Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3026 
 
Datum uitspraak:07-07-2026
Datum gepubliceerd:22-07-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 25/3068
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Mijnbouwschade. Fysieke schade. Deze uitspraak gaat over de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden binnen de 6 km gebieden. De rechtbank oordeelt dat de door het Instituut gestelde aanvullende voorwaarde van het bouwjaar 2012 bij het weer betrekken van de 6 km-gebieden bij het effectgebied, niet onredelijk is gebleken. Het bewijsvermoeden is in dit geval terecht niet toegepast op de schades aan de woning van eiser omdat deze gebouwd is in 2019. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/3068

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [plaats] , eiser

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. I. Pijper en B.C. Rots).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut het bewijsvermoeden terecht niet heeft toegepast op de schades aan de woning. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiser is eigenaar van de in 2019 gebouwde twee-onder-één-kap woning aan [adres] . Op 13 november 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten. Eiser heeft in de aanvraag de schade omschreven als: scheuren in de badkamer, hal, keuken, slaapkamer en woonkamer, met name wordt schade aan kanaalplaatvloeren genoemd.


2.1.
Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 16 december 2024 afgewezen omdat mijnbouwactiviteiten in het Groningerveld of de gasopslag bij Norg of Grijpskerk de eventuele schade aan de woning van eiser redelijkerwijs niet kunnen hebben veroorzaakt. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 8 april 2026 heeft eiser hierop gereageerd met aanvullende beroepsgronden.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, deskundige van eiser [naam deskundige] en de gemachtigden van het Instituut.





Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat het geschil over?

3. Tussen partijen is in geschil of het Instituut het bewijsvermoeden dient toe te passen op de schade aan de woning van eiser. Niet in geschil is dat na de bouw van de woning in 2019 op die locatie geen trillingssnelheid is opgetreden van 2 mm/s of hoger als gevolg van aardbevingen door mijnbouwactiviteiten. De hoogst berekende trillingssnelheid vanaf 2019 is 1,62 mm/s geweest. Ook is niet in geschil dat de woning van eiser binnen de Huizinge contour ligt.


Wat is het toetsingskader?

4. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, dat bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of de gasopslagen bij Norg of Grijpskerk zou kunnen zijn, die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.


4.1.
Artikel 10oa van het Besluit Tijdelijke wet Groningen (het Besluit) bepaalt dat het hiervoor genoemde bewijsvermoeden in ieder geval geldt in het gebied dat valt:


binnen de reikwijdte van de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de Gasopslag bij Grijpskerk waar een minimale trilling van 2 millimeter per seconde met een overschrijdingskans van 1 procent is berekend; of


binnen 6 kilometer van de grens van het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.




Wat zijn de standpunten van partijen?


Standpunten eiser

5. Volgens eiser is het bewijsvermoeden ten onrechte niet toegepast op de schades aan de woning. Door het stellen van de aanvullende voorwaarde die ziet op het bouwjaar van de woning (ijkpunt 2012), handelt het Instituut volgens eiser in strijd met artikel 10oa van het Besluit. Hierbij wijst eiser op de totstandkoming van dit artikel. In 2021 is het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden beperkt, op basis van onderzoeken van TNO en TU Delft. Na kritiek hierop, hebben TNO en TU Delft aanvullend onderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan en het amendement van Agnes Mulder c.s., wilde de wetgever de gebieden vastleggen waar het bewijsvermoeden van toepassing is. Dit om de positie van de schademelder te versterken en deze te beschermen tegen beleidsmatige willekeur en telkens veranderende wetenschappelijke inzichten. Om onuitlegbare verschillen te voorkomen is gekozen voor een geografische afbakening. Daarbij werd de oorspronkelijke afbakening van het effectgebied als uitgangspunt genomen en zo zijn met de invoering van artikel 10oa van het Besluit, de 6 km-gebieden weer opgenomen binnen het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden. Eiser is van mening dat met het invoeren van een aanvullende voorwaarde (het bouwjaar) het Instituut in strijd handelt met de bedoeling van de wetgever om het oorspronkelijke effectgebied weer te hanteren.



5.1.
Eiser stelt vervolgens dat het Instituut een onjuiste koppeling maakt tussen bodembeweging en trillingen door aardbevingen. Stijging en daling van de bodem is een ander mechanisme dan trillingen, en bovendien zijn trillingen gekoppeld aan een bepaald moment, terwijl het op en neer gaan van de bodem een continu proces is, dat nog steeds plaatsvindt. Omdat het onderzoek van Deltares ten aanzien van de indirecte effecten van diepe bodemdaling zich richt op een ander gebied dan waar de woning van eiser staat, kan het Instituut zich niet op dit onderzoek baseren, aldus eiser. Het Instituut kan daarom niet concluderen dat er geen effecten van diepe bodemdaling zijn op de woning van eiser.



5.2.
Bovendien, zo stelt eiser, baseert het Instituut zich op een onderzoek dat hoofdzakelijk is gebaseerd op een modelmatige benadering. Modelmatige voorspellingen zonder langdurige empirische validatie blijven per definitie onzeker en kunnen niet zonder meer dienen als grondslag voor uitsluiting van schade. Daarnaast worden in de onderzoeken verschillende relevante aspecten geheel of grotendeels buiten beschouwing gelaten, bijvoorbeeld de stapeling van mijnbouwactiviteiten, het verschil tussen cyclische belasting van de bodem en het eenmalig leeg produceren van een gasveld, en lokale variaties in bodemopbouw.


Standpunten Instituut

6. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is op de schade van eiser omdat de schade niet redelijkerwijs kan zijn ontstaan door mijnbouwactiviteiten. Hoewel de bodem op en neer beweegt als gevolg van het legen en vullen van de gasopslag Norg, blijkt uit uitvoerig onderzoek dat diepe bodemdaling en -stijging in het gebied waar de woning van eiser is gelegen, niet direct tot schade kan leiden. De afdeling heeft ook geoordeeld dat het Instituut van deze conclusie mag uitgaan. Van een onjuiste koppeling is, gelet op het voorgaande dus geen sprake omdat diepe bodemdaling-, en stijging hoe dan ook niet direct tot schade leidt of heeft geleid.



6.1.
Het Instituut weerspreekt daarnaast dat belangrijke aspecten niet zijn betrokken in de onderzoeken. Zo is in het onderzoek van de TU Delft naar Gecombineerde Effecten van Meervoudige Mijnbouwactiviteiten (GEMMA) wel degelijk rekening gehouden met stapeling van mijnbouwactiviteiten, echter blijkt uit dat onderzoek dat er geen effecten optreden. Dit is alleen het geval bij gebieden waar zoutwinning plaatsvindt, maar dat is hier niet aan de orde.



6.2.
Het Instituut verwijst tevens naar de nota van toelichting op het Besluit, waarin is uitgelegd dat voor een nieuw gebouw of werk waar sinds de oplevering geen bodembeweging heeft plaatsgevonden, geen schadevergoeding wordt toegekend. Omdat met artikel 10oa van het Besluit gebieden onder het bewijsvermoeden werden geschaard waar geen trilling van 2 mm/s was opgetreden én was vastgesteld dat diepe bodemdaling niet tot schade kon leiden, heeft het Instituut besloten voor de 6 km-gebieden de voorwaarde op te nemen dat het gebouw of werk een bouwjaar van 2012 of eerder moet hebben. Daarmee is aansluiting gezocht bij de beving van Huizinge op 16 augustus 2012, die bepaalt tot waar het bewijsvermoeden van toepassing is indien naar de trillingssnelheid wordt gekeken. Er heeft daarmee geen wijziging in het gebied plaatsgevonden, enkel is er een voorwaarde toegevoegd. Hiermee wordt voorkomen dat bewoners in ‘de lobjes’ anders zouden worden behandeld dan bewoners binnen de cirkel van Huizinge.



Wat is het oordeel van de rechtbank?


Mocht het Instituut een bouwjaar van 2012 of eerder als aanvullende voorwaarde stellen bij artikel 10oa, onder b van het Besluit?

7. De aanvullende voorwaarde van het bouwjaar is opgenomen in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen van 18 april 2024. Het is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze bepaling regelt dat een bestuursorgaan, zoals het Instituut, beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot zijn bevoegdheid. Tegen een beleidsregel kan geen direct bezwaar en beroep worden ingesteld, zo bepaalt artikel 8:3 van de Awb. Wel kan de bestuursrechter de rechtmatigheid van een beleidsregel indirect toetsen, als de beleidsregel ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Dat is in deze zaak het geval.



7.1.
Voor zover het geschil gaat over de uitleg van artikel 10oa, onder b van het Besluit verwijst de rechtbank naar haar overwegingen in 9.2 tot en met 9.5 in de zaak ECLI:NL:RBNNE:2026:1854 van 21 mei 2025. Samenvattend concludeert de rechtbank dat het Instituut onafhankelijk, binnen de kaders van de Tijdelijke wet Groningen, zijn werkwijze mag bepalen. Met het stellen van de aanvullende voorwaarde is van een beperkte of onjuiste uitleg van artikel 10oa van het besluit, niet gebleken. Het Instituut heeft ook voldoende duidelijk uitgelegd dat het jaartal 2012 een politieke keuze is geweest en dat het niet stellen van een aanvullende voorwaarde in de vorm van een bouwjaar, zou leiden tot onwenselijke situaties. Daarnaast heeft het Instituut daarmee ook niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De aanvullende voorwaarde zorgt voor gelijke behandeling van alle gebouwen of werken met een bouwjaar van na 2012, binnen het hele effectgebied.



7.2.
Met betrekking tot de vraag of het Instituut zich mocht baseren op de onderzoeken van Deltares en TNO en TU Delft, overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover eiser stelt dat de in de onderzoeken gebruikte parameters te algemeen zijn, heeft het Instituut voldoende weersproken dat geen rekening is gehouden met stapeling van mijnbouw. Voor het overige heeft eiser onvoldoende concreet gemaakt welke parameters wel gebruikt hadden moeten worden. Eiser heeft dus niet voldaan aan de voor hem vereiste stelplicht. Het feit dat recentelijk nog nader onderzoek is gedaan maakt niet dat de eerdere uitkomsten van het onderzoek onjuist zouden zijn.



7.3.
Vorengaande betekent dat de rechtbank concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat de door het Instituut gebruikte onderzoeken onjuist of onvolledig zijn. Ook oordeelt de rechtbank dat de door het Instituut gestelde aanvullende voorwaarde van het bouwjaar 2012 niet onredelijk is gebleken. Omdat eiser geen gelijk heeft gekregen komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of er recht is op een vergoeding van proceskosten door inschakeling van een deskundige.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.





griffier voorzitter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:







Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit is de cirkel rondom Huizinge waar het bewijsvermoeden geldt. Zie https://www.schadedoormijnbouw.nl/regelingen/schade-aan-gebouwen-en-objecten/extra-informatie/extra-informatie/gebieden-waar-img-schade-vergoedt.


Artikel 6:177a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).


TNO & TU Delft, ‘Response to the review comments. Summarizing report on additional studies into the direct effects of deep subsidence’, 13 november 2023.


Kamerstuk II, 2022/23, 36 094, nr. 18.


Zie bijvoorbeeld ABvRVS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2309.


P. Korswagen e.a., ‘Research into the combined effects of soil strains, soil curvatures and earthquake vibrations from multiple mining activities on damage in masonry’, TU Delft 13 september 2024.


De twee gebieden die wel binnen een 6 km-gebied vallen, maar buiten de cirkel van de beving bij Huizinge in 2012.
Link naar deze uitspraak