Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:853 
 
Datum uitspraak:24-03-2026
Datum gepubliceerd:07-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/3616 26/470 en 26/471
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Eiser verzoekt de rechtbank om Wetterskip Fryslân ter verantwoording te roepen over de tariefsverhoging van de waterschapslasten. De rechtbank vat hetgeen eiser stelt op als een beroep op (schending van) de algemene rechtsbeginselen. De rechtbank toetst daarom of de tariefsverhoging in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en/of gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen (exceptieve toetsing). De rechtbank oordeelt dat zij, door onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering van het tarief van de watersysteemheffing voor zakelijk gerechtigden, niet kan beoordelen of dat tarief in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Het tarief dat voor 2024 is vastgesteld wordt daarom buiten toepassing gelaten. De watersysteemheffing voor ingezeten is ten opzichte van 2023 gedaald. Ten aanzien van deze heffing missen de beroepsgronden van eiser daarom feitelijke grondslag. De tariefsverhoging van de zuiveringsheffing doorstaat wel de exceptieve toetsing.
Trefwoorden:landbouwgrond
tarieven
waterschap
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/3616, 26/470 en 26/471


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 maart 2026 in de zaken tussen




[eiser]
, uit [woonplaats] , eiser
en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 19 juli 2024. Het gaat om drie aanslagen waterschapsbelastingen van Wetterskip Fryslân.

LEE 24/3616

1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken voor de adressen [adres 1] en [adres 2] (ligplaats) in [plaats] opgelegd (aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken).

LEE 26/470

1.2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag watersysteemheffing ingezetenen opgelegd (aanslag watersysteemheffing ingezetenen).

LEE 26/471

1.3. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd (aanslag zuiveringsheffing).

Alle zaken

1.4. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
1.5. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 2] en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 3] . Eiser heeft op de zitting een pleitnota voorgedragen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting een kopie van het bezwaarschrift overgelegd.

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres 1] en de nabij gelegen ligplaats die de heffingsambtenaar heeft aangeduid met [adres 2] .
2.1. Voor het jaar 2023 zijn de aan eiser opgelegde aanslagen watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing als volgt zijn opgebouwd:










Heffing




Gebaseerd op




Tarief




Heffingsbedrag





Watersysteemheffing ingezetenen


woonruimte


€ 107,43


€ 107,43




Zuiveringsheffing


3 vervuilingseenheden


€ 58,64


€ 175,92




Watersysteemheffing gebouwde
onroerende zaken binnendijks[adres 1][adres 2]


WOZ-waarde

€ 599.000€ 25.000




0,05702 %0,05702 %




€ 341,54€ 14,25




Totaalbedrag








€ 639,14





2.2. Op de website van Wetterskip Fryslân is op 26 juni 2023 een bericht geplaatst met de titel ‘Complexere opgaven leiden tot stijgende kosten’. In dit bericht is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Flinke investeringen nodig

Om alle taken goed te kunnen uitvoeren zijn flinke investeringen nodig in onder meer digitalisering, informatiemanagement en -beveiliging. Ook de Funderingsaanpak Fryslân en nieuwe afspraken met gemeenten over het onderhoud van stedelijk water werken door in de financiële huishouding.


De combinatie van extra investeringen en de gestegen inflatie, oplopende rente en hogere energiekosten, maakt dat de totale kosten zullen stijgen. Het dagelijks bestuur verwacht in 2024 196,5 miljoen euro nodig te hebben om alle waterschapswerk te kunnen betalen.


Stijging belastinginkomsten


Omdat we het overgrote deel van de inkomsten halen uit de heffingen voor watersysteembeheer en waterzuiveringsbeheer, heeft dit zijn uitwerking op de belastingopbrengsten die hiervoor nodig zijn. Om de begroting voor 2024 sluitend te krijgen, is een stijging van de belastinginkomsten voor watersysteembeheer met 17,4 procent en voor waterzuivering met 11,4 procent voorzien.


De uiteindelijke tarieven zullen in het najaar worden bepaald bij de vaststelling van de begroting. De afgelopen jaren konden de verhogingen onder het inflatieniveau worden gehouden door de eigen reserves aan te spreken. Die zijn nu zodanig geslonken dat het dagelijks bestuur ze alleen nog voor eenmalige uitgaven wil gebruiken.


Nieuwe kostentoedeling


De verdeling van de lasten over verschillende groepen belastingbetalers is geregeld in de zogenoemde kostentoedeling. Deze moet eens in de vijf jaar worden herzien omdat de belastingtarieven voor het watersysteembeheer zijn gekoppeld aan de WOZ-waarden van huizen en gebouwen en de waarde van landbouwgrond. Het dagelijks bestuur wil de gelegenheid aangrijpen om de onvermijdelijke lastenstijging op een evenredige wijze te verdelen over de verschillende categorieën belastingbetalers: ingezetenen, gebouwd, ongebouwd en natuur.


Kwetsbaarste groep ontzien


De belangrijkste knop waaraan we kunnen draaien is het aandeel dat wordt toegerekend aan de ingezetenen (alle bewoners in ons werkgebied). Dat wil het dagelijks bestuur terugschroeven van 28 naar 20 procent. Door het voorgeschreven rekenmodel zal het aandeel van de overige categorieën verschuiven. Dat van gebouwd (bezitters van huizen en gebouwen) zal mee door de gestegen WOZ-waardes stijgen, terwijl ongebouwd en natuur iets zullen dalen. Van Maurik : ‘De kwetsbaarste groep, de eenpersoons huishoudens met een huurwoning, wordt op deze manier ontzien.’”
2.3. Op de website van h2o waternetwerk is op 25 oktober 2023 een nieuwsbericht geplaatst met als titel ‘Waterschapslasten voor veel Friezen flink omhoog, ook bij andere waterschappen aanzienlijke stijgingen’. In dit nieuwsbericht is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“De meeste inwoners en bedrijven in Friesland zijn volgend jaar aanzienlijk meer kwijt aan het waterschap. Dat komt volgens Wetterskip Fryslân door de complexere wateropgaven. De uitgaven stijgen hierdoor in een jaar tijd van 176 miljoen naar 203 miljoen euro.

Voor bezitters van een eigen woning zal het even slikken zijn. Zo betaalt een gezin in een koopwoning volgens voorbeeldberekeningen van Wetterskip een bedrag van 507 euro in 2024, tegenover 420 euro in 2023. Dat is ruim 20 procent meer. Voor mkb-bedrijven gaat de waterschapsbelasting zelfs met bijna 33 procent omhoog (zie tabel).


Dit blijkt uit de ontwerpbegroting voor 2024 die het dagelijks bestuur op 23 oktober presenteerde. Begin november bespreekt het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân de begroting, waarna er nog aanpassingen kunnen volgen. Het algemeen bestuur stelt op 21 november de begroting definitief vast.


Lasten voor boeren omlaag


Voor bewoners van een huurhuis is er gunstiger nieuws. Eenpersoonshuishoudens betalen in 2024 gemiddeld 160 euro aan waterschapslasten, 6 euro minder dan dit jaar. Voor meerpersoonshuishoudens met een huurwoning gaan de lasten wel wat omhoog: met 5 procent. “Er is maximaal aan de knoppen gedraaid om mensen met een laag inkomen en in


huurhuizen zoveel mogelijk profijt te geven”, licht dagelijks bestuurder Rob van Maurik toe in een interview met Omrop Fryslân.


(…)


Scherpe keuzes nodig


Het is in het algemeen geen prettige boodschap, zegt Van Maurik in een bericht op de site van Wetterskip Fryslân. In juni was al bekendgemaakt dat er een forse kostenstijging aan zat te komen. “Net als alle andere waterschappen worden we geconfronteerd met opgaven en ontwikkelingen waarop we maar beperkt invloed hebben.” Volgens de begroting zal Wetterskip komend jaar 203,2 miljoen euro uitgeven, een toename met ongeveer 27 miljoen euro.


Daarvoor worden verschillende redenen aangevoerd. Door het snel veranderde klimaat is het nodig om het watersysteem aan te passen. Volgens Van Maurik vraagt dat om scherpe keuzes over bijvoorbeeld het versterken van dijken, het bergen van water en het vasthouden van zoet water.


Vanwege de eisen voor waterkwaliteit in de Kaderrichtlijn Water moet Wetterskip flink investeren in maatregelen op rioolwaterzuiveringen en voor het oppervlaktewater. Ook aan het onderhoud van de vele grote en kleine waterstaatswerken is het waterschap heel wat geld kwijt. Daarnaast worden de kosten opgedreven door algemene marktontwikkelingen, zoals inflatie, oplopende rentes, gestegen energieprijzen en de krappe arbeidsmarkt.


Streven naar stabielere tarieven


Het dagelijks bestuur wil de komende jaren gaan werken met stabielere uitgaven en een sluitende begroting. In de begroting voor 2024 zijn de uitgaven nog groter dan de inkomsten.


In verband hiermee wil het dagelijks bestuur van Wetterskip doorpakken in kwesties die in het verleden zijn vooruitgeschoven. Het uitgangspunt is dat alle vaste kosten worden betaald uit vaste inkomsten. De eigen reserves worden alleen nog aangesproken voor eenmalige uitgaven.”
2.4. Het tarief van de watersysteemheffing voor de verschillende categorieën belastingplichtigen is ten opzichte van 2023 voor het jaar 2024 als volgt gewijzigd:







Ingezetenen


15,22 % gedaald




Zij die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen (alle categorieën)


4,3 % gedaald




Zij die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht genot hebben van natuurterreinen


12,2 % gedaald




Zij die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht genot hebben van gebouwde onroerende zaken


38,53 % gestegen





2.5. Het tarief per vervuilingseenheid voor de zuiveringsheffing is voor het jaar 2024 gestegen met 17,59 % ten opzichte van 2023.
2.6. Uit de begroting van Wetterskip Fryslân voor de periode 2024-2028 volgt dat voor de baten en lasten als volgt zijn begroot:








2.7. Voor het jaar 2024 zijn de aan eiser opgelegde aanslagen watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing als volgt zijn opgebouwd:










Heffing




Gebaseerd op




Tarief




Heffingsbedrag





Watersysteemheffing ingezetenen


woonruimte


€ 91,07


€ 91,07




Zuiveringsheffing


3 vervuilingseenheden


€ 68,96


€ 206,88




Watersysteemheffing gebouwde
onroerende zaken binnendijks[adres 1][adres 2]


WOZ-waarde

€ 603.000€ 27.000




0,07899%0,07899 %




€ 476,31€ 21,33




Totaalbedrag








€ 795,59






Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de aanslagen in strijd komen met algemene rechtsbeginselen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing ingezetenen feitelijke grondslag mist. De aanslag zuiveringsheffing is niet in strijd met een algemeen rechtsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Wat zijn de standpunten van partijen?

5. Eiser verzoekt de rechtbank om Wetterskip Fryslân ter verantwoording te roepen over hoe de tariefsverhoging tot stand is gekomen en of er van redelijkheid en billijkheid sprake is. Volgens eiser heeft Wetterskip Fryslân niet geanticipeerd op processen die al jarenlang aan de gang zijn (zoals klimaatverandering en energiekosten). Deze kosten worden nu afgewenteld op huishoudens. Eiser wijst er hierbij op dat de tariefsverhoging voor de industrie en de agrarische sector aanzienlijk lager is dan voor hem.
5.1. De heffingsambtenaar brengt naar voren dat een verordening een besluit is met algemeen verbindende voorschriften. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is het niet mogelijk om een bezwaar in te dienen tegen een verordening die algemeen verbindende voorschriften bevat.
5.2. Tussen partijen is voor alle heffingen niet in geschil dat eiser belastingplichtig is en dat is voldaan aan het belastbare feit. Eiser heeft alleen gronden aangevoerd tegen de tariefstijging in 2024 ten opzichte van 2023. De rechtbank heeft de rechtsgronden van eiser aangevuld en heeft de stellingen van eiser opgevat als een beroep op (schending van) de algemene rechtsbeginselen. Daarom heeft de rechtbank exceptief getoetst of de tariefsverhoging in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en/of gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen.
5.3. Bij het innemen van zijn standpunten heeft eiser gekeken naar de lastenverzwaring als gevolg van de drie heffingen tezamen (het totale bedrag onderaan het aanslagbiljet). Uit de wettelijke regelingen volgt dat sprake is van drie verschillende heffingen die gezamenlijk op één aanslagbiljet worden opgelegd. De rechtbank moet de drie heffingen daarom afzonderlijk beoordelen.

Is de aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken in strijd met een algemeen rechtsbeginsel? (LEE 24/3616)

Wat is het wettelijk kader?

6. Het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân heeft op 17 oktober 2023 de kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Wetterskip Fryslân 2024 (de kostentoedelingsverordening) vastgesteld. De kostentoedelingsverordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2024. Artikel 2 van de kostentoedelingsverordening bepaalt dat de kosten van het watersysteembeheer als volgt worden toegedeeld:


20,0 % aan de ingezetenen;


19,1 % aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen


0,3 % aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;


60,6 % aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.


6.1. In de toelichting op de kostentoedelingsverordening is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:“Algemeen

(…)



3Toedelen van kosten aan de categorieën ingezetenen
De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De toedeling is als volgt:



bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;




bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan 1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%;




bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%.





Het behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap om binnen de aangegeven bandbreedte te bepalen wat het exacte ingezetenenaandeel wordt.





4Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke categorieën
Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald, worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt op basis van het bepaalde in artikel 120, vierde lid, Waterschapswet, plaats uitgaande van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. In het Waterschapsbesluit (Stb 2007,497) zijn ov er de waardebepaling nadere regels gesteld. De onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën is bepalend voor de kostentoedeling.


(…)



Artikelsgewijze toelichting



(…)



Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer


(…)


De inwonerdichtheid in het gebied van Wetterskip Fryslân is ongeveer 200 inwoners per vierkante kilometer. Bij deze inwonerdichtheid hoort een percentage van minimaal 20% en maximaal 30% kostenaandeel voor de categorie ingezetenen. In 2013 is besloten om het ingezetenen percentage vast te stellen op 28%. Bij de vaststelling van dit percentage is rekening gehouden met de inwonerdichtheid en de specifieke kosten van verkiezingen en heffing en invordering. De meer algemene kosten voor wonen, werken en recreëren binnen het gebied van Wetterskip Fryslân zijn eveneens verdisconteerd. Uit een eerste doorrekening met dit percentage van 28% bleken er echter grote verschuivingen plaats te vinden tussen de verschillende categorieën belastingbetalers. Door het percentage voor de categorie ingezetenen vast te stellen op 20% worden de verschuivingen enigszins gedempt en wordt een goede evenwichtige opbouw van de belastingdruk over de verschillende categorieën belastingbetalers verkregen.”


6.2.
Artikel 10, eerste lid , in samenhang gelezen met artikel 3, onderdeel c, van de Verordening op de watersysteemheffing Wetterskip Fryslân 2024 (de Verordening watersysteemheffing) bepaalt dat met inachtneming van het bepaalde in de kostentoedelingsverordening, het tarief van de heffing voor gebouwde onroerende zaken 0,07899 % van de WOZ-waarde bedraagt.

Wat is het toetsingskader?

7. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de Verordening watersysteemheffing een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin. De rechter kan en mag daarom toetsen of een bepaling uit die verordening in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zoals het evenredigheidsbeginsel. Als een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel, moet de rechter in de eerste plaats onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meewogen. Komt de rechter tot de conclusie dat die belangen niet zijn meegewogen, dan moet hij op grond daarvan ervan uit gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Als de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.



7.1.
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen als de waterschapswetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat leidt tot een lastenverzwaring in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing moet laten. Dat is slechts anders als de negatieve gevolgen van het voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.





Wat is het oordeel van de rechtbank?

8. De rechtbank stelt voorop dat voor eiser het heffingsbedrag voor de watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken ten opzichte van 2023 met 39,86 % is gestegen. Deze stijging kan slechts voor een klein deel worden verklaard door de gestegen WOZ-waarden van de woning en de ligplaats. Deze zijn gezamenlijk namelijk maar met € 6.000 gestegen (2.1. en 2.7.). Dit volgt ook uit het feit dat het tarief van de watersysteemheffing voor gebouwde onroerende zaken met 38,53 % is gestegen (2.4.). De stijging van het heffingsbedrag en het tarief kan ook niet (alleen) worden verklaard door de generieke verklaring van de toegenomen kosten en de andere manier van begroten, waarnaar wordt verwezen in het bericht op de website van Wetterskip Fryslân (2.2.) en het nieuwsbericht op h2o waternetwerk (2.3.). Voor alle andere categorieën belastingplichtigen is het tarief van de watersysteemheffing in 2024 ten opzichte van 2023 namelijk juist gedaald (2.4.). De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de toename van het tarief van de watersysteemheffing voor zij die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht genot hebben (zakelijk gerechtigden) van gebouwde onroerende zaken, voor het overgrote deel het gevolg is van de gewijzigde kostentoedeling op grond van de kostentoedelingsverordening die met ingang van het belastingjaar 2024 wordt toegepast (6.).


8.1.
De heffingsambtenaar heeft geen andere onderbouwende stukken overgelegd dan de stukken die hiervoor zijn vermeld onder 2.2, 2.3 en 6.1. De rechtbank kijkt voor wat betreft haar onderzoek (7.) dus alleen naar wat daarin is opgenomen. Daarbij gaat de rechtbank op zoek naar het antwoord op de vraag of de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen uit de categorie gebouwde onroerende zaken die door de tariefsverhoging worden geraakt, zijn meewogen.



8.2.
Uit het bericht op de website van Wetterskip Fryslân (2.2.) en het nieuwsbericht op h2o waternetwerk (2.3.) volgt dat in de kostentoedelingsverordening ervoor is gekozen om de lasten van de lage inkomens en mensen met een huurhuis zo laag mogelijk te houden. Het percentage van de kosten dat wordt toegedeeld aan de categorie ingezetenen is daarom in de kostentoedelingsverordening van 28 naar 20 procent verlaagd (6.1.). Lager dan dat percentage is wettelijk niet toegestaan. Dit heeft tot gevolg gehad dat over de resterende categorieën belastingplichtigen meer kosten moeten worden verdeeld. De heffingsambtenaar heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Per saldo worden de extra kosten (met name) door de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken gedragen. Het tarief voor deze groep is namelijk fors verhoogd, terwijl de tarieven voor de andere categorieën belastingplichtigen allemaal zijn gedaald (2.4.). Uit de berichtgeving (2.2. en 2.3.) en de toelichting bij de kostentoedelingsverordening (6.1.) volgt niet dat het algemeen bestuur bij de keuze om het percentage van de kosten die worden toegedeeld aan ingezetenen maximaal te verlagen, ook de belangen heeft meegewogen van zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken (bijvoorbeeld huiseigenaren zoals eiser). Dit terwijl de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken als gevolg van deze keuze juist, en bovendien als enige categorie, aanzienlijk meer gaan betalen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting in algemene zin naar voren gebracht dat de belangen van zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken wel zijn meegewogen, maar heeft niet kunnen aangeven waar deze belangenafweging tot uitdrukking komt.



8.3.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet inzichtelijk is geworden dat de belangen van zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken zijn meegewogen. Nergens is te vinden dat kenbaar aandacht is besteed aan (1) de absolute omvang van de lastenverzwaring voor deze categorie, (2) de relatieve omvang van de lastenverzwaring voor deze categorie, (3) de verhouding van die lastenverzwaring tot de toename van de begrotingsomvang en (4) de verdeling van de extra benodigde inkomsten over de verschillende categorieën belastingplichtigen. Met name ontbreekt een toelichting waarom de gewijzigde kostentoedeling leidt tot de aangekondigde evenredige verdeling van de lastenstijging over de verschillende categorieën belastingbetalers (zie 2.2). Een zodanige toelichting had zonder meer voor de hand gelegen, aangezien juist de categorie gebouwde onroerende zaken het leeuwendeel van de stijging van de belastinginkomsten uit hoofde van de watersysteemheffing (pakweg 20 %) voor de kiezen krijgt, door het tarief met ongeveer het dubbele daarvan (38,53 %) te verhogen terwijl alle andere categorieën buiten schot blijven.



8.4.
Gelet hierop is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering van het tarief van de watersysteemheffing voor zakelijk gerechtigden als neergelegd in artikel 10, eerste lid van de Verordening watersysteemheffing. Dit omdat de basis voor dit tarief ligt in artikel 2 van de kostentoedelingsverordening (6.2.), en dit artikel op haar beurt ook onzorgvuldig is voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.



8.5.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een forse tariefsverhoging voor zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken (2.4.). Gelet hierop zijn de negatieve gevolgen van de tariefverhoging niet zo beperkt, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen. De uitzondering als beschreven in 7.1. gaat daarom niet op.



8.6.
De rechtbank kan door de onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering niet beoordelen of artikel 10, eerste lid , van de Verordening watersysteemheffing in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Artikel 10, eerste lid , van de Verordening watersysteemheffing moet daarom buiten toepassing blijven (7.1.). Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat ook artikel 18, eerste lid , van de Verordening watersysteemheffing, waarbij de tot dan toe geldende Verordening op de watersysteemheffing Wetterskip Fryslân 2023 is ingetrokken, in zoverre buiten toepassing moet blijven. Als gevolg daarvan blijft het direct voorafgaand aan 2024 geldende tarief van toepassing. De rechtbank zal de aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken daarom verminderen tot een bedrag van € 359,23. Het beroep is gegrond.


Is de aanslag watersysteemheffing ingezetenen in strijd met een algemeen rechtsbeginsel? (LEE 26/470)

9. De rechtbank beoordeeld afzonderlijk of de aanslag watersysteemheffing ingezetenen in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel (5.3.). Voor de watersysteemheffing ingezetenen geldt dat het tarief in 2024 ten opzichte van 2023 is gedaald met 15,22 % (2.4.). De beroepsgronden van eiser, die allemaal zien op een lastenverzwaring, gaan daarom voor de aanslag watersysteemheffing ingezetenen niet op. De beroepsgronden van eiser missen dus feitelijke grondslag. Gelet hierop is het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing ingezetenen ongegrond.


Is de aanslag zuiveringsheffing in strijd met een algemeen rechtsbeginsel? (LEE 26/471)


Wat is het wettelijk kader?

10. Artikel 18 van de Verordening zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân 2024 bepaalt dat het tarief € 68,96 per vervuilingseenheid bedraagt.


Wat is het oordeel van de rechtbank?

11. De rechtbank toetst als eerste of de tariefsverhoging van de zuiveringsheffing in 2024 strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank toetst dit aan de hand van het toetsingskader zoals opgenomen in rechtsoverwegingen 7. en 7.1.



11.1.
De rechtbank stelt voorop dat het tarief van de zuiveringsheffing voor alle belastingplichtigen in gelijke mate is gestegen. Er is dus sprake van een gelijkmatige lastenverzwaring voor alle belastingplichtigen. Hierin verschilt deze lastenverzwaring dan ook van de lastenverzwaring bij de watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken, waar juist één bepaalde groep extra hard werd getroffen (8. en 8.2.).



11.2.
Uit het bericht op de website van Wetterskip Fryslân (2.2.) en het nieuwsbericht op h2o waternetwerk (2.3.) maakt de rechtbank op dat de stijging van het tarief met 17,59 % (2.5.) te maken heeft met algemene marktontwikkelingen, de eisen voor waterkwaliteit die volgen uit de Kaderrichtlijn Water en het besluit van het algemeen bestuur om met ingang van 2024 voor vaste kosten niet meer de reserves aan te spreken. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar bevestigd dat de tariefsverhoging geheel voortkomt uit de hogere kosten en de nieuwe wijze van begroten. Dit wordt bovendien bevestigd door de begroting van Wetterskip Fryslân (2.6.) waaruit volgt dat op lange termijn de reserves niet meer worden aangesproken en er in 2024 sprake is van een positief resultaat.


11.3.
De rechtbank overweegt dat uit de berichtgeving (2.2. en 2.3.) volgt dat de belangen van betrokken belastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. In het bericht dat op de website van Wetterskip Fryslân (2.2.) is geplaatst is namelijk vermeld dat inkomsten voor het overgrote deel worden gehaald uit de belastingen. De stijgende kosten hebben daarom uitwerking op de belastingopbrengsten. Het is evident dat het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân hierbij de belangen van belastingbetalers heeft meegewogen en er ook wel een beetje mee in zijn maag zat. Dit wordt bevestigd in het nieuwsbericht (2.3.) waarin een lid van het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân opmerkt dat het in het algemeen geen prettige boodschap is. Hoewel ten dele impliciet, volgt uit het voorgaande dat het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân bij de tariefsverhoging van de zuiveringsheffing de belangen van belastingbetalers heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank is de tariefsverhoging zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.


11.4.
De rechtbank toetst vervolgens of de tariefsverhoging evenredig is. Hierbij geldt als criterium dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende lastenverzwaring worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en evenwichtigheid van de regel beoordelen. Bij de inhoudelijke toetsing van regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel, moet de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt terughoudend worden beoordeeld.



11.5.
De rechtbank is van oordeel dat de tariefsverhoging niet in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar is sprake van een forse tariefstijging, maar op voorhand kan niet worden gezegd dat een absolute stijging van het tarief per vervuilingseenheid van € 10,32 excessief is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking genomen dat de meeste belastingplichtigen hooguit een drievoud van die stijging te verwerken krijgen, omdat de vervuilingswaarde van een meerpersoonshuishouden wordt vastgesteld op drie vervuilingseenheden. Ook in relatieve zin is de stijging weliswaar fors, maar niet ongefundeerd: uit de meerjarenbegroting (2.6.) volgt een stijging van de totale netto lasten van 15,6 % (van bijna € 176 miljoen naar ruim € 203 miljoen). Dan is een tariefstijging van 17,59 % echt niet zomaar uit de lucht gegrepen.



11.6.
De rechtbank weegt hierbij mee dat het een feit van algemene bekendheid is dat alle denkbare kosten de laatste jaren sterk zijn gestegen, al dan niet gedreven door aanhoudende, aanzienlijke inflatie. Daarnaast is sprake van een gelijkmatige tariefsverhoging en lastenverzwaring voor alle belastingplichtigen voor de zuiveringsheffing (11.1.). Ook volgt uit de berichtgeving (2.2. en 2.3.) dat voor het goed kunnen uitoefenen van het zuiveringsbeheer de tariefsverhoging noodzakelijk is. Uit de opmerking van het dagelijks bestuur van Wetterskip, dat er nu wordt doorgepakt in kwesties die in het verleden zijn vooruitgeschoven (2.3), leidt de rechtbank af dat er in wezen sprake is van een eenmalige, forse correctie van achterstallig tariefsonderhoud uit het verleden. Dat laatste mag ook blijken uit de meerjarenbegroting, waaruit voor de jaren na 2024 een begrote tariefstijging volgt van 3,9 % (2025), 7,5 % (2026), 2,7 % (2027) respectievelijk 2,4 % (2028). Wetterskip Fryslân heeft geen andere mogelijkheden om de kostenstijging te dekken, nu de reserves zodanig zijn geslonken dat deze niet meer voor het doel van tariefdemping kunnen worden aangesproken. Belastingplichtigen voor de zuiveringsheffing hebben bovendien belang bij een goede uitoefening van de taken van het waterschap. De heffing van de zuiveringsheffing is juist hierop gebaseerd. Als inwoner van het werkgebied van Wetterskip Fryslân heeft eiser er direct belang bij dat Wetterskip Fryslân het zuiveringsbeheer goed kan uitoefenen. Met inachtneming van de terughoudende toetsing (11.4.), kan gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van de tariefsverhoging voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.



11.7.
Ook als de tariefstijging het gevolg is van het onvoldoende anticiperen van Wetterskip Fryslân op processen die al jarenlang aan de gang zijn (zoals eiser stelt), maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders. Wetterskip Fryslân heeft namelijk de beleidsvrijheid om te kiezen wanneer zij welke investeringen doet en op welke wijze deze investeringen worden bekostigd, dit alles met inachtneming van de door de wetgever gegeven taken en bevoegdheden en binnen de getrokken grenzen. Het is niet aan de rechtbank om in deze (politieke) keuzes te treden.



11.8.
Uit dat wat de rechtbank heeft overwogen in 11.1. en 11.5. volgt ook dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De tariefsverhoging is immers in beginsel voor alle belastingplichtigen gelijk, althans op het niveau van de ongewijzigd gebleven maatstaf van heffing (vervuilingseenheid). Er is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld of van ongelijke gevallen die gelijk worden behandeld.



11.9.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de aanslag zuiveringsheffing ongegrond.


Conclusie en gevolgen


12. De tariefsverhoging voor de watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken blijft buiten toepassing vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering. De rechtbank vermindert de aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 359,23. Het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken (LEE 24/3616) is daarom gegrond. De beroepen tegen de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen (LEE 26/470) en zuiveringsheffing (LEE 26/471) zijn ongegrond.


12.1.
Omdat het beroep met zaaknummer LEE 24/3616 gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Op de zitting is afgestemd dat deze kosten bestaan uit de door eiser gemaakte reiskosten voor de reis per auto van [plaats] naar Groningen en terug. De rechtbank kent voor de reiskosten een vergoeding toe van € 46,20 (165 kilometer * € 0,28 per kilometer). De proceskosten die de heffingsambtenaar moet vergoeden bedragen dus € 46,20.



Beslissing



LEE 24/3616

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken tot een bedrag van € 359,23;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 46,20 aan proceskosten aan eiser.


LEE 26/470

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


LEE 26/471

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. F. Brekelmans, leden, in aanwezigheid van mr.J.P. Raateland, griffier.













griffier


voorzitter







Uitgesproken op 24 maart 2026.



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Artikel 8:69, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.


Waterschapswet, Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân 2024.


Als bedoeld in Hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.


Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.4.1 en Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385, r.o. 5.3.1.


Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.4.2 en Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385, r.o. 5.3.2.


((476,31 + 21,33 =) 497,64 – (341,54 + 14 ,25 =) 355,79)/355,79*100, zie 2.1. en 2.7.


Belastingopbrengsten 2023: € 164.285.000, 2024: € 197.643.000 (conform de meerjarenbegroting, 2.6.).


Vgl. Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.8.2.


€ 603.000 (WOZ-waarde woning) + € 27.000 (WOZ-waarde ligplaats) * 0,05702 % (tarief 2023).


Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.5.1 en 4.5.2.


€ 68,96 - € 58,64, zie 2.1. en 2.7.


Artikel 15, eerste lid van de Verordening zuiveringsheffing.


Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, p. 4.
Link naar deze uitspraak