. Nu eiseres na 31 mei 2024 heeft verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het betaalde griffierecht niet worden vergoed.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toe te rekenen immateriële schade van € 500; en
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van proceskosten ter hoogte van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.





griffier voorzitter

















Uitspraak verzonden op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage “Juridisch kader”




VERORDENING (EU) 2015/478 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (codificatie)




HOOFDSTUK V

VRIJWARINGSMAATREGELEN


Artikel 15

1. (…)
2. (…)
3. Bij de vaststelling van een contingent wordt met name rekening gehouden met:







a)


de wenselijkheid de traditionele handelsstromen zoveel mogelijk te handhaven;















b)








de hoeveelheden waarvoor op normale voorwaarden contracten zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van een vrijwaringsmaatregel in de zin van dit hoofdstuk, indien deze contracten door de betrokken lidstaat ter kennis van de Commissie werden gebracht;













c)


het feit dat de realisatie van het doel waarvoor het contingent werd vastgesteld niet in gevaar mag worden gebracht.





Het contingent mag niet lager zijn dan het gemiddelde niveau van de invoer in de laatste drie representatieve jaren waarvoor statistieken beschikbaar zijn, tenzij een ander niveau noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen.
4. De verdeling van een contingent onder leverancierslanden kan plaatsvinden in overleg met de leverancierslanden die een aanmerkelijk belang hebben in de invoer in de Unie van het betrokken product.
Indien de verdeling van het contingent niet op deze wijze gebeurt, wordt het over de leverancierslanden verdeeld naar rato van hun invoer van het betrokken product in de Unie gedurende een voorgaande representatieve periode, waarbij rekening wordt gehouden met bijzondere factoren die de handel in dit product hebben kunnen of kunnen beïnvloeden.
(…)


Artikel 19

1. De duur van de vrijwaringsmaatregelen wordt beperkt tot de tijd die nodig is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om de producenten in de Unie de gelegenheid te geven zich aan te passen. Deze duur kan in principe niet meer dan vier jaar bedragen, met inbegrip van de duur van de eventuele voorlopige maatregelen.
2. De oorspronkelijke duur kan worden verlengd, doch niet voor de in artikel 15, lid 4, derde alinea, bedoelde maatregelen, indien wordt vastgesteld dat:







a)


deze verlenging noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen;













b)


er bewijsmateriaal is dat de producenten in de Unie nog met aanpassingen bezig zijn.





3. De besluiten tot verlenging worden genomen op de in hoofdstuk III omschreven voorwaarden en volgens dezelfde procedures als de oorspronkelijke maatregelen. De maatregelen mogen na verlenging niet restrictiever zijn dan zij aan het einde van de oorspronkelijke periode waren.
4. Indien de duur van de vrijwaringsmaatregelen meer dan een jaar bedraagt, moet de maatregel tijdens de toepassingsperiode, met inbegrip van de verlengde periode, met regelmatige intervallen geleidelijk worden geliberaliseerd.
5. De totale toepassingsduur van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de periode van toepassing van een voorlopige maatregel, de oorspronkelijke duur van de maatregel en iedere verlenging daarvan, mag niet meer dan acht jaar bedragen.



UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2447 VAN DE COMMISSIE van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie


(…)



TITEL II
FACTOREN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN INVOER- OF UITVOERRECHTEN EN ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN



HOOFDSTUK 1
Gemeenschappelijk douanetarief en tariefindeling van goederen



Afdeling 1
Beheer van tariefcontingenten


Artikel 49


Algemene regels betreffende het uniforme beheer van tariefcontingenten


(Artikel 56, lid 4, van het wetboek)

1. Tariefcontingenten die zijn geopend in overeenstemming met de Uniewetgeving met betrekking tot de methode van administratie in dit artikel en in de artikelen 50 tot en met 54 van deze verordening worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen.
2. Elk tariefcontingent wordt in de Uniewetgeving vastgesteld door een volgnummer dat het beheer ervan vergemakkelijkt.
3. Voor de toepassing van deze afdeling worden aangiften voor het vrije verkeer die door de douaneautoriteiten op 1, 2 of 3 januari zijn aanvaard, geacht op 3 januari van hetzelfde jaar te zijn geaccepteerd. Wanneer een van deze dagen echter op een zaterdag of op een zondag valt, worden de aangiften geacht op 4 januari van dat jaar te zijn aanvaard.
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder werkdagen verstaan de dagen die geen feestdagen bij de instellingen van de Unie in Brussel zijn.


Artikel 50


Verantwoordelijkheden van de douaneautoriteiten van de lidstaten voor het uniforme beheer van tariefcontingenten


(Artikel 56, lid 4, van het wetboek)

1. De douaneautoriteiten onderzoeken of een door de aangever in een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen gedaan verzoek om toepassing van een tariefcontingent geldig is overeenkomstig de Uniewetgeving betreffende het openen van tariefcontingenten.
2. Wanneer een douaneaangifte voor het vrije verkeer met een geldige aanvraag voor toepassing van een tariefcontingent wordt aanvaard en alle bewijsstukken voor het toepassen van het tariefcontingent door de douaneautoriteiten zijn verstrekt, sturen de douaneautoriteiten dat verzoek onmiddellijk naar de Commissie door onder vermelding van de datum van aanvaarding van de douaneaangifte en de exacte hoeveelheid waarvoor dit verzoek wordt gedaan.


Artikel 51


Toewijzing van hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten


(Artikel 56, lid 4, van het wetboek)

1. De Commissie wijst elke werkdag hoeveelheden toe, maar de Commissie kan op een bepaalde werkdag besluiten geen hoeveelheden toe te wijzen op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hierover van tevoren zijn geïnformeerd.
2. De hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten kunnen niet eerder worden toegewezen dan op de tweede werkdag na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte waarin de aanvrager om toepassing van het tariefcontingent heeft gevraagd.
De Commissie houdt bij elke toewijzing rekening met alle niet beantwoorde aanvragen om tariefcontingenten toe te passen op basis van douaneaangiften die zijn aanvaard tot en met de tweede werkdag voorafgaand aan de dag van toewijzing en die door de douaneautoriteiten zijn doorgestuurd naar het systeem zoals bedoeld in artikel 54 van deze verordening.
3. De Commissie wijst, in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de betreffende douaneaangiften en voor zover het resterende saldo van het tariefcontingent dit toestaat, voor elk tariefcontingent hoeveelheden toe op basis van de door haar ontvangen aanvragen om dat tariefcontingent toe te passen.
4. Wanneer op de dag van de toewijzing de som van de hoeveelheden van alle aanvragen voor het toepassen van een tariefcontingent voor aangiften die op dezelfde datum zijn aanvaard groter is dan het resterende saldo van het tariefcontingent, wijst de Commissie de hoeveelheden voor deze aanvragen toe in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden.
5. Wanneer een nieuw tariefcontingent wordt geopend, wijst de Commissie daaruit geen hoeveelheden toe vóór de elfde werkdag volgende op de datum van publicatie van het besluit van de Unie waarbij dat tariefcontingent werd geopend.


Artikel 54


Elektronisch systeem voor het beheer van tariefcontingenten


(Artikel 16, lid 1, en artikel 56, lid 4, van het wetboek)

1. Voor het beheer van tariefcontingenten wordt een elektronisch systeem gebruikt dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het wetboek voor deze doeleinden is opgezet ten behoeve van:








a)


de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten en de Commissie in het kader van aanvragen om tariefcontingenten toe te passen en terug te storten en in het kader van de status van tariefcontingenten en de opslag van deze informatie;













b)


het beheer door de Commissie van de aanvragen om tariefcontingenten toe te passen en terug te storten;













c)


de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten en de Commissie betreffende de toewijzing van de hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten en de opslag van deze informatie;













d)


de registratie van eventuele verdere gebeurtenissen of handelingen die van invloed kunnen zijn op de oorspronkelijke opnemingen of terugstortingen van tariefcontingenten of de toewijzing ervan.





2. De Commissie stelt de informatie over de toewijzingsresultaten via dat systeem beschikbaar.




UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/159 VAN DE COMMISSIE van 31 januari 2019
tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten

(…)

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:


Artikel 1

1. Onverminderd de artikelen 6 en 7 wordt hierbij een tariefcontingent geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van elk van de 26 betrokken productcategorieën (in bijlage I omschreven door verwijzing naar de desbetreffende GN-codes) en elk van de tijdvakken gespecificeerd in de bijlagen IV.1 en IV.2.
2. Voor elk van de betrokken productcategorieën, met uitzondering van productcategorie 1, wordt een deel van elk tariefcontingent toegewezen aan de in bijlage IV gespecificeerde landen.
3. Voor de toewijzing van het resterende deel van elk tariefcontingent en het tariefcontingent voor productcategorie 1 wordt uitgegaan van het beginsel dat de aanvragen in chronologische volgorde van binnenkomst worden behandeld, op basis van een gelijk tariefcontingent voor elk kwartaal van de instellingsperiode.
4. Het opnemen van elk op kwartaalbasis ingesteld continent wordt beëindigd op de twintigste werkdag van de Commissie die volgt op het einde van het kwartaal. Aan het einde van elk kwartaal worden de ongebruikte delen van het tariefcontingent automatisch overgedragen naar het volgende kwartaal. Aan het einde van het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent worden geen ongebruikte delen overgedragen.
5. Indien het relevante contingent op grond van lid 2 voor een specifiek land is uitgeput, kan de invoer uit dat land verdergaan op basis van het resterende deel van het tariefcontingent voor dezelfde productcategorie. Deze bepaling zal enkel gelden gedurende het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent.
6. Indien het relevante tariefcontingent is opgebruikt of indien de invoer van de productcategorieën niet in aanmerking komt voor het relevante tariefcontingent wordt een bijkomend recht van 25 % toegepast op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, op de productcategorieën van bijlage IV.1.


Artikel 2

1. De oorsprong van de producten waarop deze verordening van toepassing is, wordt vastgesteld overeenkomstig de in de Unie geldende voorschriften met betrekking tot niet-preferentiële oorsprong.
2. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. De moratoire interest die moet worden betaald in geval van terugbetaling waaruit een recht op betaling van moratoire interest voortvloeit, is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met één procentpunt.





Artikel 3

De in artikel 1 vastgestelde tariefcontingenten worden door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.


Artikel 4

De lidstaten en de Commissie werken nauw samen om toe te zien op de naleving van deze verordening.


Artikel 5

1. Onverminderd het bepaalde in lid 2 is de invoer van de 26 in bijlage IV genoemde productcategorieën van oorsprong uit een van de landen, zoals gespecificeerd in bijlage III, niet aan de in artikel 1 bedoelde maatregelen onderworpen.
2. Voor elk van de 26 productcategorieën die zijn gespecificeerd in bijlage IV, zijn in bijlage III.2 de landen van oorsprong opgenomen waarop de in artikel 1 bedoelde maatregelen van toepassing zijn.
(…)


Artikel 8

Tijdens de in de bijlagen IV.1 en IV.2 vastgestelde periode kan de Commissie de maatregelen evalueren in geval van verandering in de omstandigheden.
(…)



Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2037 van de Commissie van 10 december 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten


(…)


Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 wordt als volgt gewijzigd:


bijlage IV wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening;


bijlage III.2 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.



Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op vrijdag 1 januari 2021.



UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1029 VAN DE COMMISSIE van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen


(…)

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:


Artikel 1

Verordening (EU) 2019/159 wordt als volgt gewijzigd:







1)


Aan artikel 10 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:
“Zij is van toepassing tot en met 30 juni 2024.”;













2)


Bijlage IV wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.






(…)



Het verzoek om terugbetaling in zaak HAA 25/1694 (betreft het eerste kwartaal van 2022) heeft geen corresponderend beroep tegen de utb.


Zie overwegingen 136, 144, 147, 162, 171, 173, 177, 180, 181 en 183 van Verordening 2019/159.


Vergelijk overweging 20 van de UVo.DWU.


Zie overweging 20 van de UVo.DWU en vergelijk het arrest van het Gerecht van 28 januari 2026, T-177/25, C. sp. z o.o. sp.k., ECLI:EU:T:2026:53, punt 40.


Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 7 mei 1987, Nachi Fujikoshi/Raad, 255/84, ECLI:EU:C:1987:203, punt 21, het arrest van het Hof van Justitie van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C61/16 P, ECLI:EU:C:2017:968, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, het arrest van het Hof van Justitie van 18 oktober 2018, Gul Ahmed Textile Mills Ltd, C-100/17 P, ECLI:EU:C:2018:842, punt 63 en het arrest van het Gerecht van 18 mei 2022, Uzina Metalurgica Moldoveneasca OAO, T-245/19, ECLI:EU:T:2022:295, punten 74 en 75.


Zaak T379/23, Çolakoğlu Metalurji AŞ, ECLI:EU:T:2026:170.


Zie het arrest van het Gerecht van 10 april 2024, T445/22, Columbus Stainless (Pty) Ltd, ECLI:EU:T:2024:228, punt 103.


Waarbij een bijzonderheid is dat verweerder stelt dat in zaaknummer HAA 24/4655 stelt dat bij de aangifte met het nummer eindigend op CWD51 niet is verzocht om toepassing van een tariefcontingent en eiseres dit niet bestrijdt.


Zie overwegingen 33 en verder, en 136 en 146 van Verordening 2019/159.


Zij heeft de uitvoerprestaties van de belangrijkste landen die staal leveren aan de Unie, waaronder China, in haar beoordeling betrokken (overwegingen 31 en 32), alsmede de ontwikkeling van het binnenlandse verbruik in de belangrijkste staalexporterende landen met bijzondere aandacht voor China(overweging 35 en 36) en herstel van de staalproductie na lockdowns na de COVID-19-pandemie (overweging 107 en 108).


De wijziging in 2024 is van na de periode in geding. Bij die wijziging zijn wel feiten betrokken uit de periode in geding, zodat de rechtbank hier kort op ingaat.


Zie overweging 83.


Zie overweging 35.


Overweging 27 en 30.


Overweging 152 van Verordening 2019/159.


taxation-customs.ec.europa.eu/customs/common-customs-tariff-cct/tariff-quotas_en


Vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:791.


Arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004, C-496/99 P, ECLI:EU:C:2004:236.


Eiseres gebruikt de uitdrukkingen “first come first serve” (FCFS), “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” (EKEM) en “first in, first out” (FIFO) als synoniemen.


Vergelijk het arrest van het gerecht van 1 maart 2023, T324/21, ECLI:EU:T:2023:101 Harley-Davidson Europe Ltd, punt 145 en vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1359, overweging 5.11: verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 januari 2025, Baltic Container Terminal, C376/23, ECLI:EU:C:2025:20, punt 64 en 65.


Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, overweging 5.2.


Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, overweging 7.1.1 en 7.1.2.
Link naar deze uitspraak