|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:2332 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 12091256 CV EXPL 26-119 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Rechtsmacht en kredietwaardigheid | | Trefwoorden | : | kredietovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12091256 \ CV EXPL 26-1199
Vonnis van 19 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
BONDORA A.S.,
te Tallinn (Estland),
eisende partij,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
1.2.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.
2De beoordeling
2.1.
Nu de eisende partij in het buitenland gevestigd is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
2.2.
De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van de in deze zaak toepasselijke verordening Brussel I-bis (Verordening (EU) nr. 1215/2012), nu de gedaagde partij, woonplaats heeft in Nederland.
2.3.
Dan is de vraag welk recht van toepassing is op de overeenkomst tussen partijen en daarmee op de vordering. In dit geval is sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 6 Rome I (Verordening (EG) nr. 593/2008). Daarom kan een rechtskeuze worden gemaakt voor een ander recht dan het recht van het land van de gewone verblijfplaats van de consument (in dit geval Nederland). Deze keuze mag er niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het Nederlands recht.
2.4.
De eisende partij heeft in de algemene voorwaarden een rechtskeuzebeding opgenomen: “(…)16.1 De Leningsovereenkomst wordt beheerst door de wetgeving van de Republiek Estland, tenzij anders vereist door Nederlands dwingend toepasselijk recht (…)” De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit beding niet voldoet aan de vereisten die gelden voor een rechtskeuzebeding. Dit geldt te meer nu de eisende partij zelf stelt dat een rechtskeuze is gemaakt voor de wetgeving van Estland, zodat het beding blijkbaar zo uitgelegd wordt door de eisende partij zelf. Het gevolg is dat het beding niet geldig is, omdat het beding onvoldoende duidelijk maakt dat de gedaagde partij eveneens bescherming geniet op grond van de dwingende bepalingen van het Nederlands recht. Dan is niet het Ests recht, maar (alleen) het Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst en de vordering van de eisende partij. Dat de eisende partij toepasselijkheid van het Nederlands recht aanvaardt, maakt het voorgaande niet anders. Of enkel het Nederlands recht van toepassing is, is afhankelijk van de geldigheid van de rechtskeuze die de eisende partij zelf in haar voorwaarden heeft opgenomen.
2.5.
Verder blijkt uit productie 3 onvoldoende dat een kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. De kantonrechter is daarom voornemens om de kredietovereenkomst te vernietigen, wegens het ontbreken van een kredietwaardigheidstoets.
2.6.
De eisende partij krijgt de gelegenheid zich uit te laten over de geldigheid van de rechtskeuze, de vraag of een kredietwaardigheidstoets heeft plaats gevonden en zo ja, op welke wijze deze heeft plaatsgevonden, met een duidelijke onderbouwing, en wat het gevolg is voor haar vordering in het geval dat de kredietovereenkomst wordt vernietigd.
2.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 16 april 2026 voor een akte aan de zijde van de eisende partij;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Zie ook HvJ EU 14 september 2023, C-821/21 (Club La Costa e.a.). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|