Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2504 
 
Datum uitspraak:22-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/1472 en 25/1486
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingswet. Uitwegvergunning Uden. Onduidelijkheid over wat er is vergund.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 25/1472 OWBOUW en SHE 25/1486 OWBOUW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaken tussen

SHE 25/1472 [eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1,


SHE 25/1486



[eiser 2]
, uit [woonplaats] , eiser 2,
(gemachtigde: [naam] )

hierna samen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst,
(gemachtigden: mr. A.H.A.C. Waals en [naam] ).

Als derde partij neemt aan deze zaken deel: [naam], uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een uitwegvergunning. Het college heeft deze vergunning aan de vergunninghouder verleend. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij maken zich onder meer zorgen over de verkeerstechnische aspecten van de te realiseren uitweg en de consequenties ervan voor de put van een aanwezige drukriolering en de aanwezige afwatering. Ook vinden zij dat de uitweg in strijd is met het omgevingsplan.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel niet duidelijk is wat het college precies heeft vergund. Daarom is ook niet duidelijk of de uitweg in strijd is met het omgevingsplan. Verder is niet duidelijk van welke bestaande legale situatie het college is uitgegaan en dus of het college de juiste afwegingen heeft gemaakt. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 4 december 2024 een aanvraag ingediend voor het maken, hebben of veranderen van twee uitwegen aansluitend op de Knokerdweg in Uden . Het college heeft deze aanvraag met zijn besluit van 19 december 2024 toegewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 zijn de daartegen door eisers ingediende bezwaren ongegrond verklaard.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [naam] (echtgenote van eiser 1), de gemachtigde van eiser 2 en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank


Inleiding


3. Het gaat in deze zaak over een uitwegvergunning ter legalisering van een uitweg die al is aangelegd. Deze uitweg dient ter ontsluiting van twee uitritten die worden gescheiden door een zaksloot. Eén uitrit ontsluit een perceel dat formeel aan de [naam] is gelegen en de ander ontsluit het naastgelegen perceel aan de Knokerdweg. De vergunninghouder heeft de twee losse uitwegen die er eerder lagen samengevoegd en – door middel van het dempen van het uiteinde van de zaksloot – dieper doen liggen ten opzichte van de Knokerdweg, zodat er een soort parkeerhaven is ontstaan.


3.1.
Eisers worstelen met de vraag wat er precies door het college is vergund en of dat niet in strijd is met het omgevingsplan. De rechtbank deelt die worsteling. Bij de bespreking van de beroepsgronden legt de rechtbank dat uit. Eerst maakt de rechtbank een paar algemene opmerkingen over de regels die van toepassing zijn en wat er in de vergunning staat.


Toetsingskader


4. Ten tijde van het bestreden besluit waren de regels voor een uitwegvergunning in de gemeente Maashorst te vinden in artikel 5:3 van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Maashorst (de Verordening). Op grond van het eerste lid van dit artikel is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken of te hebben naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt dit verbod als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



4.1.
Op grond van artikel 5:3, derde lid, van de Verordening, moet het college de vergunning weigeren als de te realiseren uitweg in strijd is met het omgevingsplan.



4.2.
Op grond van artikel 5:3, derde lid, van de Verordening, kan het college de vergunning weigeren in het belang van:



het veilig en doelmatig gebruik van de weg;


de bescherming van het uiterlijk aanzien van de weg;


de bescherming van groenvoorzieningen;


het behoud van openbare parkeerplaatsen.





4.3.
Op de datum van het bestreden besluit was op de locatie van de vergunde uitweg het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied Uden’ (het Veegplan) van toepassing. Het Veegplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan. Hierna wordt de verbeelding van het Veegplan ter hoogte van de projectlocatie weergegeven:









4.4.
De grijze vlakken hebben de bestemming ‘Verkeer’. De groene vlakken hebben de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ (hierna kort: ‘Agrarisch’). Beide vlakken vallen binnen de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – aardkundig waardevol gebied’.


Hoe ziet de vergunde uitweg eruit?




4.5.
De verleende vergunning stelt als voorschrift dat de uitweg moet voldoen aan de normen en eisen van een standaard bedrijfsuitweg, nader omschreven in een bijlage bij de vergunning. Ook staat opgenomen dat de uitweg moet worden aangelegd in overeenstemming met de in de aanvraag opgenomen verbeelding. Dit is de uitweg zoals deze is vergund en waar de rechtbank in deze uitspraak van uit moet gaan. De in de aanvraag opgenomen verbeelding is hieronder weergegeven. De dubbele blauwe lijn is in de legenda omschreven als ‘beoogde uitweg conform standaard bedrijfsinrit’:








Is de vergunde uitweg in strijd met de agrarische bestemming?


5. Eiser 2 voert aan dat de vergunning niet had kunnen worden verleend omdat een gedeelte van de vergunde uitweg ligt op de bestemming ‘Agrarisch’ in het Veegplan. Op deze bestemming zijn op grond van artikel 4.1, onder n, van het Veegplan slechts onverharde paden, wegen en groenvoorzieningen toegestaan. Aangezien het bestreden besluit niet voorziet in het vergunnen van een afwijking van het omgevingsplan, is de vergunde uitweg daarmee in strijd. Dit betekent dat het college de vergunning had moeten weigeren op grond van artikel 5:3, derde lid, van de Verordening fysieke leefomgeving Maashorst. Het college heeft in bezwaar uitsluitend getoetst aan het bestemmingsplan ‘Partiële herziening buitengebied 2017’, maar dat was niet meer van kracht. Het college had moeten toetsen aan het Veegplan. Het college heeft daarom in strijd gehandeld met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel.



5.1.
Het college heeft in zijn verweerschrift onderkend dat de werkzaamheden ten behoeve van de vergunde uitweg ook op het bestemmingsvlak ‘Agrarisch’ zullen worden verricht. Ook heeft het college onderkend dat het de aanvraag in bezwaar had moeten beoordelen aan de hand van het Veegplan en niet aan het oude bestemmingsplan. Volgens het college betreffen de op de agrarische bestemming vergunde werkzaamheden echter niet het verharden van paden of wegen. Op zitting heeft het college aangevuld dat deze werkzaamheden bestaan uit het herstel van de zaksloot. Volgens het college betreft het een uitweg die wordt teruggebracht in de oude situatie.



5.2.
Deze beroepsgronden slagen. De rechtbank legt hierna uit waarom.



5.3.
De in de vergunning voorgeschreven standaard uitweg veronderstelt dat het gehele oppervlak van de uitweg dient te bestaan uit verharding. Dat heeft het college op zitting bevestigd. Ook heeft het college zowel in het bestreden besluit als in beroep naar voren gebracht dat de bestaande uitweg met ongeveer 80 centimeter wordt verbreed. Dat suggereert, gelet op de in de vergunning opgenomen verbeelding van de aangevraagde uitweg en de planverbeelding, dat de vergunde uitweg ook op de agrarische bestemming ligt en dat er dus verhardingswerkzaamheden plaats zullen vinden op deze bestemming. Het college heeft niet goed uitgelegd waarom dit niet het geval is. Dat, zoals het college zegt, de op de agrarische bestemming uit te voeren werkzaamheden uitsluitend zakslootwerkzaamheden betreffen, kan namelijk niet kloppen. De zaksloot bevindt zich immers uitsluitend op de bestemming ‘Verkeer’ en niet op de bestemming ‘Agrarisch’. Dat blijkt duidelijk uit de planverbeelding. Het college heeft met deze verklaring dus niet inzichtelijk gemaakt wat maakt dat hij met het bestreden besluit geen verharding op de agrarische bestemming heeft vergund. Het college heeft het bestreden besluit dus niet zorgvuldig voorbereid. Als het college het bestreden besluit wel zorgvuldig heeft voorbereid, dan heeft het college het bestreden besluit niet goed gemotiveerd. Het besluit wordt daarom vernietigd.



5.4.
Bij het nemen van een nieuw besluit dient het college nader te bezien in hoeverre de te realiseren uitweg leidt tot activiteiten die in strijd zijn met de bestemming ‘Agrarisch’. Als de te realiseren uitweg inderdaad in strijd is met deze bestemming, dan moet het college op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving eerst bezien of een afwijking van het omgevingsplan kan worden vergund.


Is de vergunde uitweg in strijd met de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – aardkundig waardevol gebied’?


6. Eiser 2 voert verder aan dat de vergunde uitweg in strijd is met de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – aardkundig waardevol gebied’. De bij deze gebiedsaanduiding horende planregels staan namelijk geen verharding toe die groter is dan 100 m2. De uitweg als zodanig omvat weliswaar een oppervlak kleiner dan 100 m2, maar als het verharde oppervlak van de uitrit die door de uitweg wordt ontsloten wordt opgeteld, dan wordt de 100 m2 overschreden. Verder voert eiser 2 aan dat het bestreden besluit veronderstelt dat een deel van de aanwezige zaksloot wordt gedempt, althans dat een deel van de zonder vergunning uitgevoerde demping wordt gelegaliseerd. Ook dat is in strijd met het Veegplan, voor zover daarin het aanleggen, dempen of wijzigen van waterlopen, sloten en greppels is verboden. Het college heeft noch ten aanzien van de totale oppervlakteverharding, noch ten aanzien van de demping van de zaksloot kenbaar afgewogen of sprake is van strijd met het omgevingsplan.



6.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft in het bestreden besluit volstaan met de constatering dat de vergunde uitweg een kleiner oppervlak dan 100 m2 beslaat en dat het college slechts over de uitweg dient te beslissen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de bestaande uitrit, die niet op gemeentelijke grond ligt, vergunningvrij ‘kan zijn’. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het zich niet hoeft uit te laten over de rechtmatigheid van de bestaande verharding ter plaatse. Met deze motivering miskent het college echter de kennelijke bedoeling van de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – aardkundig waardevol gebied’, namelijk dat een overschrijding van de 100 m2 aan oppervlakteverharding door het bevoegd gezag dient te worden getoetst aan de op deze gebiedsaanduiding betrekking hebbende planregels. Daarmee is niet verenigbaar dat een bestaande oppervlakteverharding wordt vergroot tot een omvang van meer dan 100 m2 door steeds verhardingen aan te brengen in stappen die op zichzelf bezien beneden de 100 m2 blijven. Het college had daarom na moeten gaan of de bestaande verharding van de uitrit – voor zover rechtmatig aangebracht – en de verharding die met het bestreden besluit wordt vergund opgeteld boven de 100 m2 uitkomen. Door dit na te laten, heeft het college het besluit onzorgvuldig voorbereid.



6.2.
Ook ten aanzien van de zaksloot slaagt de beroepsgrond. In het besluit van 19 december 2023 wordt met zoveel woorden aangegeven dat ‘een stukje van de gedempte sloot weer in de oude toestand wordt gebracht’. Op de zitting heeft het college herhaald dat deze werkzaamheden onderdeel uitmaken van de uitwegvergunning. Daaruit volgt dat de sloot niet geheel in de oude toestand wordt gebracht en dat de demping dus wordt gelegaliseerd voor zover deze in het begrenzingsgebied van de vergunning valt. Het college heeft niet kenbaar afgewogen in hoeverre deze legalisatie in overeenstemming is met de relevante aardkundige planregels.



6.3.
Daarnaast is het voor de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de aanvraag inderdaad het gedeeltelijk in de oude toestand terugbrengen van de sloot omvat, zoals het bestreden besluit veronderstelt. De aanvraag beschrijft niet welke werkzaamheden dit zijn, welke omvang ze zullen hebben en waarom ze van belang zijn voor de vergunde activiteit, namelijk de realisatie van de vergunde uitweg. De verbeelding van de te realiseren uitweg bevat weliswaar een blauwe lijn die een verlegging suggereert van de zwarte lijn die de zaksloot markeert, maar deze blauwe lijn valt buiten het begrenzingsgebied van de uitwegvergunning. Het is dus onduidelijk wat de vergunning regelt over het ongedaan maken van het dempen van de zaksloot en op welke grondslag dat is gebaseerd.



6.4.
Het college zal in het nieuw te nemen besluit alsnog moeten bezien in hoeverre het de demping van de zaksloot heeft gelegaliseerd en in hoeverre deze legalisering en de vergunde oppervlakteverharding in overeenstemming zijn met de met betrekking tot de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – aardkundig waardevol gebied’ geldende regels.


Heeft het college het belang van de verkeersveiligheid op de juiste wijze beoordeeld?


7. Eiser 1 voert aan dat de uitweg niet in het belang is van het veilig en doelmatig gebruik van de weg. Volgens eiser 1 is de situatie ter plaatse reeds verkeersonveilig. Door de uitweg komt er veel extra verkeer op de Knokerdweg. Hierdoor doen zich regelmatig gevaarlijke situaties voor, ook omdat het een sluiproute vormt. Dit heeft het college niet goed afgewogen.



7.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft in het bestreden besluit weliswaar aandacht besteed aan de verkeersveiligheid, maar de motivering behelst niet meer dan dat de uitweg in overeenstemming met de standaarduitrit dient te worden uitgevoerd en dat sprake is van een vergunde wijziging van twee bestaande uitwegen. Die motivering is niet begrijpelijk. Bij de beoordeling van de verkeersveiligheidsaspecten van de vergunde uitweg moet het college de nieuwe, met het bestreden besluit te ontstane situatie vergelijken met de situatie zoals deze zonder het bestreden besluit is, de zogeheten referentiesituatie. Daarbij mag het college niet uitgaan van de feitelijke situatie, voor zover deze illegaal is.


7.1.1.
Het college heeft in zijn besluitvorming kennelijk verondersteld dat de referentiesituatie bestaat uit twee aparte uitwegen voor twee uitritten en dat deze uitwegen met het bestreden besluit worden samengevoegd tot één uitweg. Dat is volgens het college een verbetering. Het college heeft echter niet uitgelegd hoe deze veronderstelling zich verhoudt tot de door eisers in het geding gebrachte, door het college aan de vergunninghouder gestuurde brief van 16 november 2023. In deze brief schrijft het college dat de vergunninghouder de uitrit en de uitweg van de Kooldertweg tot de Knokerdweg zonder vergunning heeft aangelegd en dat zowel de uitrit als de uitweg in strijd zijn met de geldende bestemmingen. Dat suggereert dat in de referentiesituatie één uitweg was vergund. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom het college bij de beoordeling van de verkeersveiligheidsaspecten is uitgegaan van een referentiesituatie van twee uitwegen.




7.2.
In het nieuw te nemen besluit dient het college te verhelderen waarom het ervan uitgaat dat de bestaande uitweg ten behoeve van de uitrit van het perceel aan de Kooldertweg richting de Knokerdweg deel uitmaakt van de referentiesituatie. Als deze uitrit niet deel uitmaakt van de referentiesituatie, dan dient het college met inachtneming van de juiste referentiesituatie te beoordelen of het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg zich verzet tegen het verlenen van de aangevraagde uitwegvergunning.


Verkeerslawaai


8. Eiser 1 maakt zich zorgen over verkeerslawaai. Ter zitting heeft eiser 1 toegelicht dat zijn zorg met name is gelegen in het verkeerslawaai dat wordt veroorzaakt doordat er wordt geparkeerd op de uitweg.



8.1.
Het college heeft toegelicht dat de parkeerhaven die momenteel deel uitmaakt van de uitweg niet is vergund en bij herstel van de zaksloot niet meer aanwezig zal zijn. Het college voert aan dat, wat daarvan zij, verkeerslawaai geen relevant aspect is bij de beoordeling van de aanvraag.



8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verkeerslawaai geen grond vormt om de uitwegvergunning te weigeren.


Heeft het college voldoende rekening gehouden met de put van de drukriolering?


9. Eiser 1 maakt zich zorgen over de consequenties van de te realiseren uitweg op de put van de drukriolering aan de – vanuit de uitrit bezien – rechterhoek van de bestaande uitweg. Volgens eiser 1 bedraagt de afstand van de bestaande uitweg tot de put 47 centimeter. Aangezien onduidelijk is aan welke zijde van de uitweg de voorgenomen verbreding van 80 centimeter plaatsvindt, is ook onduidelijk welke consequenties de verbreding heeft voor de put.



9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het al of niet overlappen van de uitweg met de aanwezige put van de drukriolering is voor het college geen relevante afweging voor het verlenen van een uitwegvergunning.


Illegale B&B


10. Eiser 1 voert aan dat de uitweg ten dienste staat van een illegale Bed & Breakfast op het terrein van vergunninghouder. Aangezien de Bed & Breakfast niet legaal is, maakt vergunninghouder volgens eiser geen aanspraak op een bedrijfsuitrit – en dus op twee uitwegen – zoals bedoeld in de Uitvoeringsregels uitwegen gemeente Maashorst 2023 (de Uitvoeringsregels).



10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat vergunninghouder op de ontsloten percelen naast de Bed & Breakfast ook een ander bedrijf exploiteert en dat de beide percelen zijn voorzien van een bedrijfsbestemming. Het aantal na vergunning gerealiseerde uitwegen is dus in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, onder a, van de Uitvoeringsregels. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het aantal uitwegen in lijn met de Uitvoeringsregels heeft beoordeeld.


Had het college in het besluit moeten wijzen op andere benodigde vergunningen?


11. Eiser 2 betoogt verder dat het college ten onrechte heeft nagelaten om vergunninghouder te wijzen op andere vergunningplichten die van toepassing zijn op de uitvoering van het door vergunninghouder voorgenomen project. Deze plicht leest eiser 2 in de artikelen 3:2 en 3:19 van de Awb.



11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.



11.2.
Een bestuursorgaan moet bij de verlening van – onder andere – een uitwegvergunning bevorderen dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit. Dat is geregeld in artikel 3:19, eerste lid, van de Awb. Uit formulering van deze verplichting (‘bevordert’) en de parlementaire geschiedenis bij de voorloper van deze bepaling – artikel 3:20 van de Awb (oud) – kan worden afgeleid dat sprake is van een inspanningsverplichting. In het parlementair debat is destijds weliswaar de vraag opgeworpen of het niet wenselijk is om een resultaatverbintenis in het leven te roepen, maar daarvan is door de indieners van het wetsvoorstel – de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – bewust afgezien. De Ministers hebben voor zorgen over niet-naleving van deze bepaling nadrukkelijk verwezen naar de algemene controle door de volksvertegenwoordiging en de mogelijkheid om een klachtenprocedure te doorlopen. Het wetsvoorstel is niet geamendeerd. Bij de hernummering van artikel 3:20 van de Awb (oud) naar het nieuwe artikel 3:19 van de Awb is op deze uitgangspunten niet teruggekomen.



11.3.
Gelet op de hiervoor beschreven strekking van artikel 3:19 van de Awb ziet de rechtbank in een niet-naleving van een inspanningsverplichting, wat hier verder ook van zij, geen aanleiding om het besluit te vernietigen.




Conclusie en gevolgen

12. De beroepen van eisers zijn gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college opnieuw een beslissing moet nemen op de bezwaren van eisers. Daarbij moet het college rekening houden met wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. De rechtbank zal het college hiervoor een termijn geven van 12 weken.


12.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om de geconstateerde gebreken in het besluit te herstellen. De reden daarvoor is dat de rechtbank het belangrijk vindt dat de nieuwe beslissing op bezwaar zorgvuldig wordt genomen. Er spelen namelijk meerdere besluitvormingstrajecten rondom de percelen van vergunninghouder waar vergelijkbare vragen spelen over de rechtmatigheid van de uitritten en uitwegen. Het college heeft ter zitting laten weten dat het in gesprek wil gaan met alle betrokken partijen. Het is praktischer als alle trajecten in dezelfde periode worden afgerond.



12.2.
Omdat het bestreden besluit wordt vernietigd, veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten die eiser 2 heeft gemaakt voor beroepsmatig verleende bijstand. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal wordt dus een bedrag van € 1.868,- toegekend.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 mei 2025;
- draagt het college op om binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser 1 te vergoeden;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser 2 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 2 tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



In het bestreden besluit door te verwijzen naar het advies van de bezwaaradviescommissie, in beroep op pagina 3, nummer 2, van het verweerschrift.


Dat staat in 37.2.1, aanhef en onder f, van het Veegplan.


Dat staat in artikel 37.2.1, onderdeel c, van het Veegplan.



Kamerstukken II 2007/8, 30 980, nr. 6, p. 1-2.



Kamerstukken I 2007/8, 30 980, C, p. 5-6.



Kamerstukken II 2018/19, 35 256, nr. 3, p. 34-35.
Link naar deze uitspraak