Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:4681 
 
Datum uitspraak:02-07-2026
Datum gepubliceerd:17-07-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/926
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wegens de inwerkingtreding van de stalderingsregeling in de Verordening ruimte Noord-Brabant onvoldoende is gemotiveerd. Het planschadeadvies van de door het college van GS ingeschakelde deskundige had niet aan het besluit ten grondslag mogen worden gelegd.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
geurhinder
intensieve veehouderij
koeien
omgevingsvergunning
paarden
perceel
planschade
stallen
varkens
varkenshouderij
varkensstallen
veehouderij
vleesvarkens
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/926

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eisers], uit [vestigingsplaats], eisers
(gemachtigde: mr. L.A. Pronk),

en


het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. P.F. van Liempt).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het planschadeadvies van Gloudemans van 17 december 2024 niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Bij besluit van 4 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het college een aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. 3. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 heeft het college de bezwaren van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder verbetering van de motivering.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank


Relevante wet- en regelgeving


7. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.


Vooraf


8. Op 15 juli 2017 is het gestelde schadeveroorzakende besluit “Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017” (de Verordening) in werking getreden. Op deze peildatum en ten tijde van de aanvraag van 17 september 2020 hadden eisers een gemengd agrarisch bedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] in eigendom. Het bedrijf had op de peildatum een vergunning voor het houden van 553 stuks vleesvarkens, 47 stuks melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee, 25 stuks fokstieren en 90 stuks paarden.

9. Ter plaatse van het perceel aan de [adres] te [vestigingsplaats] gold ten tijde van de inwerkingtreding van de Verordening het bestemmingsplan “Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied". Aan de gronden was de enkelbestemming “Agrarisch-1” toegekend. Op grond hiervan was bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak toegestaan.

10. Op 7 juli 2020 is het bestemmingsplan “Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied” vastgesteld, waarbij aan het perceel de bestemming “Agrarisch”, de aanduiding ‘bouwvlak’ met de functieaanduiding “intensieve veehouderij” is toegekend. Een toename van een bestaande oppervlakte aan dierenverblijf voor een hokdierhouderij kan op grond van dit bestemmingsplan slechts worden toegestaan als elders binnen hetzelfde stalderingsgebied een oppervlakte van ten minste 110% van de beoogde toename door sloop of herbestemming is gesaneerd. Dit vloeit voort uit de zogenoemde stalderingsregeling die de raad van de gemeente Deurne vanwege de inwerkingtreding van de Verordening in dit bestemmingsplan heeft opgenomen.

11. Eisers hebben bij brief van 10 juni 2021 verzocht om tegemoetkoming in de planschade die zij in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak hebben geleden door de inwerkingtreding van de Verordening. Ter toelichting hiervan hebben zij aangevoerd dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan “Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied” er nog ruime bebouwingsmogelijkheden waren binnen het bouwvlak van ongeveer 15.000 m2, omdat dit bouwvlak voor minder dan de helft is bebouwd. Die bebouwingsmogelijkheden zijn echter door de inwerkingtreding van de stalderingsregeling, zoals opgenomen in artikel 34 gelezen in samenhang met artikel 26.1 van de Verordening, beperkt.


Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

12. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.


12.1.
De door eisers in de aanvraag aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Totstandkoming van het bestreden besluit


13. Het college heeft bureau Gloudemans gevraagd om te adviseren over de aanvraag. Op 28 september 2022 heeft Gloudemans een definitief advies uitgebracht. Gloudemans stelt dat artikel 35 van de Verordening een rechtstreekse weigeringsgrond bevat, zodat sprake is van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro. Geadviseerd wordt echter geen tegemoetkoming in de schade toe te kennen, omdat niet is gebleken van een planologische beperking met een objectief te bepalen waardedaling tot gevolg.



13.1.
Het college heeft bij het primaire besluit het verzoek om tegemoetkoming afgewezen. Volgens het college bevat artikel 35 van de Verordening geen rechtstreekse weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, onder c, of artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, zodat primair een wettelijke grondslag voor planschade ontbreekt. Subsidiair heeft het college het advies van Gloudemans aan zijn besluit ten grondslag gelegd.



13.2.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 februari 2024 waaruit volgt dat artikel 35 van de Verordening ruimte Noord-Brabant een weigeringsgrond bevat als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro, heeft het college in het bestreden besluit de stalderingsregeling als een oorzaak van planschade aangemerkt.
Vanwege het advies van de hoor- en adviescommissie voor bezwaarschriften en klachten Noord-Brabant tot gegrondverklaring van het bezwaar heeft het college Gloudemans opnieuw, nadat eerder op 20 september 2023 een aanvullende notitie naar aanleiding van het bezwaar was uitgebracht, om een aanvullend advies gevraagd. In het advies van 17 december 2024 stelt Gloudemans dat gelet op de bestemmingsplanregels en de bestaande bebouwing redelijkerwijs nog circa 6.000 m2 maximaal binnen het bouwvlak bebouwd kan worden. Het betreft hier een relatief courant bouwvlak met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Volgens Gloudemans is weliswaar sprake van een planologische beperking, maar leidt die niet tot schade. Gelet op de per peildatum vergunde dieraantallen stelt Gloudemans dat het object/de onroerende zaak per peildatum onvoldoende courant was om het als gespecialiseerd bedrijf in de markt te zetten. Blijkens de vergunde ruimte waren er volgens Gloudemans onvoldoende groeimogelijkheden om rendabel in extra dierenverblijven te investeren, althans overwogen is dat een redelijk denkend en handelend koper zo zou redeneren. Een fictieve ondernemer zou zijn vergunning moeten kunnen uitbreiden om extra dierenverblijven te kunnen plaatsen. De stalderingsregeling heeft enkel betrekking op de intensieve veehouderij (hokdieren). In onderhavige casus zou dat de varkens betreffen en niet een uitbreiding van koeien en paarden. Gloudemans stelt daarom als uitgangspunt te hebben gehanteerd dat het onbenutte bouwvlak ten behoeve van de uitbreiding van de varkenshouderij zou worden ingezet. Vervolgens wijst Gloudemans erop dat de onroerende zaak een gemengd bedrijf betreft met diverse aanwendings-mogelijkheden, waaronder varkens, koeien en paarden, en dat er bij een (fictieve) verkoop voor en na de peildatum een brede groep, gelijkblijvende, groep kopers/huurders in de onroerende zaak geïnteresseerd zou zijn, zodat de waarde niet negatief beïnvloed wordt. Gloudemans schat de prijs per m2 van het onbebouwde bouwvlak onmiddellijk voor en na de planologische wijziging in op een bedrag van € 30,00 per m2.


13.3.
Het college heeft het advies van Gloudemans van 17 december 2024 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Bespreking beroepsgronden


14. Eisers stellen dat het (aanvullende) advies van Gloudemans inhoudelijke gebreken vertoont en dat zij hierop niet voor het nemen van het bestreden besluit hebben kunnen reageren. Gloudemans heeft niet beoordeeld wat de meest relevante gebruiksmogelijkheden zijn en hoe deze zich tot de andere gebruiksmogelijkheden verhouden. Daarbij heeft Gloudemans niet erkend dat het gaat om een beperking van de bestaande uitbreidingsmogelijkheden voor het bouwen van stallen. Verder miskent Gloudemans volgens eisers dat de aard van de planschade is gelegen in de noodzaak om tegen meerkosten over een – verplicht – stalderingsbewijs te beschikken alvorens gebruik gemaakt kan worden van de bestaande uitbreidingsmogelijkheden voor stallen. Zij wijzen erop dat enerzijds in het advies wordt erkend dat er nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden zijn binnen het bouwvlak, terwijl anderzijds wordt gesteld dat het niet realistisch zou zijn om hun bedrijf als gespecialiseerd bedrijf in de markt te zetten zodat het bedrijf zijn hoogste waarde ontleent aan het feitelijke (bestaande) gebruik. Eisers leiden hieruit af dat Gloudemans in wezen stelt dat een uitbreiding van de bestaande oppervlakte aan stallen voor hokdieren met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Zij kunnen zich hier niet in vinden, temeer niet omdat Gloudemans tevens heeft gesteld dat het object op de peildatum een interessant object was voor een koper die zijn bedrijf wil uitbreiden door middel van nieuwbouw en/of op het onbebouwde vlak en het bedrijf een ondergemiddeld aantal melk- en kalfkoeien en een sterk ondergemiddeld aantal vleesvarkens had. Bij de beoordeling had moeten worden uitgegaan van de reële maximale invulling van de planologische mogelijkheden, waarvoor geldt dat geen sprake was van een objectieve belemmering om dit te realiseren. Gloudemans heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt in welke mate de hokdierhouderij van belang is voor de waarde van het bedrijf van eiser. Het feit dat er nog goede gebruiksmogelijkheden van een perceel overblijven, betekent niet dat het perceel niet in waarde is gedaald. Volgens eisers had dit gekwantificeerd moeten worden.


14.1.
Het college stelt dat het het advies van Goudemans, inclusief aanvullende notities, aan het afwijkende besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Als het deskundigenadvies al tegenstrijdigheden of onduidelijkheden zou bevatten, dan is de conclusie van de deskundige volgens het college helder: de ondernemer lijdt geen schade omdat de onroerende zaak een gemengd bedrijf betreft met diverse aanwendingsmogelijkheden, waaronder varkens, koeien en paarden. Bij een (fictieve) verkoop voor en na de peildatum zou een brede groep, gelijkblijvende, groep kopers/huurders in de onroerende zaak geïnteresseerd zijn.14.2. Volgens vaste rechtspraak mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het college de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.



14.3.
De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht hebben gesteld dat het college onvoldoende is nagegaan of het advies van Gloudemans van 17 december 2024 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
In het advies heeft Gloudemans gesteld dat wat betreft een eventueel in te schatten (fictieve) waardedaling is uitgegaan van de ‘highest and best use’ onmiddellijk voor en na de planologische wijziging per peildatum. Daarvan is sprake indien een onroerende zaak zijn hoogste waarde ontleent aan het huidige gebruik of vergelijkbaar gebruik, omdat de bestaande opstallen hierop zijn toegesneden. Het gegeven dat de planologische situatie meer ruimte biedt, heeft in een dergelijk geval geen of minder gevolgen voor de waarde. De rechtbank kan dit uitgangspunt zonder nadere motivering niet volgen, omdat in hetzelfde advies tegelijkertijd staat dat het hier een relatief courant bouwvlak betreft met voldoende uitbreidingsmogelijkheden en daarmee een interessant object was voor een koper die zijn bedrijf wil uitbreiden door middel van nieuwbouw en/of op het onbebouwde bouwvlak. Gloudemans heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom uitbreiding van de varkensstallen geen reële kans van slagen had ten tijde van de peildatum.Verder heeft Gloudemans in zijn advies aangegeven dat over het algemeen geldt dat de waarde en ook een waardedaling te koppelen is aan de potentiële aanwendings-mogelijkheden en hieraan te verbinden kring van koop- of huurgegadigden. Neemt deze kring van koopgegadigden af, dan is het aannemelijk te stellen dat inherent hieraan de waarde afneemt. Ook is in het advies gesteld dat bij afnemende gebruiksmogelijkheden kan blijken dat de onroerende zaak nog steeds courant is, maar dat dit niet automatisch betekent dat de waarde niet is gedaald. Gloudemans stelt in zijn advies dat de groep kopers/huurders die interesse heeft in de onroerende zaak gelijkblijvend is na de peildatum. De rechtbank is van oordeel dat eisers hier terecht vraagtekens bij hebben gezet, omdat niet kan worden uitgesloten dat kopers/huurders die varkens willen houden van koop/huur afzien vanwege de stalderingsregeling. Zij zullen hierdoor immers meerkosten moeten maken ingeval zij de varkensstallen binnen het bouwvlak willen uitbreiden. De stalderingsregeling is daarmee een belemmerende factor die kan maken dat van de mogelijkheid om binnen het bouwvlak nieuwe varkensstallen te realiseren minder of niet meer gebruik zal worden gemaakt. In dat kader is ook van belang dat Gloudemans niet heeft aangegeven of alle gebruiksmogelijkheden even zwaar wegen. In zijn advies stelt Gloudemans immers zelf dat indien de vervallen gebruiksmogelijkheden de meeste relevante mogelijkheden betreffen waaraan de onroerende zaak de hoogste waarde ontleent, de planologische wijziging ook in dat opzicht van invloed kan zijn op de ontstane planschade. Er dient dan zowel een kwantitatieve vergelijking als een kwalitatieve vergelijking te worden gemaakt. Die ontbreekt hier, zoals eisers terecht hebben aangegeven. Dat het perceel vanwege de gebruiksmogelijkheden voor koeien en paarden nog steeds courant is, betekent niet dat het dan niet in waarde is gedaald door de inwerkingtreding van de Verordening.



14.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college het advies van Gloudemans van 17 december 2024 niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd, omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De beroepsgrond dat eisers het advies van Gloudemans van 17 december 2024 niet voor het nemen van het bestreden besluit hebben gekregen en hierop dan ook niet hebben kunnen reageren, behoeft hierom geen verdere bespreking.




Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Dit betekent dat het college opnieuw een besluit moet nemen over het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.


15.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.







Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 maart 2025;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eisers.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: wettelijk kader


Wet ruimtelijke ordening




Artikel 4.1
1. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie.
2. Tenzij bij de verordening een andere termijn wordt gesteld, stelt de gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening een bestemmingsplan of een beheersverordening vast met inachtneming van de verordening.
3. Bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.



Artikel 6.1
1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
a. een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;
(…);
e. een bepaling van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, of van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, voor zover die bepaling een weigeringsgrond bevat als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder c, of 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
(…);4. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
(…).



Verordening ruimte Noord-Brabant


Artikel 26
1. In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
b. de oppervlakte van de sanering onder a. ten minste 110 procent bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;
c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a, en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij), bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
b. de oppervlakte van de sanering onder a. ten minste 110 procent bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.
4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 35
1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende bepalingen:
a. een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf is alleen toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;


II. de maatregelen als bedoeld onder I., in ieder geval voldoen aan de nader door Gedeputeerde Staten gestelde regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, en artikel 7.3, derde lid;


III. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving,


IV. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 procent en in het buitengebied niet hoger is dan 20 procent, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;


V. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;


VI. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.(…).
3. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 26.1, tweede lid, geldt binnen de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten van een gebouw of het in gebruik nemen van een gebouw voor het houden van hokdieren, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
b. de oppervlakte van de sanering onder a. ten minste 110 procent bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
(…).





In de Verordening ruimte Noord-Brabant, gepubliceerd op 12 juli 2017, opgenomen in artikel 35.


ECLI:NL:RVS:2024:719.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2784.
Link naar deze uitspraak