|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2016:4823 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-08-2016 | | Datum gepubliceerd | : | 12-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | C-01-270288 - HA ZA 13-80 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Bewijslevering. Toewijzing vordering. | | Trefwoorden | : | erfenis | | | koopovereenkomst | | | schenking | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/270288 / HA ZA 13-800
Vonnis van 17 augustus 2016
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. R.S. Schouten te Zeist.
Partijen zullen hierna dochter en vader en moeder genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 29 juli 2015
de akte uitlating van dochter
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 november 2015
het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 22 januari 2016
de conclusie na getuigenverhoor
de antwoordconclusie na getuigenverhoor.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
a. in conventie
2.1.
Bij het vonnis van 29 juli 2015 is aan dochter opgedragen te bewijzen dat moeder in 2003 bekend was met het sluiten van en de inhoud van de overeenkomst van 6 maart 2003, althans dat voorafgaand aan het beroep op vernietiging door moeder meer dan drie jaren zijn verstreken sedert het moment dat moeder daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan en de inhoud van de overeenkomst.
Ter uitvoering hiervan heeft dochter 7 getuigen doen horen, te weten zichzelf als partijgetuige, haar kinderen [A] , [B] en [C] , [D] (de voormalige accountant van vader), en vader en moeder. In contra-enquête hebben vader en moeder hun zoon (en de broer van de dochter) [E] laten horen.
2.2.
De verklaring van dochter komt er op neer dat vader de overeenkomst van 6 maart 2003 heeft ondertekend, dat moeder daar niet bij was maar dat moeder wel telkens op een oplossing had aangedrongen. Volgens deze getuigenverklaring heeft dochter niet met moeder gesproken over het papiertje dat dochter zelf opgesteld had en heeft moeder op de verjaardag van vader op 10 maart 2003 gezegd dat ze blij was dat alles opgelost was en dat dit moet zijn gegaan over het voorstel van [F] (productie 6 bij dagvaarding). Verder heeft dochter verklaard dat zij vader en moeder daarna niet heeft gesommeerd de overeenkomst na te komen en dat moeder in de periode tot 2013 nooit heeft aangegeven dat zij niet wist van de overeenkomst van 6 maart 2003 of het briefje dat vader getekend had. Zij verklaart meer in het bijzonder:
“Maar heel concreet kreeg ik in 2008 problemen met mijn dak. Toen heb ik mijn moeder een mapje met foto’s overhandigd. Zij zou het met vader bespreken en eigenlijk zijn toen de problemen begonnen. Ik heb met hen besproken dat ik naar de notaris wilde gaan omdat als ik het dak zou opknappen het huis wel van mij moet zijn. Vader heeft toen gezegd dat ‘hij zijn kont afveegde met het briefje’. In 2008 is dit meerdere malen besproken met beide ouders, mogelijk waren daar ook de kinderen bij. Ik heb mijn ouders niet specifiek gewezen op hetgeen in de overeenkomst staat ten aanzien van het onderhoud, of dat zij het zouden of ik.
In de periode na 2008 waren er steeds woordenwisselingen. Mijn ouders gaven aan dat zij het financieel niet meer konden opbrengen. De gesprekken vonden plaats bij mij of bij hen thuis en daarbij waren steeds beide ouders aanwezig. Een tijd later, omdat we er niet uitkwamen, heeft mijn dochter met een vriend gesproken en is er besloten om samen met een derde te proberen om tot een oplossing te komen. Deze derde is de heer [G ] . Eind 2012 heb ik de gesprekken met de vriend van mijn dochter en de heer [G ] voorbereid en in 2013 zijn wij bij mijn ouders langsgegaan.
Begin 2013 heb ik samen met de heer [G ] en mijn vader en moeder gesprekken gehad over de situatie waarin wij samen beland zijn. Daarna hebben nog wel gesprekken plaatsgevonden met de heer [G ] en mijzelf, maar geen gesprekken meer waar mijn ouders bij waren. U wijst mij op productie 3 bij dagvaarding, deze brief heb ik in mijn brievenbus ontvangen en ik heb daar wel met mijn ouders over gesproken toen ik bij hen thuis was en dan verzanden wij altijd in ruzie.
U vraagt mij of in de periode tussen 6 maart 2003 en 2013 ooit door moeder is aangegeven dat zij niet wist van de overeenkomst van 6 maart of het briefje wat vader toen getekend heeft. Dat heeft zij nooit gedaan. Er is regelmatig gesproken over de overeenkomst en zij heeft nooit aangegeven dat zij daarvan geen weet had. In het gesprek dat [G ] , vader en moeder en ik hebben gehad om een oplossing proberen te vinden is de overeenkomst uitdrukkelijk aan de orde geweest. Mijn ouders gaven allebei aan dat zij geen waarde hechten aan het briefje, maar [G ] sprak dat tegen. Ook toen heeft mijn moeder niet gezegd dat ze dat briefje niet kende of niet op de hoogte was van de overeenkomst. Mijn beide ouders, en mijn moeder dus ook, hebben juist aangegeven dat zij daar niet aan konden voldoen vanwege financiële redenen.
Op vragen van mr. Schouten antwoord ik als volgt:
Tijdens een gesprek in 2012 met mijn ouders heb ik concreet gezegd dat wij een contract hadden. Ik heb het contract niet laten zien. Mijn ouders hebben toen gezegd dat ik het huis uit moest, maar ik heb hen toen geantwoord dat zij het huis aan mij verkocht hadden en dat daar een briefje van was, een overeenkomst. Mijn vader heeft toen geantwoord dat hij geen waarde hechtte aan dat briefje. Ik ben in 2012 naar de notaris gegaan, dit was voor het gesprek met de heer [G ] en heb toen van de notaris vernomen dat het briefje wel degelijk waarde had. Met deze boodschap ben ik teruggegaan naar mijn ouders en heb toen tegen hen gezegd dat wij samen tot een oplossing moesten komen, omdat zij het huis volgens de notaris aan mij verkocht hadden. Toen heb ik het briefje ook niet aan mijn ouders laten zien.
Tijdens het eerste gesprek tussen de heer [G ] , mijn ouders en ik bij hen thuis, heeft de heer [G ] het briefje laten zien.”
2.3.
De getuige [D] , die volgens zijn verklaring tot 1 juli 2003 de accountant van vader was, heeft verklaard dat hij gebruikelijk alleen contact had met vader, dat de producties 5 en 6 bij dagvaarding van zijn hand zijn en dat hij het niet eens was met de schenkingspassage uit productie 6, maar dat vader dat wilde. De overeenkomst van 6 maart 2013 kent hij niet, daaraan heeft hij geen herinnering en die zit ook niet in het dossier van [F] dat hij heeft gekregen. De getuige verklaart daarover: “Als ik het wel gehad zou hebben, dan zou het voor de hand hebben gelegen dat ik de overeenkomst ook zou hebben laten uitvoeren.”
2.4.
Moeder heeft als getuige verklaard dat zij de overeenkomst van 6 maart 2003 voor het eerst heeft gezien bij een bijeenkomst bij haar zoon [E] op kantoor, 1 jaar eerder dan het getuigenverhoor. [G ] was daar bij en liet dit “briefje” toen zien. [G ] was daarvoor bij haar thuis geweest, maar heeft toen het briefje niet laten zien. Dit was volgens haar verklaring de eerste keer dat zij dit briefje zag. Moeder verklaart dat zij productie 5 bij dagvaarding niet eerder had gezien. Zij verklaart verder: “Tijdens het gesprek bij ben op kantoor toen het briefje op tafel werd gelegd door [G ] werd ik zoals gezegd emotioneel. Het stuk wat toen op tafel werd gelegd was namelijk niet hetzelfde stuk als onze accountant had gemaakt” en “ Zoals gezegd legde [G ] toen de overeenkomst van 6 maart 2003 neer. Pa bleek de woning al aan [H] verkocht te hebben. Dat was voor mij nieuw, ik was verbaasd en verdrietig. Er was weer iets gebeurd, zonder dat ik het wist. In dit verband vraagt onze raadsman nog eens of ik dan wel de stukken van februari 2003 kende waarin een voorstel van mijn man stond. Ik had die stukken toen niet en ik kende ze ook niet. Ik wist daar niets van”.
Over de verjaardag van vader in 2003 heeft moeder verklaard dat dochter met haar verjaardag of die van vader altijd wel kwam en dat zij, moeder, op die verjaardag niet heeft gezegd dat alles was opgelost. Verder heeft zij verklaard dat zij productie 5 bij dagvaarding niet eerder heeft gezien.
2.5.
Vader heeft als getuige verklaard dat hij de verkoop van het huis aan dochter niet met zijn vrouw besproken heeft en dat hij het stuk van 6 maart 2003 niet heeft getekend. Hij heeft volgens zijn verklaring wel productie 6 bij dagvaarding aan zijn dochter laten toekomen, waarna er niks is gebeurd.
2.6.
[A] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment van zijn moeder heeft begrepen dat er een koopovereenkomst was getekend voor het huis en dat hij daarna een keer meegegaan is naar vader en moeder [familienaam] . Hij verklaart verder dat hem nog bijstaat dat mevrouw [eiseres] tegen hem zei dat het fijn was dat het afgehandeld was en dat hij begreep dat het om de koopovereenkomst ging.
2.7.
[B] heeft verklaard dat zijn moeder hem heeft verteld van het briefje en de inhoud daarvan en dat na het tot stand komen van de overeenkomst de spanning in de contacten met oma en opa een heel eind wegviel.
2.8.
[C] heeft verklaard dat haar moeder (eiseres) een keer heeft verteld dat opa een briefje had getekend, dat er op neer kwam dat haar moeder het huis kocht en dat ook een deel van de erfenis daarin was verwerkt. Daarna was het weer fijn om naar opa en oma te gaan. Daarover verklaart zij: “Oma heeft tegen mij gezegd dat ze blij was dat het opgelost was en dat ze het fijn vond om ons te zien. Ik kan mij echt herinneren dat ze dit heeft gezegd en dat ze dankbaar was dat opa het briefje getekend had. Ik herinner me dat omdat het voor mij een bijzondere gebeurtenis was.”
2.9.
Zoon [E] heeft als getuige verklaard dat de kwestie van het huis waar zijn zus in woonde altijd een punt is geweest en dat zijn vader daar elk jaar over begon met de accountant. Als dat probleem zou zijn opgelost, dan zou hij dat meteen tegen mij verteld hebben, zo verklaart deze getuige en hij voegt daar aan toe dat zijn vader met al zijn problemen naar hem toe kwam.
[E] heeft verder verklaard dat zijn ouders op en na de verjaardag van vader in 2003 ook niet hebben gezegd dat dat het probleem met zijn zus was opgelost, dat de kinderen van zijn zus dat ook nooit tegen hem gezegd hebben en dat zijn vader in de jaren na 2003 ook nog elk jaar bij de accountant begon over het huis van zijn zus.
De getuige verklaart over het gesprek met [G ] waar zijn moeder bij was onder meer het volgende:
“Op een gegeven moment in de zomer van een jaar heb ik een bespreking gehad met [G ] . Dat was op een zaterdag ochtend, nog voor 10.00 uur, dus voordat de zaak open ging. Aanvankelijk zou ik alleen met [G ] spreken, maar ik vond het beter dat mijn moeder er ook bij was, zodat er niet achteraf iets verkeerds kon worden gezegd over wat daar besproken was. Ik heb mijn moeder uitgenodigd, omdat zij goed kan luisteren en goed stil kan zijn. Mijn vader heeft altijd hele verhalen. De bedoeling van dit gesprek was dat ik openheid van zaken zou geven over de financiële relatie tussen mij en mijn ouders. Mijn vader had eens gezegd dat hij mij het bedrijf in [plaats] had gegeven. Zo is het echter niet gegaan. Ik heb het bedrijf voor 750 000 gulden gekocht en daarna nog nieuwbouw neergezet voor 750 000 gulden. Ik had een hypothecaire schuld van anderhalf miljoen gulden, zonder borg of hulp van mijn vader. Ik hoopte dat als ik openheid van zaken zou geven aan [G ] , dat mijn zus wat duidelijkheid zou krijgen en niet zou denken dat ik bevoordeeld was.
Tijdens dat gesprek heb ik mijn betoog gedaan over de financiële situatie en de VOF-constructie. Ook daaruit bleek dat ik geen voordeel had. Toen dat besproken was, ben ik ook begonnen over het huis waar [H] in woonde. Ik heb als mogelijke oplossing van het probleem aangedragen dat het huis door haar aangekocht zou worden of dat zij het zou verkopen en dat zij dan de meerwaarde zou krijgen. In het verslag van [G ] van het gesprek staat dat ik heb voorgesteld dat het huis zou worden verkocht aan [H] voor het bedrag dat mijn ouders ervoor betaald hadden, vermeerderd met de kosten die in de loop der tijd gemaakt waren. Dat klopt. [G ] antwoordde daarop: ‘we hebben een probleem, het huis is al van haar’. Hij zei dat er al een overeenkomst was tussen [H] en mijn vader. Ik dacht toen dat hij me afblufte, maar als het zo was, dan zou ik van die overeenkomst geweten hebben. Ik vroeg het aan mijn moeder en die zei dat ze van geen overeenkomst wist. [G ] overeenkomst was en dat hij daarvan een bewijs had, een brief die mijn vader getekend had. Er viel volgens hem niks meer te verkopen of te handelen. Ik wilde dat bewijs wel zien en toen heeft [G ] het briefje/overeenkomst aan mij en mijn moeder laten zien. Wij schrokken daarvan. Mijn moeder trok lijkbleek weg en zei dat ze er niets van wist . Vervolgens is [G ] weggegaan met de stukken die ik over de financiële situatie verzameld had. Ik heb daar met mijn moeder over gesproken. Ze moest huilen en zei dat ze hier niks van af wist. Ze zei dat vader zoveel deed wat zij niet wist. [G ] heeft geen concreet voorstel gedaan tijdens die bespreking. Hij zag wel dat wij geschrokken waren. Mr. Van Kooten houdt mij pagina 3 van het verslag van [G ] voor. Daarin staat dat ik een voorstel zou hebben gedaan en dat er een afspraak zou zijn gemaakt en dat er uitsluitsel zou worden gegeven. Het klopt dat ik een voorstel heb gedaan, maar het gesprek is niet afgesloten met een afspraak. Nu u dit dicteert zeg ik u dat ik wel degelijk aan u verklaard heb dat het gesprek wel is afgesproken met een afspraak, namelijk dat we erop terug zouden komen.
Ik heb mijn vader geconfronteerd met de mededeling van [G ] . Hij ontkende dat hij een overeenkomst getekend had. Ik ben daar meerdere malen bij hem op terug gekomen. Hij bleef volhouden dat hij niet getekend had.
Mr. Van Kooten haalt nog aan een schriftelijk stuk van 27 juni 2013 van [G ] . Naar aanleiding daarvan merk ik op dat ik nimmer een afschrift van de overeenkomst toegezonden heb gekregen of gezien heb. [G ] had wel toegezegd tijdens de bespreking dat ik een afschrift zou krijgen, maar dat is niet gebeurd.”
2.10.
Dochter had al eerder een schriftelijke verklaring van [G ] , adviseur van dochter in 2013, in het geding gebracht, waarin onder het volgende staat:
“Eind april hebben de ouders telefonisch contact gezocht met [H] waarin ze
aangaven dat er naar een oplossing gezocht moest worden i.v.m. de ontstane situatie
ter zake van het pand. De ouders gaven er de voorkeur aan dat [H] het huis kocht
ten einde voor hen de ontstane financiële problemen op te lossen.
Op 6 mei (zie bijlage brief 1) is vanuit [H] en de kinderen aangegeven dat ze er
voor open staan met verwijzing naar de overeenkomst uit 2003.
Mei 2013 (zie bijlage brief 2) Ouders hebben [H] benaderd met het verzoek een
adviseur in de hand te nemen en een gesprek aan te gaan om samen tot een oplossing
te komen betreffende het woonhuis.
22 mei (zie bijlage brief 3) [H] geeft aan bereid te zijn voor een gesprek met
adviseur en ze stelt voor een afspraak te maken.
6 juni (zie bijlage brief 4) Waarin [H] aangeeft dat er geen reactie is geweest van
de kant van de ouders. Zij adviseert de ouders om zich, in deze complexe zaak, te
laten bijstaan door een adviseur. Ter verduidelijking wordt een uiterste datum
genoemd ten einde dit verzoek niet te vrijblijvend te laten zijn. Er is kort telefonisch
contact en er wordt een datum afgesproken. Deze afspraak wordt echter de avond
daarvoor door de ouders afgezegd.
Omdat daarna reactie vanuit de ouders uitbleef, heb ik kort telefonisch overleg heb
gehad met de heer [gedaagde 1] waarin hij o.a. het bestaan van de voormelde overeenkomst
ontkende.
Daarop heb ik de overeenkomst naar hem toegezonden en daarbij opnieuw verzocht
per omgaande te reageren (zie bijlage 5). Dit laatste met name ingegeven door het feit dat er (tijds) druk op het dossier gehouden moest worden omdat de ouders dreigden
met de bank die van plan zou zijn het huis te verkopen aan derden. Omdat er wat de
bank betreft geen enkele toelichting door de ouders werd verstrekt konden wij
( [H] ) niet anders handelen zoals geschiedt.
Op 5 juli komt er een brief (zie bijlage 6 van de ouders) waarin het een en ander
uitgelegd word vanuit het verleden en waarin benadrukt wordt dat ze naar een goede
oplossing voor beide partijen willen.
……
Op 15 juli is er een gesprek met [E] , mevrouw [eiseres] en mij geweest. Daarbij heeft
[E] een schrijven overhandigd (zie bijlage 7) waarin hij een uiteenzetting geeft van
wat hij in het verleden gedaan heeft en verkregen. In dit gesprek is de huidige situatie
besproken en gaf [E] aan ook naar een oplossing te willen zoeken. Daarbij zou alles
uit het verleden een keer uitgepraat en rechtgezet moeten worden, maar wel in de
context dat er vooraleerst een oplossing richting bank zou moeten komen. Daarbij
heeft [E] letterlijk gezegd dat, als er geen andere oplossing zou komen, hij zelf het
pand zou kopen.
Om toch een opening te bieden heeft [E] voorgesteld om het pand aan [H] te
verkopen voor de toenmalige aankoopprijs van vader vermeerderd met de kosten en
rente van de latere jaren. Hieruit zou een bedrag komen wat dan door [H]
beoordeeld zou worden op mogelijke haalbaarheid.
Ik heb daartegenover gesteld dat de overeenkomst voor [H] ook een prijs bevat.
M.a.w. partijen zouden nagaan of hieruit een oplossing kan komen. [E] zou dit
voorstel nog met de ouders nader bespreken. Mevrouw [eiseres] was echter bij het
gesprek aanwezig en heeft aldus het voorstel aangehoord.
Omstreeks 15 augustus zou [E] of ouders uitsluitsel geven. Helaas is er geen reactie
gekomen en heb ik drie keer gebeld met de zaak en daarbij aangegeven dat het van
groot belang was dat [E] mij terugbelde. Dit is helaas uitgebleven.
Daarop volgend heb ik contact gezocht met de ouders en uiteindelijk een afspraak
kunnen plannen tussen de ouders, [H] en mij.
Daarbij heb ik aangehaald dat in beginsel [H] op basis van de inhoud van het
document hetgeen destijds is overeengekomen kan eisen. De heer [gedaagde 1] gaf aan dat
[H] het pand voor €500.000 zou kunnen verkrijgen, daarmee de inhoud van het
document negerend.
Uiteindelijk is het voorstel gedaan om na te gaan of u bereid was om voor een bedrag
ad €250.000 het huis aan uw [H] te verkopen met het voorbehoud dat u [H] een
benodigde financiering kon verkrijgen. Op maandag 26 augustus zou u daarover
uitsluitsel geven. Omdat ook nu reactie uitbleef heb ik op woensdag 28 augustus
gebeld en van mevrouw [eiseres] vernomen dat men niet op dit voorstel ingaat.”
2.11.
De brief van vader en moeder, waaraan [G ] refereert, bevat onder meer de volgende passage:
“Voor de volledigheid willen wij hierbij mededelen dat zo ver er sprake zou zijn geweest van aanbiedingen door mij als vader in het verleden, dat al deze aanbiedingen door mij worden ingetrokken en dus vanaf dit moment zijn vervallen
Zowel onze gezondheid als financiële positie zijn dusdanig veranderd door al die jaren heen dat er opnieuw gezocht moet worden naar een voor ieder goede regeling”.
2.12.
Als vertrekpunt geldt dat vast staat dat vader de overeenkomst met dochter d.d. 6 maart 2013 heeft ondertekend en dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, te weten de overeenkomst van 6 maart 2003 (r.o. 3.4.5. van het vonnis van 28 januari 2015). Voor zover van de zijde van vader en moeder wordt volgehouden dat dit anders is wordt daaraan voorbijgegaan. Het cruciale punt is echter of moeder in 2003 bekend was met het sluiten én de inhoud van de overeenkomst, althans of ten tijde van de vernietiging meer dan 3 jaren waren verstreken sedert het moment dat moeder daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan en de inhoud van de overeenkomst. Nu de vernietiging is ingeroepen bij conclusie van antwoord van 22 januari 2014 betekent dit dat in feite bewezen moet worden dat moeder uiterlijk 21 januari 2011 bekend was met de overeenkomst en de inhoud daarvan. Er zijn, voor zover van belang, drie mogelijkheden: 1) moeder was in het geheel niet op de hoogte van het sluiten van een overeenkomst door vader met dochter, 2) zij wist wel dat er een koopovereenkomst tot stand was gekomen, maar zij kende de bepalingen van de borgtocht en de schenking niet of 3) zij was van alles op de hoogte. De tweede mogelijkheid is niet door vader en moeder moeder gesteld en de getuigenverklaring van moeder houdt in dat zij pas wist dat vader de woning aan dochter verkocht had toen [G ] in een gesprek met [E] en haar in 2013 de overeenkomst toonde. Indien komt vast te staan dat moeder al voor 22 januari 2011 wist van een overeenkomst, dan moet daarom worden aangenomen dat zij ook wist van de borgstelling en schenking. Het tegendeel kan immers alleen worden aangenomen indien dat gesteld is en het verweer is niet dat moeder alleen de borgstelling en/of schenking niet kende.
2.13.
Aan de overeenkomst van 6 maart 2003 is een -volgens de verklaring van [D] door hem opgesteld- voorstel van 24 februari 2003 voorafgegaan, ondertekend door vader. Daarin is al sprake van een waarde van fl. 800.000,00, een schenking voor de helft en een borgtocht van vader voor de hypotheek van dochter. Bij e-mail van 27 februari 2003 heeft dochter aan [D] een aantal vragen gesteld, waaronder de volgende: “Borg voor een hypotheek door [gedaagde 1] . Hoe lang loopt die? Kan die worden ingetrokken, door hemzelf of na overlijden van de erfgenamen?” Daarop heeft [D] op 5 maart 2003 als volgt geantwoord: “na overleg met uw vader kan ik de door u gestelde vragen beantwoorden… In principe is een borgstelling altijd en op ieder moment in te trekken. Als dit gebeurt zal de bank bekijken of zij de lening zonder borgstelling willen continueren. Als de bank dit niet wil, zullen ze op dat moment je vader verplichten om de lening af te lossen.”
In de overeenkomst van 6 maart 2003 is opgenomen dat de borg onherroepelijk is en niet zal worden opgezegd.
2.14.
[D] heeft verklaard dat hij gebruikelijk alleen contact had met vader, zodat in beginsel niet valt uit te sluiten dat moeder niets wist van de voorstellen die vader in 2003 heeft gedaan. Uit de verklaring van moeder dat zij tijdens het gesprek bij [E] op kantoor emotioneel werd toen het briefje op tafel werd gelegd, omdat het stuk wat toen op tafel werd gelegd niet hetzelfde stuk was als de accountant had gemaakt, moet echter worden opgemaakt dat moeder wel wist van het voorstel van de accountant. Daarmee is ook in overeenstemming dat het voorstel van 24 februari 2003 door vader mede namens moeder is getekend en dat hij het in de handgeschreven tekst heeft over “wij”. In dat stuk staan de borgtocht en schenking al genoemd.
2.15.
Onder deze omstandigheden is niet erg aannemelijk dat vader het sluiten van de overeenkomst van 6 maart 2003 voor moeder verborgen zou hebben gehouden. Daarbij passen ook de verklaringen van de kinderen van de dochter, [A] en [C] , die er op neerkomen, in onderling verband en samenhang bezien, dat moeder (hun oma) kort daarna tegen hen heeft gezegd dat zij blij was dat het opgelost was.
2.16.
Uit de schriftelijke verklaring van [G ] blijkt dat hij de overeenkomst op 27 juni 2013 aan vader en moeder heeft toegezonden. Daarop is een brief gevolgd van vader en moeder, waarin weliswaar niet staat dat moeder kennis heeft genomen van de overeenkomst, maar uit de hiervoor opgenomen passage uit die brief (r.o. 2.11.) moet worden opgemaakt dat zij daarmee kennelijk reageerden op informatie van [G ] en die passage past heel goed bij de ontvangst door de ouders van een brief van 27 juni 2013. In die passage wordt niet aangegeven dat er geen overeenkomst zou zijn gesloten of dat moeder daar niets van wist.
2.17.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat is komen vast te staan dat moeder al voor 22 januari 2011 wist van de overeenkomst. De verklaring van de dochter als partij-getuige sterkt de rechtbank in dat oordeel. Dat [D] niets meer over deze kwestie heeft gehoord kan deels worden verklaard uit zijn pensioen per 1 juli 2003. Verder geldt dat nu eenmaal vaststaat dat vader de overeenkomst van 6 maart 2003 heeft getekend en daarvan [D] om onduidelijke redenen niet op de hoogte heeft gesteld, net zo min als hij zijn zoon [E] dat kennelijk heeft verteld. De getuigenverklaring van vader dat hij zijn vrouw niets heeft gezegd en dat zij van de overeenkomst niets wist acht de rechtbank niet bruikbaar. Het getuigenverhoor verliep zeer moeizaam en vader heeft verklaard dat hij aan geheugenproblemen leed ten tijde van het getuigenverhoor.
2.18.
De getuigenverklaring van [E] kan aan het voorafgaande niet dan wel onvoldoende afdoen. Hij wist blijkens zijn verklaring in het geheel niets af van een overeenkomst. Dat moeder lijkbleek werd toen [G ] de overeenkomst liet zien brengt nog niet mee dat dat was omdat zij niets wist van een overeenkomst.
2.19.
Dan resteert de verklaring van moeder zelf. Zij weerspreekt dat zij al jaren wist van de overeenkomst, maar in het licht van de meer objectieve bewijsmiddelen hecht de rechtbank daaraan geen geloof.
2.20.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat dochter in het bewijs is geslaagd. Dat brengt mee dat het beroep van moeder op vernietiging is verjaard. Gelet op hetgeen de rechtbank in de vonnissen van 28 januari 2015 en 29 juli 2015 heeft overwogen en beslist betekent dit dat dochter recht heeft op levering van de woning aan haar op basis van de voorwaarden van de overeenkomst van 6 maart 2003 (prod. 2 bij dagvaarding, aangehaald onder r.o. 3.2. van het vonnis van 28 januari 2015). Omdat er een groot aantal voorwaarden moeten worden vervuld en van in ieder geval één daarvan onduidelijk is of daaraan kan worden voldaan, te weten het verkrijgen van een hypotheek door de dochter (waarbij van belang is dat de woning kennelijk nog steeds is belast met een recht van hypotheek ten behoeve van de bank en nog onduidelijk is of de bank royement zal verlenen), zal de rechtbank de termijn waarbinnen levering van de woning moet plaatsvinden op twee maanden stellen. De vordering van dochter om -indien vader en moeder hun medewerking aan de overdracht van de woning niet verlenen- te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van vader en moeder is als op de wet gegrond toewijsbaar, als hierna onder de beslissing weergegeven. Hierbij wordt opgemerkt dat de koopsom van € 181.512,00 onder de notaris moet zijn gestort voordat overdracht moet worden gerealiseerd.
2.21.
Dochter vordert vader en moeder te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 596,25 voor verschotten en € 452,00 voor salaris advocaat.
2.22.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten (overigens) tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
b. in reconventie
2.23.
Gelet op de beslissing in conventie is de vordering in reconventie niet toewijsbaar. De rechtbank verwijst naar r.o. 3.13 van het tussenvonnis van 28 januari 2015.
2.24.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
In conventie:
3.1.
veroordeelt vader en moeder binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis over te gaan tot notariële levering aan dochter van de woning aan de [adres] , gemeente [gemeente] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , groot 42 are en 83 centiare, onder de voorwaarden zoals neergelegd in de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst d.d. 6 maart 2003 (aangehaald in r.o. 3.2. van het vonnis van 28 januari 2015) en onder de voorwaarde dat de koopsom van € 181.512,00 onder de notaris is gestort,
3.2.
bepaalt dat, indien vader en moeder ondanks de betekening van dit vonnis weigerachtig zijn om aan de in de punt 3.1. genoemde veroordeling te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte notariële akte, doch enkel voor wat betreft de instemmende wilsverklaringen van vader en moeder,
3.3.
veroordeelt vader en moeder in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.048,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie:
3.6.
wijst het gevorderde af,
In conventie en in reconventie:
3.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|