Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1496 
 
Datum uitspraak:17-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/4936
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om een verkeersbesluit te nemen waarmee (een gedeelte) van een weg wordt afgesloten voor zwaar agrarisch verkeer. Eisers zijn het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
landbouw
waterschap
wet milieubeheer
Wetreferenties:Algemene wet bestuursrecht
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/4936
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen



[eisers], uit [woonplaats] en [woonplaats], gezamenlijk aangeduid als eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld
(gemachtigden: L.F. Miltenburg, M. Kloosterman).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om een verkeersbesluit te nemen. Eisers hebben het college onder meer verzocht een gedeelte van de [weg] in [plaats] af te sluiten voor zwaar agrarisch verkeer. Zij zijn het niet eens met de weigering van het college om dat verkeersbesluit te nemen en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de ontvankelijkheid van het beroepschrift en het beroep van het college op strijd met de goede procesorde. Onder 6 staat het toetsingskader. Vanaf 7 volgt de bespreking van de beroepsgronden van eisers. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Eisers hebben het college verzocht diverse maatregelen en een verkeersbesluit te nemen ten aanzien van de [weg] in [plaats]. Op 11 maart 2024 heeft het college eisers laten weten dat het geen verkeersbesluit zal nemen.


2.1.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze weigering een besluit te nemen. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.



2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Op 2 maart 2025 hebben eisers nadere stukken ingediend. Het college heeft daar op 9 maart 2026 op gereageerd.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [weg] [huisnummer] in [plaats].


3.1.
Op 17 november 2023 hebben eisers een melding gemaakt bij de gemeente Westerveld dat de onbelemmerde toegang van bewoners en hulpdiensten tot hun woning ernstig gevaar loopt vanwege de staat van onderhoud van de weg. Eisers hebben de gemeente verzocht onderhoud te plegen. Ook hebben eisers de gemeente verzocht verschillende verkeersmaatregelen te treffen, waaronder het afsluiten van het deel van de [weg] tussen de Dennenweg en de Boventuinweg voor alle agrarisch verkeer.



3.2.
Naar aanleiding van de melding en het verzoek heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen eisers en een beleidsmedewerker van de gemeente. Tijdens dat contact is onder andere besproken dat onderhoud aan de weg zal worden gepleegd en dat een bord met de tekst ‘geen doorgaand verkeer’ zal worden geplaatst. Ook is besproken dat de gemeente niet voornemens is (het betreffende deel van) de weg uit de openbaarheid te halen.



3.3.
Op 8 december 2023 hebben eisers het college verzocht om opnieuw een belangenafweging te maken met betrekking tot het verzoek om een deel van de [weg] af te sluiten voor zwaar agrarisch verkeer.



3.4.
Op 26 februari 2024 hebben eisers het college opnieuw verzocht een belangenafweging te maken met betrekking tot het verzoek om een deel van de [weg] af te sluiten voor zwaar agrarisch verkeer, in de vorm van een besluit.



3.5.
Op 11 maart 2024 heeft het college op het verzoek gereageerd. Het college geeft in deze reactie aan dat het niet overgaat tot het plaatsen van verkeersborden waarmee het betreffende deel van de weg wordt afgesloten voor een bepaalde categorie verkeer.



3.6.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 maart 2024, voor zover deze brief een weigering inhoudt om een verkeersbesluit te nemen tot het plaatsen van borden waarmee zwaar agrarisch verkeer op het betreffende deel van de weg wordt verboden.




3.7.
Er heeft een hoorzitting bij de commissie van advies voor bezwaarschriften (de adviescommissie) plaatsgevonden. De adviescommissie heeft het college geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren met een aanvullende motivering in de vorm van een rapportage van de verrichte schouw.



3.8.
Op 14 augustus 2024 heeft een wegbeheerder van de gemeente een schouw uitgevoerd op het betreffende deel van de [weg]. Hiervan is een schouwrapport opgesteld.



3.9.
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Voor de motivering van dit besluit verwijst het college naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Ook heeft het college het schouwrapport meegezonden.


Is het beroep ontvankelijk?

4. In het verweerschrift stelt het college zich op het standpunt dat het beroepschrift van eisers niet is ondertekend, waardoor het niet voldoet aan de eisen van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Indien eisers niet tijdig gebruik hebben gemaakt van een eventueel door de rechtbank geboden termijn om dit verzuim te herstellen moet het beroep volgens het college niet-ontvankelijk worden verklaard.



4.1.
De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift niet is ondertekend. Dat betekent dat het beroepschrift niet voldoet aan de wettelijke vereisten die aan een beroepschrift worden gesteld. Het beroep kan dan niet-ontvankelijk worden verklaard, mits eisers de gelegenheid hebben gekregen het verzuim te herstellen. De griffier van de rechtbank heeft eisers op 19 december 2024 een ontvangstbevestiging van het beroepschrift toegezonden. Hierin heeft de griffier aan eisers medegedeeld dat het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een beroepschrift worden gesteld, omdat de gronden van het beroep ontbreken. Aan eisers is een termijn van vier weken geboden om dit verzuim te herstellen. In deze brief is aan eisers niet medegedeeld dat de ondertekening van het beroepschrift ontbreekt. Ook is hen geen termijn geboden dit verzuim te herstellen. Daarom kan het beroepschrift niet vanwege dit verzuim niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat betekent dat het beroep van eisers ontvankelijk is.


Is er sprake van strijd met de goede procesorde?

5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken die door eisers zijn ingediend op 2 maart 2026 te laat zijn ingediend. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, kunnen partijen namelijk stukken indienen tot tien dagen voor de zitting. Omdat de zitting op 12 maart 2026 plaatsvond, was de termijn voor het indienen van stukken verlopen. Het college verzoekt de rechtbank de stukken buiten de procedure te laten wegens strijd met de goede procesorde, omdat het onvoldoende tijd heeft gehad om zich inhoudelijk uit te laten over de stukken. Volgens het college worden in de stukken namelijk nieuwe beroepsgronden geïntroduceerd. Ook hadden eisers hetgeen zij aanvoeren in de stukken al eerder naar voren kunnen brengen, omdat er geen feiten of omstandigheden in staan die bij eisers niet eerder bekend waren of konden zijn.



5.1.
De rechtbank stelt vast dat de stukken die op 2 maart 2026 door eisers zijn ingediend buiten de termijn van tien dagen voor de zitting zijn ingediend. De rechtbank kan stukken die binnen deze termijn zijn ingediend desondanks toelaten in de procedure als de goede procesorde zich daar niet tegen verzet. Daarbij bekijkt de rechtbank of er voor de overige partijen voldoende tijd resteert om zich inhoudelijk uit te laten over de stukken. Ook bekijkt de rechtbank of de zaak als gevolg van het toelaten van de stukken moet worden aangehouden, met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank verzet de goede procesorde zich in dit geval niet tegen het toelaten van de nadere stukken tot de procedure. Op de zitting heeft het college inhoudelijk gereageerd op hetgeen eisers in de nadere stukken hebben aangevoerd. Daardoor leidt het toelaten van de nadere stukken ook niet tot vertraging van de procedure.


Toetsingskader

6. Op grond van artikel 12, aanhef, onder a, onder I, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (het BABW), geschiedt de plaatsing van een bord dat is opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), krachtens een verkeersbesluit.



6.1.
Het bord C8: ‘Gesloten voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines’, is opgenomen in hoofdstuk C van bijlage I bij het RVV 1990.



6.2.
Het beroep van eisers is gericht tegen de weigering van het college om een verkeersbesluit te nemen waarmee bord C8 wordt geplaatst aan de [weg]. De rechtbank moet beoordelen of het college in redelijkheid kon weigeren om dat verkeersbesluit te nemen. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eisers.



Heeft het college in redelijkheid kunnen weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen?

7. Eisers stellen dat van het college gevraagd mag worden de [weg] voor zwaar agrarisch verkeer af te sluiten, omdat de belasting van dat verkeer ertoe leidt dat de toegankelijkheid van de weg in gevaar komt.
Volgens eisers miskent het college de ernst van de te zware belasting van de [weg] en is er sprake van een reëel gevaar voor totale onbegaanbaarheid in de toekomst. Het gepleegde onderhoud is geen structurele oplossing voor de bereikbaarheid van hun woning, omdat sprake is van structurele overbelasting van de weg. Daarmee schendt het college het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.
Daarnaast heeft het college volgens eisers een inspanningsverplichting om te zorgen voor de toegankelijkheid van een woning aan een zandweg. Deze inspanningsverplichting vloeit voort uit de onderhoudsplicht die de gemeente heeft voor wegen.
Ook maakt het college volgens eisers geen evenwichtige belangenafweging omdat het de door eisers aangedragen alternatieve routes voor landbouwverkeer niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Verder heeft het college geen beleidskader waarop het de belangenafweging kan baseren, terwijl andere gemeenten dat beleid wel hebben.



7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het de bij het bestreden besluit betrokken belangen evenwichtig heeft afgewogen en in redelijkheid heeft kunnen weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen.
Het college kan zich voorstellen dat de [weg] bij samenloop van omstandigheden bepaalde perioden van het jaar minder goed begaanbaar is. Daarentegen volgt volgens het college uit de schouw niet dat de weg in slechte staat verkeert, of dat de weg structureel te zwaar wordt belast. Daarom zou het structureel weren van landbouwverkeer onevenredig zijn in verhouding tot de nadelige gevolgen die eisers ondervinden.
Daarnaast wordt volgens het college voldaan aan de onderhoudsplicht op grond van de Wegenwet. Uit jurisprudentie volgt dat bewoners die welbewust aan een zandpad wonen inherente minpunten van zo’n weg voor lief moeten nemen. Daarom zijn de eisen die eisers op grond van de onderhoudsplicht mogen stellen aan de zandweg lager dan de eisen die zij mogen stellen aan een verharde weg.
Verder stelt het college dat het wel of niet nemen van een verkeersbesluit een bevoegdheid is, waarbij het beoordelingsruimte heeft bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de WVW 1994) genoemde begrippen. Het college heeft toegelicht dat het een afweging heeft gemaakt tussen het belang van openbaarheid van de weg enerzijds, en het belang van eisers bij het voorkomen van een incidentele situatie van tijdelijke onbereikbaarheid anderzijds. Het college kent een groot gewicht toe aan de openbaarheid van de weg. De [weg] is namelijk een openbare weg, die in een agrarische omgeving ligt en daarom wordt gebruikt door agrarisch verkeer. Omdat uit de schouw blijkt dat de weg niet in slechte staat verkeert, eisers er bewust voor hebben gekozen aan een onverharde weg te gaan wonen waarvoor lagere kwaliteitseisen gelden en de woning van eisers ook via de [weg 2] bereikbaar is, heeft het college een zwaarder gewicht toegekend aan het belang van openbaarheid van de weg. Dat de alternatieve routes mogelijk goede opties zijn voor het agrarisch verkeer maakt volgens het college niet dat het gehouden is daarom de [weg] af te sluiten voor dat agrarisch verkeer.




7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college in redelijkheid weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


7.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in het bestreden besluit op basis van het schouwrapport op het standpunt kunnen stellen dat de weg op dat moment in goede staat verkeerde. Uit het schouwrapport volgt namelijk dat de weg goed wordt onderhouden en dat de weg voldoet aan het niveau van onderhoud dat is vastgesteld door de raad. Daarmee heeft het college in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig gemotiveerd dat de staat van de weg ten tijde van het besluit niet vereist dat landbouwverkeer structureel wordt geweerd.



7.2.2.
In het verlengde hiervan overweegt de rechtbank ten aanzien van eisers argument dat de gemeente een onderhoudsplicht heeft dat de gemeente op grond van artikel 15 en artikel 16 van de Wegenwet inderdaad een onderhoudsplicht en een zorgplicht heeft voor wegen. Maar als eisers vinden dat de gemeente deze plicht verzuimt kunnen zij daartegen opkomen bij de burgerlijke rechter. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid heeft het de voorkeur om vraagstukken over het onderhoud van openbare wegen bij de burgerlijke rechter te concentreren, omdat de burgerlijke rechter hierover jurisprudentie heeft ontwikkeld.



7.2.3.
In het kader van de gevraagde belangenafweging het volgende. Op grond van artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid een zwaarder belang kunnen toekennen aan het belang van artikel 2, eerste lid, onder d, van de WVW 1994 van het openbaar houden van de weg, dan aan het belang van eisers bij het afsluiten van de weg om incidentele onbegaanbaarheid te voorkomen. Daarbij mocht het college gewicht toekennen aan het schouwrapport, waaruit volgt dat de weg in goede staat is en aan het feit dat de weg door agrarisch verkeer gebruikt wordt om de aanliggende agrarische percelen te bereiken. Het college heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van de weigering het verkeersbesluit te nemen niet onevenredig zijn voor eisers. Uit de schouw volgt niet dat de staat van de weg zodanig is dat door de weigering de toegang naar hun woning structureel in gevaar komt. Ook kunnen eisers in dat geval gebruik maken van de alternatieve route om bij hun huis te komen via de [weg 2]. Dat eisers stellen dat zij op die manier minder goed kunnen parkeren bij hun woning maakt dat niet anders.
Ten aanzien van de stelling van eisers dat het college geen beleidskader heeft voor het gebruik van zandwegen overweegt de rechtbank dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Awb beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid. Dat betekent dat het college niet was gehouden om beleidsregels op te stellen ten aanzien van het nemen van verkeersbesluiten. Het ontbreken van deze beleidsregels kan dan ook geen gebrek in het bestreden besluit opleveren.



7.2.4.
De rechtbank concludeert dan ook dat het college in redelijkheid en voldoende gemotiveerd tot deze weging van belangen heeft kunnen komen.


Was het college gehouden tot overleg?

8. Eisers stellen dat zij een poging hebben gedaan om met alle betrokkenen tot een oplossing te komen, maar dat deze poging is gestrand op onwil of onvermogen van de kant van het college. Dit rekenen zij het college ernstig aan, omdat het de voorkeur behoeft dat juridische procedures worden vermeden en geschillen via overleg worden opgelost.




8.1.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat het heeft aangeboden een faciliterende rol aan te nemen in het overleg tussen eisers en andere betrokkenen om tot een oplossing te komen en dat het daartoe nog steeds bereid is. Het college heeft ook aangegeven dat dat dit er niet toe zal leiden dat het college een ander besluit neemt ten aanzien van de verkeersborden.



8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op de zitting hebben zowel eisers als het college verduidelijkt welke verwachtingen zij hebben van een mogelijk overleg met betrokkenen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen andere verwachtingen hadden van het overleg dat door de adviescommissie is voorgesteld. Los van de vraag of het wenselijk is dat een bestuursorgaan overleg voert met de betrokkenen bij een besluit, was het college niet gehouden tot het vinden van een minnelijke oplossing met eisers. Deze grond kan dan ook niet leiden tot een andere conclusie dan reeds is weergegeven onder 7.2 tot en met 7.2.4.


Precedentwerking

9. Eisers stellen dat een mogelijk beroep van het college op precedentwerking faalt. Hoewel noch in het bestreden besluit, noch in het advies van de commissie, wordt gesproken over precedentwerking willen eisers hier toch op ingaan, omdat het in een gesprek met de gemeente wel is genoemd. Volgens eisers moet elke situatie op zijn eigen merites worden beoordeeld. De specifieke factoren van deze zaak maken dat er geen sprake is van precedentwerking. Daardoor kunnen bewoners van andere zandwegen geen beroep doen op afsluiting voor landbouwverkeer als gevolg van precedentwerking.



9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de vrees voor precedentwerking geen reden is geweest om het verzoek van eisers af te wijzen. Wel bestaat het risico dat als het op deze plek een weg afsluit voor zwaar agrarisch verkeer, zonder aantoonbare noodzaak, er vergelijkbare verzoeken kunnen komen.



9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Met eisers stelt de rechtbank vast dat de vrees voor precedentwerking in het bestreden besluit niet wordt genoemd als grondslag voor de afwijzing. Dat betekent dat het college de vrees voor precedentwerking dan ook niet ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Daarom kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.







Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om het verkeersbesluit te nemen in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht




Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:


de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en


(…)





Artikel 6:5
1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
(…)



Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:


niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of


het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,


mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.



Artikel 8:58


Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.


Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.





Wegenwet




Artikel 15


Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam dien tot openbaren weg heeft bestemd.


(…)





Artikel 16
De gemeente heeft te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of eene provincie worden onderhouden, van die bedoeld in artikel 17 en van die, waarop door een ander tol wordt geheven met uitzondering van de gemeentelijke wegen, genoemd in de bijlage bij de Wet vrachtwagenheffing, verkeeren in goeden staat.



Wegenverkeerswet 1994




Artikel 2:
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
(…)



Artikel 15:


De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.


(…)




Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer




Artikel 12:
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:

de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;


(…)




Dat kan op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).


Dat volgt uit artikel 6:6, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.


Deze termijn volgt uit artikel 8:58, eerste lid, van de Awb. Partijen zijn hier in de uitnodiging voor de zitting op gewezen, op grond van artikel 8:58, tweede lid, van de Awb.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:415, r.o. 4.2.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 5.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8863, r.o. 2.3.
Link naar deze uitspraak