|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1859 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | 12134476 VV EXPL 26-15 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | verzoek om betaling aanvullend voorschot in letselschadezaak afgewezen door de voorzieningenrechter. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | inkomstenbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 12134476 \ VV EXPL 26-15
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.L. de Jong,
tegen
N.V. UNIVÉ SCHADE,
te Assen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Univé,
gemachtigde: mr. G. Loman.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 maart 2026 met producties 1 tot en met 21;
- de akte overlegging producties 22 en 23 van [eiser] ;
- de akte overlegging productie 24 van [eiser] ;
- de akte overlegging producties 1 en 2 van Univé;- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden;- de pleitnota van [eiser] ;- de pleitnotities van Univé.
2De feiten
2.1.
Op 28 september 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval, ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen.
2.2.
Ten tijde van het verkeersongeval beschikte [eiser] over een Schadeverzekering Inzittenden (SVI) bij Univé.
2.3.
Univé heeft tot op heden € 95.000,- aan voorschotten uitgekeerd aan
[eiser] , waarvan € 2.500,- voor immateriële schade.
2.4.
Op 30 januari 2026 heeft [eiser] Univé schriftelijk verzocht een aanvullend voorschot van € 5.000,- over te maken.
2.5.
Op 4 februari 2026 heeft Univé per e-mail – onder meer - het volgende aan
mr. De Jong geschreven:
(…)
“In uw schadestaat wordt geen enkele schadepost onderbouwd met bewijsstukken. Wanneer uw cliënt van mening is dat er meer schade is, verzoek ik u vriendelijk om alle schadeposten volledig te onderbouwen met bewijsstukken. Zonder aanvullend bewijs acht ik, zoals hierboven vermeld, de volledige schade van uw cliënt vergoed. Ik ben ook niet bereid om zonder bewijs aanvullende voorschotverzoeken in behandeling te nemen”.
(…)
2.6.
Op 17 februari 2026 had [eiser] een betaalachterstand van
€ 3.091,56 voor zijn hypotheek bij de Rabobank. Daarnaast heeft Univé
[eiser] gemaand tot betaling van zijn schadeverzekering ad € 230,06, is een factuur van de voormalige advocaat van [eiser] ad € 1.748,47 onbetaald gelaten, hebben Vodafone en Essent aanmaningen gestuurd en heeft het LBIO beslag gelegd onder de SNS Bank.
2.7.
[eiser] heeft recentelijk een verzoek gedaan aan de gemeente Hoogeveen voor een bijstandsuitkering.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Univé veroordeelt de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst na te
komen;
II. Univé veroordeelt de Gedragscode Behandeling Letselschade na te leven;
III. Univé veroordeelt te voldoen aan [eiser] een bedrag ad EUR 17.500,00 aan nadere bevoorschotting op de door hem, [eiser] , als gevolg van het ongeval d.d. 28 september 2024 geleden schade, alles binnen twee weken na het door U E.A. te wijzen vonnis.
IV. Univé veroordeelt aan [eiser] te voldoen de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van EUR 5.713,42, althans een voorschot daarop ter hoogte van EUR 5.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente indien en voor zover Univé niet binnen twee weken na het door U E.A. te wijzen vonnis tot algehele betaling is overgegaan;
V. Univé veroordeelt in kosten van deze procedure, inclusief de deurwaarderskosten en nakosten alsmede te bepalen dat deze kosten binnen twee weken na het door U E.A. te wijzen vonnis dienen te zijn voldaan bij gebreke waarvan Univé over elk niet betaald deel daarvan aan [eiser] wettelijke rente verschuldigd is, alles tot de dag der algehele betaling.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Uit de door [eiser] opgestelde schadestaat blijkt dat zijn totale schade tot op heden € 112.485,- beloopt, terwijl hij slechts € 95.000,- aan voorschotten heeft ontvangen. Univé dient het verschil van € 17.500,- aan [eiser] uit te keren als voorschot. Zijn schade bestaat uit verlies van verdienvermogen, medische kosten, reiskosten, kosten van huishoudelijke hulp, kosten van zelfwerkzaamheid en smartengeld.
Op basis van twee medische adviezen van dr. [naam] bestaat een causaal verband tussen het ongeval en de arbeidsongeschiktheid en de psychische en lichamelijke klachten van
[eiser] . [eiser] heeft een blanco psychiatrische voorgeschiedenis en de kans is klein dat hij zonder het ongeval psychische klachten zou hebben ontwikkeld, ondanks bestaande auto-immuunziekten. Zelfs indien [eiser] hypothetisch zonder ongeval psychische klachten zou hebben gekregen, zouden deze klachten naar verwachting aanzienlijk minder ernstig zijn geweest. In dat geval zou behandeling door de POH-GGZ of een psycholoog naar verwachting voldoende zijn geweest en zou de kans op arbeidsongeschiktheid of gedwongen opname zeer gering zijn geweest. Dit onderbouwt het causaal verband tussen het ongeval en de (tot nu) geleden schade en de noodzaak van bevoorschotting door Univé.
Het spoedeisend belang bestaat eruit dat [eiser] geen geld meer heeft om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien en om zijn vaste lasten te betalen. Daarnaast is
[eiser] opgenomen bij GGZ Drenthe vanwege zijn psychische gesteldheid. Deze combinatie maakt dat van [eiser] niet kan worden verlangd dat hij een langdurig expertiseonderzoek dan wel een bodemprocedure afwacht.
3.3.
Univé voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, en hem, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.4.
Univé voert aan dat zij al geruime tijd de causaliteit tussen het ongeval en de gestelde klachten betwist. De bewijslast hiervan rust op [eiser] . De medisch adviseur van Univé, dr. [medisch adviseur 1] , schrijft in haar adviezen dat [eiser] een relevante medische voorgeschiedenis heeft met onder andere pre-existent letsel, PTSS, een ontsteking in het rechteroor en een ernstige immuunziekte waardoor hij in 2023 en 2024 in totaal ongeveer zeven maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Daarnaast zijn de psychische klachten van [eiser] geen ongevalsgevolg, maar hangen samen met psychotrauma’s uit het verleden, een scheiding, financiële zorgen, huisvesting en zorg voor de kinderen. Bovendien was [eiser] al bekend met psychische klachten bij de GGZ. Er is nooit een whiplash gediagnosticeerd. De spiergerelateerde klachten van de nek verdwijnen normaliter binnen enkele weken of maanden. Volgens Univé is het zeer waarschijnlijk dat [eiser] psychische klachten zou hebben ontwikkeld, ongeacht het ongeval. [eiser] was ten tijde van het ongeval in een gerechtelijke procedure verwikkeld over de voogdij over zijn kinderen en heeft deze na het ongeval verloren. Daarnaast had hij al financiële problemen ten tijde van het ongeval. Vanwege de bestaande auto-immuunziekten verkeerde [eiser] ten tijde van het ongeval en daarna in fysiek slechte conditie. Ook gebruikte [eiser] verdovende middelen. [eiser] heeft het causale verband niet aangetoond en hij vertoont verhullend gedrag door zijn huisarts zijn medisch dossier te laten aanpassen en geen ongeclausuleerd huisartsenjournaal te overleggen. Los van alle medische hiaten in de onderbouwing ontbreekt ook een financiële onderbouwing van de gestelde schade. [eiser] geeft geen informatie over en levert geen bewijs van zijn werkzaamheden, de voogdijzaak en zijn schulden. Als er al sprake is van ongevalsgerelateerd verlies van verdienvermogen dan is sprake van een verlies van 17 maanden ad € 3.750,-, in totaal dus € 63.750,00. Er is al
€ 95.000,- uitgekeerd dus dan heeft [eiser] met de resterende € 31.250,- het arbeidsloon voor de verbouwing van zijn woning kunnen betalen, aldus nog steeds Univé.
3.5.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter neemt het volgende tot uitgangspunt. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. Daarbij geldt dat een kort gedingprocedure zich niet leent voor nadere bewijslevering. Dat betekent dat de kantonrechter het moet doen met de feiten en omstandigheden zoals die ten tijde van het kort geding voorshands zijn gebleken.
4.2.
Gelet op hetgeen [eiser] daarover in de dagvaarding heeft gesteld en ter zitting heeft toegelicht, acht de kantonrechter het spoedeisend belang aanwezig.
4.3.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat, op basis van de stukken die zijn overgelegd en wat ter zitting is toegelicht, in dit kort geding niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de huidige (psychische) klachten van
[eiser] en het ongeval. Er blijft teveel twijfel over en de rapporten van de artsen spreken elkaar tegen. [eiser] is bij het ongeval met de rechterkant van zijn hoofd op het stuurwiel van zijn auto terecht gekomen. De medisch adviseur [medisch adviseur 2] van het bureau [bedrijfsnaam] B.V. spreekt in zijn rapport (onder meer) van een Whiplash Associated Disorder, maar deze is niet door een neurologisch onderzoek vastgesteld. De medisch adviseur [medisch adviseur 1] van Univé is van oordeel dat de nek- en spierklachten, die op zich verklaarbaar zijn, binnen enkele weken zouden moeten verdwijnen. Op zichzelf zou de aard van het ongeval een deel van de klachten kunnen verklaren (ook al zou de impact laag zijn geweest), maar verdere medische onderzoeken objectiveren deze niet; andere klachten treden op de voorgrond. Een predispositie hoeft aan toerekening van de gevolgen aan het ongeval niet in de weg te staan. Maar gesteld dat de kantonrechter voorshands het causale verband wél aan zou nemen, dan vormen de persoonlijke predispositie en de daaruit voortvloeiende risico’s op het ontstaan van klachten wel een factor waarmee de kantonrechter bij de begroting van de schade rekening moet houden. [eiser] heeft de auto-immuunziekten SLE en APS, lijdt aan diabetes mellitus en aan transfusie-afhankelijke anemie. Hij erkent dat hij in de jaren 2023 en 2024, dus voor het ongeval, in totaal ongeveer zeven maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat [eiser] in 2009 een kraakbeenontsteking en perforatie van het rechter oor had en vlak voor het ongeval last had van pijn in de oorschelp en zich daarvoor bij zijn huisarts had gemeld. [eiser] heeft overigens ter zitting verklaard dat dit zijn linkeroor betrof. In 2010 heeft [eiser] zich bij de huisarts gemeld vanwege hoofdpijn/nekpijn trauma na een klap op zijn jukbeen. In 2012 is PTSS gediagnosticeerd. Ook heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij ten tijde van het ongeval al een schuld bij de Belastingdienst had van zo’n € 80.000,-. Tot slot liep er ten tijde van het ongeval een voogdijzaak tussen [eiser] en zijn ex-partner over hun kinderen en leverde dit bij [eiser] spanningen op. De kantonrechter dient alle voorgaande omstandigheden mee te wegen in de voorlopige begroting van de schade.
4.4.
Niet alleen met betrekking tot de causaliteit, maar ook met betrekking tot de omvang van de schade rusten de stelplicht en de bewijslast bij [eiser] . Ten aanzien van die schade stelt [eiser] dat hij ondanks zijn diverse aandoeningen jaarlijks ongeveer € 80.000,- per jaar aan omzet genereerde met zijn eenmanszaak.
[eiser] stelt dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. Univé betwist dit en voert aan dat het heel goed mogelijk is dat de contracten van [eiser] zijn beëindigd door andere oorzaken, gelet op zijn maandenlange afwezigheid voor het ongeval. Het had naar het oordeel van de kantonrechter dan ook op de weg van [eiser] gelegen om stukken te overleggen waaruit ten eerste de causaliteit tussen het ongeval en het beëindigen van zijn contracten blijkt en waaruit ten tweede de omvang van zijn schade blijkt.
4.5.
Ten aanzien van de causaliteit had van [eiser] bijvoorbeeld mogen worden verwacht verklaringen of brieven/e-mails van zijn collega’s, opdrachtgevers of bemiddelaar over te leggen over de reden van beëindiging van de opdrachten. Ter onderbouwing van zijn schade had [eiser] ondertekende overeenkomsten van opdracht, facturen naar de opdrachtgevers, bankafschriften met betalingsbewijzen en andere stukken kunnen overleggen, waaruit de omvang van de opdrachten blijkt, zijn verdiensten c.q. omzet en wanneer de opdrachtgevers de opdrachten hebben beëindigd. Dat heeft
[eiser] allemaal niet gedaan. Het enige dat hij heeft overgelegd, zijn de aangiftes inkomstenbelasting 2020 tot en met 2024 en een zelf opgestelde schadestaat, die Univé beide heeft betwist. Dat is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende om, met verwijzing naar punt 4.1 hierboven en met inachtneming van diens predispositie, in dit kort geding voldoende aannemelijk te maken dat de schade van [eiser] meer dan de reeds uitgekeerde € 95.000,- bedraagt. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiser] in 2023 en 2024 zeven maanden niet heeft kunnen werken vanwege arbeidsongeschiktheid. Het voorgaande maakt dat de kantonrechter het gevorderde onder III zal afwijzen.
4.6.
Het door [eiser] gevorderde onder I en II zal de kantonrechter eveneens afwijzen. In deze kort gedingprocedure kan niet worden vastgesteld dat de verzekeringsovereenkomst niet wordt nagekomen of dat de Gedragscode Behandeling Letselschade niet wordt nageleefd. Daar heeft [eiser] onvoldoende voor gesteld.
Ten aanzien van het gevorderde onder IV (de buitengerechtelijke kosten) overweegt de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang bij deze vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.
4.7.
De kantonrechter overweegt ten slotte nog dat een afweging van de belangen van partijen de beslissing niet anders maakt. [eiser] stelt dat er sprake is van enige overwaarde van zijn koopwoning en dat Univé zich daarop kan verhalen indien de bodemrechter anders beslist. Uit de stukken en hetgeen partijen daarover ter zitting hebben verklaard, blijkt echter dat [eiser] al diverse aanzienlijke schulden heeft. Univé loopt derhalve het risico dat [eiser] het thans gevorderde voorschot onmogelijk kan terugbetalen indien de vordering van [eiser] door de kantonrechter zou worden toegewezen en de bodemrechter later anders beslist.
4.8.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Univé worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
721,00
5De beslissing
De kantonrechter, recht doende als voorzieningenrechter,
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Univé vastgesteld op € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
36330/TG | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|