Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:2018 
 
Datum uitspraak:15-01-2026
Datum gepubliceerd:28-05-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/4703
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De rechtbank is van oordeel dat het college het handhavingsverzoek van eiseressen ten onrechte heeft afgewezen. Uit een controle door een inspecteur van de gemeente is gebleken dat de gebouwde schuur op meerdere punten afweek van de verleende omgevingsvergunning. Het college had moeten beoordelen in hoeverre voor die afwijkingen een omgevingsvergunning vereist is. Omdat het college niet beoordeeld heeft of er sprake is van een overtreding, kon het college niet toekomen aan de vraag of het in dit geval evenredig was om af te zien van handhaving.
Trefwoorden:agrarisch
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/4703

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres I

En


[eiseres 2] , eiseres II, beiden uit [woonplaats] ,
gezamenlijk te noemen eiseressen
(gemachtigde: mr. T.R. Sturrus),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college
(gemachtigde: J.P. Keizer).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde] uit [woonplaats] , vergunninghouder.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door eiseressen ingediend handhavingsverzoek. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen vergunninghouder, omdat hij een schuur heeft gebouwd die niet overeenkomt met de aan hem verleende omgevingsvergunning voor de schuur. Het college heeft het verzoek voor eiseres II niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek voor eiseres I afgewezen. Eiseressen zijn het niet eens met deze besluiten van het college. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring en de afwijzing van het handhavingsverzoek.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres II ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiseressen krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.






Procesverloop

2. Eiseressen hebben op 22 april 2024 een verzoek tot handhaving gedaan voor de bouw van een schuur, in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft dit verzoek afgewezen met het besluit van 30 mei 2024 (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiseressen heeft het college het verzoek van eiseres II niet-ontvankelijk verklaard en is voor het verzoek van eiseres I bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.


2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

3.1.
Eiseres I woont aan de [adres 1] te [woonplaats] . Haar perceel grenst aan het perceel [perceel] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Vergunninghouder is eigenaar van het perceel.Eiseres II woont aan de [adres 2] te [woonplaats] . Haar perceel ligt ten noorden van het perceel en grenst hier niet direct aan.


3.2.
Het college heeft vergunninghouder op 23 juni 2023 een vergunning verleend voor het bouwen van een schuur op het perceel. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de verlening van deze vergunning en hangende bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 2 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot twee weken nadat op het bezwaar was beslist.


3.3.
Het college heeft bij besluit van 2 april 2024 het bezwaar van eiseressen gedeeltelijk gegrond verklaard, maar wel besloten om de omgevingsvergunning in stand te laten. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen dit besluit en hebben tevens verzocht om een voorlopige voorziening.
Bij uitspraak van 30 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard en de omgevingsvergunning van 2 april 2024 vernietigd. Als gevolg van de uitspraak herleefde de omgevingsvergunning van 23 juni 2023 en moest het college opnieuw beslissen op het daartegen ingediende bezwaarschrift. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Die procedure loopt nog.



3.4.
Eiseressen hebben op 22 april 2024 een handhavingsverzoek gedaan. Daarin verzochten eiseressen het college op te treden tegen het bouwen van de schuur in afwijking van de omgevingsvergunning. Volgens eiseressen bestond de overtreding er in ieder geval uit dat de gevels in een licht houten kleur waren gerealiseerd, met deuren in verschillende kleuren, witte raamkozijnen en afwijkende detaillering (formaat ramen en ontbrekende verticale details). Ook is het college verzocht op te treden tegen eventuele door het college te constateren aanvullende overtredingen.


3.5.
Het college heeft het verzoek van eiseressen afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat er (nog) geen sprake is van een overtreding omdat vergunninghouder de werkzaamheden nog niet gereed gemeld had. Omdat de werkzaamheden nog niet afgerond waren, was het volgens het college nog niet mogelijk om te controleren of het bouwwerk conform de vergunning uitgevoerd was.



3.6.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en hebben in het bezwaarschrift het handhavingsverzoek aangevuld. Eiseressen hebben het college in bezwaar aanvullend verzocht handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 1.25, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012, omdat vergunninghouder het bouwwerk in gebruik had genomen zonder de werkzaamheden gereed te melden. .



3.7.
Op 25 juli 2024 is door het college opnieuw beslist op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 23 juni 2023. Daarbij is de motivering aangevuld en aan de vergunning is een voorschrift verbonden waaruit volgt dat de schuur uitsluitend mag worden gebruikt ten dienste van hobbymatig agrarisch gebruik. Het hoger beroep genoemd onder 3.3 richt zich van rechtswege mede tegen de gewijzigde vergunning.



3.8.
Op 26 juli 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente een inspectie uitgevoerd aan de schuur. De toezichthouder heeft op dat moment vier afwijkingen van de vergunning geconstateerd, te weten:


Glas onderin de deuren in plaats van hout in de voorgevel;


Gevelbekleding puntgevel verticaal in plaats van horizontaal;


Deurtypes en draairichtingen anders uitgevoerd;


Schilderwerk kozijnen, deuren en ramen.


De afmetingen van de schuur kwamen overeen met de vergunning en de kleur van de gevels was, volgens de inspecteur, ook conform de vergunning.



3.9.
In het bestreden besluit van 10 oktober 2024 is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. Het bezwaar daartegen van eiseres I is ongegrond verklaard. De beslissing van 30 mei 2024 werd daarnaast in zoverre herzien dat het handhavingsverzoek namens eiseres II niet ontvankelijk is, omdat zij volgens het college niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Het bezwaarschrift van eiseres II is niet ontvankelijk verklaard. Ter motivering heeft het college verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften Westerwolde.

Ontvankelijkheid eiseres II

4. Eiseres II stelt dat zij wel belanghebbende is bij het verzoek. Zij maakt gebruik van de percelen rondom het perceel waarop de schuur is geplaatst. Zij snapt niet waarom zij niet reeds daarom als belanghebbende aangemerkt moet worden. Zij is bovendien op 3 juni 2024 eigenaar geworden van de percelen K4093 en K1438 en moet alleen al daarom als belanghebbende aangemerkt worden.


4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiseres II als belanghebbende aan had moeten merken, omdat zij ten tijde van de beslissing op bezwaar eigenaar was van de naastgelegen percelen. Omdat het college eiseres II ten onrechte niet als belanghebbende beschouwd heeft, is het beroep gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van eiseres II gegrond.

Uitbreiding handhavingsverzoek

5. De rechtbank overweegt dat, op grond van vaste rechtspraak geldt dat, een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De inhoud van het eerste verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. In het handhavingsverzoek van 22 april 2024 hebben eiseressen slechts verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Pas in bezwaar hebben eiseressen aangevoerd dat de schuur in gebruik was genomen zonder dat vergunninghouder de werkzaamheden gereed had gemeld en dat vergunninghouder dus in strijd handelde met artikel 1.25, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank zal daarom enkel het (gedeelte van het) bestreden besluit beoordelen, voor zover dit een reactie is op het oorspronkelijke handhavingsverzoek van 22 april 2024.

Is er sprake van een overtreding?

6. Eiseressen stellen dat, ondanks werkzaamheden aan de schuur door vergunninghouder nadat het handhavingsverzoek werd ingediend, de schuur nog steeds niet conform vergunning is gebouwd. Het gaat volgens hen om de volgende zaken:


te grote raamopeningen in de deuren;


de wanden van de schuur zijn zwart geverfd in plaats van zwart geïmpregneerd;


er zijn dakgoten geplaatst en een gootpijp die afwatert nabij het perceel van eiseressen;


deurtypes en draairichtingen zijn onjuist;


de gevelbekleding in de puntgevel is niet horizontaal maar verticaal geplaatst.




6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden ten tijde van het primaire en het bestreden besluit nog niet gereed gemeld waren, waardoor niet vastgesteld kon worden of sprake was van een overtreding.


6.2.
Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.


6.2.1.
Anders dan het college meent is op het handhavingsverzoek het omgevingsrecht van toepassing zoals dat geldt sinds 1 januari 2024 als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow). Het verzoek om handhaving is immers gedaan op 22 april 2024 en dus na inwerkingtreding van de Ow. Het feit dat de omgevingsvergunning - die werd verleend onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht - nog niet onherroepelijk was ten tijde van het bestreden besluit en daarom op grond van het overgangsrecht in artikel 4.13, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet (nog) niet kan worden gezien als een vergunning op grond van de Ow, doet daar niet aan af.



6.2.2.
Op 26 juli 2024 is een inspecteur ter plaatse geweest en heeft geconstateerd dat het bouwwerk op meerdere punten afweek van de verleende omgevingsvergunning. Het college had moeten beoordelen in hoeverre voor die afwijkingen een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Ook is mogelijk een omgevingsvergunning vereist voor de bouwactiviteit op grond van artikel 5.1, tweede lid en onder a, van de Ow. Indien wordt gebouwd zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning, is sprake van een overtreding.



6.2.3.
Het is niet van belang of al een gereedmelding als bedoeld in artikel 1.25, tweede lid van het Bouwbesluit 2012 heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen rechtsgrond voor dit standpunt van het college. Een eventuele overtreding kan ook tijdens de bouw worden vastgesteld. De afwijzing van het handhavingsverzoek omdat geen sprake zou zijn van een overtreding is daarom ondeugdelijk gemotiveerd en mogelijk onjuist.


Evenredigheid van handhaving

7. Voor zover sprake zou zijn van een overtreding, heeft het college zich in het verweerschrift subsidiair op het standpunt gesteld dat handhaving onevenredig is gelet op de aard en omvang van de afwijkingen. Het betreft volgens het college uitsluitend esthetische details die geen invloed hebben op de planologische inpassing, de stedenbouwkundige kwaliteit of de bouwtechnische veiligheid. De Adviescommissie voor omgevingskwaliteit heeft in een advies van 25 februari 2025 bevestigd dat de schuur geen afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteit. Handhaving is volgens het college daarom niet geschikt, niet noodzakelijk en onevenwichtig. Het college verwijst daarbij naar vaste rechtspraak.




7.1.
De rechtbank overweegt dat, omdat het college niet beoordeeld heeft of er sprake is van een overtreding, zij niet toekomt aan een beoordeling of het in dit geval evenredig was om af te zien van handhaving van eventuele overtredingen. Het college zal dit moeten beoordelen in een nieuw te nemen besluit op bezwaar. Daarbij geeft de rechtbank het college het onderstaande in overweging.


7.1.1.
Op grond van vaste rechtspraak dient een bestuursorgaan in de regel handhavend op te treden als een overtreding vastgesteld is. Dit is de beginselplicht tot handhaving. Het college kan van handhaving afzien als handhaving in de concrete situatie onevenredig zou zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook andere omstandigheden van het geval kunnen tot de conclusie leiden dat handhavend optreden in het concrete geval zo onevenredig is dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving ervoor moet wijken.



7.1.2.
Voor zover het college zich met de verwijzing naar het advies van de Adviescommissie voor omgevingskwaliteit op het standpunt stelt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, merkt de rechtbank op dat het advies alleen ziet op de ruimtelijke inpassing van de schuur, en daarmee betrekking heeft op een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Ow. Het college heeft niet beoordeeld in hoeverre voor de afwijkingen een omgevingsvergunning moest en kan worden verleend op grond van artikel 5.1, tweede lid en onder a, van de Ow.






Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Eiseres II is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek is in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gezien de aard van het gebrek, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand laten en niet zelf in de zaak voorzien.


8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken.



8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De reiskosten die eiseressen voor het bijwonen van de zitting hebben moeten maken, dient het college ook te vergoeden. De gemaakte reiskosten zijn € 58,84.






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 oktober 2024;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseressen moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.926,84 aan proceskosten aan eiseressen.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBNNE:2023:3211


ECLI:NL:RBNNE:2024:1691



Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1176, rechtsoverweging 3.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2553.


Dit is onder het huidige recht geregeld in artikel 2.21, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.


De ‘Harderwijk-uitspraak’ van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


Idem.
Link naar deze uitspraak