|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:5031 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | SHE 25/1319 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Het college heeft aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd onder andere in verband met aangebrachte oppervlakteverharding en opgerichte bouwwerken op percelen met de bestemming ‘Natuur’. De rechtbank is van oordeel dat het college handhavend kon optreden tegen de in strijd met het bestemmingsplanen en zonder omgevingsvergunning aangebrachte verharding en opgerichte bouwwerken. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | san | | | vrijstelling | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1319
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] ,
eiseres,
(gemachtigde: mr. M. Obers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel,
het college
(gemachtigden: mr. I. Dirks en mr. G. Davoodi).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiseres wegens verschillende overtredingen op de aaneengesloten percelen kadastraal bekend gemeente [naam] , sectie [nummer] en nummer [nummer] (de percelen). Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de bij besluit van 7 oktober 2024 opgelegde last onder dwangsom gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Buitengebied Son en Breugel” en “Buitengebied: Herziening 2017’’ van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Son en Breugel. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
3.1.
Uit het overgangsrecht met betrekking tot bestuurlijke sanctiebesluiten volgt dat wanneer het bestuursorgaan het bestuurlijk sanctiebesluit nà 1 januari 2024 heeft genomen, dat op die besluitvorming de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing zijn.
Dat is hier het geval. Het primaire besluit is op 7 oktober 2024 genomen.
3.2.
Met de artikelen 22.26, 22.27 en 22.28 van het omgevingsplan (de bruidsschat) worden bouwactiviteiten die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vergunningplichtig waren voor het bouwen onder de Omgevingswet vergunningplichtig voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hiermee wordt geborgd dat deze bouwactiviteiten, net als onder de Wabo, worden getoetst aan de ruimtelijke regels. Voor de meeste bouwwerken is dus een omgevingsvergunning benodigd voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
3.3.
Op grond van de bestemmingsplannen hebben de percelen de bestemming ‘Natuur’ met de dubbelbestemming ‘Waarde Beschermingszone natte natuurparel’. De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor extensief recreatief medegebruik.
Vooraf
3.4.
Eiseres heeft de percelen op 1 september 2011 gekocht. Bij een controle op de percelen op 9 augustus 2023 is geconstateerd dat er op diverse plaatsen verharding is aangebracht en dat er diverse bouwwerken staan. Bij een controle op 4 oktober 2023 is geconstateerd dat er op de percelen een veertiental bouwwerken aanwezig waren die in strijd zijn met de bestemming ‘Natuur’ die op de percelen rust en dat delen van de percelen in strijd met het bestemmingsplan zijn verhard en dat de percelen in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt als moes-, bloemen,- en kruidentuin en ook voor horeca, detailhandel, workshops en verblijfsrecreatie. Op 20 november 2023 is eisers aangeschreven om aan de overtredingen een eind te maken. Zij kan dit doen door de moestuin, de kruidentuin en de bloementuin te verwijderen. Ook dient eiseres de bomen, struiken, planten en bloemen te verwijderen die niet van nature in het natuurgebied Nuenens Broek en Breugelsche Beemden voorkomen. Ook dient eiseres de oppervlakteverhardingen te verwijderen en het gebruik van de percelen als theetuin en brocantewinkel te staken. Het gebruik van perceel [nummer] voor workshops en verblijfsrecreatie moet worden gestaakt en de vuurplaats en toebehoren moeten worden verwijderd. Tot slot dient eiseres veertien in de bijlage van de brief genoemde bouwwerken die in strijd zijn met het bestemmingsplan te verwijderen en verwijderd te houden.
3.5.
Bij een controle op 17 januari 2024 is door de toezichthouder op afstand geconstateerd dat er geen bouwwerken of opstallen waren verwijderd. In verband met de sneeuw kon niet worden geconstateerd of de verharding was verwijderd. Bij een controle op 7 maart 2024 is geconstateerd dat een tuinhuisje dat werd gebruikt voor opslag van gereedschap was verwijderd. De andere bouwwerken stonden nog op de percelen.
3.6.
Op 4 april 2024 is aan eiseres een vooraankondiging gezonden van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. Na een door eiseres tegen het voornemen ingediende zienswijze heeft het college bij besluit van 7 oktober 2024 een last onder dwangsom opgelegd om de bouwwerken die in strijd zijn met het omgevingsplan te verwijderen en om de activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan te beëindigen. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten.
3.7.
De in het besluit van 7 oktober 2024 aan eiseres opgelegde last luidt als volgt:
“Wij vragen u dringend om vóór 7 april 2025 de overtreding(en) te beëindigen en beëindigd te houden door:
- de percelen niet meer te gebruiken als moestuin, kruidentuin en bloementuin. Dit kan bereikt worden door de moestuin, de kruidentuin en de bloementuin te verwijderen en verwijderd te houden;
- alle bomen, struiken, planten en bloemen die niet van nature voorkomen in het
natuurgebied Nuenens Broek en Breugelsche Beemden te verwijderen en verwijderd te houden,
- het gebruik van het perceel met kadastraal nummer [nummer] voor verblijfsrecreatie
(overnachten) te staken en gestaakt te houden;
- de bouwwerken en toebehoren, zowel in als rondom de bouwwerken, die in strijd zijn met het omgevingsplan te verwijderen en verwijderd te houden. Het gaat dan om de bouwwerken die in de bijlage bij deze brief zijn opgenomen, met uitzondering van de insectenhotels en de bijenkasten;
- de oppervlakteverhardingen te verwijderen en verwijderd te houden.
(…) Als u niet binnen de genoemde termijn aan deze last voldoet, verbeurt u van rechtswege een dwangsom.
Voor wat betreft het strijdig gebruik (moestuin, kruidentuin en bloementuin) is het een dwangsom van €1.000,- per maand, met een maximum van €6.000,-.
Voor wat betreft de strijdige bouwwerken is het een dwangsom van €3.000,- per maand, met een maximum van €18.000,-.
Voor wat betreft het aanbrengen van de oppervlakteverharding is het een dwangsom van
€ 1.000,- per maand, met een maximum van €6.000,-”
Beroepsgronden
Overgangsrecht
3.8.
Eiseres doet een beroep op het overgangsrecht omdat het zogenaamde kookgebouw al vanaf de vroege jaren tachtig aanwezig is en niet is veranderd en dat er toen al een tuin was en er ook toen reeds verharding was aangebracht. Eiseres heeft dat volgens haar aangetoond met oude foto’s van de vorige eigenaar, waarop de data vermeld staan waarop de foto’s zijn genomen. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” uit 1987 was de bestemming van perceel [nummer] ‘Bosgebied met wetenschappelijk waarde’ en bestemd voor andere dagrecreatie en houtproductie. Op dit perceel staan geen bouwwerken, wel wordt er hout opgeslagen. Perceel [nummer] had de bestemming ‘Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met agrarisch gebruik’ en bestemd voor onder andere extensieve dagrecreatie en houtproductie. Op grond van artikel 6 A, onder II mochten met ontheffing bouwwerken worden geplaats met een oppervlakte van maximaal 50 m². Op perceel [nummer] staan de bouwwerken die er al vele decennia staan. Het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” kent een voor die tijd gebruikelijk ruime overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik waarop eiseres haar overgangsrechtelijk claim baseert.
3.9.
Het college stelt zich op het standpunt dat naar vaste rechtspraak op grond van gebruiksovergangsrecht het gebruik in strijd met de nieuwe bestemming mag worden
voortgezet, mits het strijdige gebruik plaatsvond op het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. Het gebruik mag wel verminderen, maar daarna niet meer toenemen. Ook mag het strijdige gebruik niet langer dan een jaar worden onderbroken.
Verder mag het gebruik niet in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan. Uit luchtfoto’s blijkt dat het gebruik dat plaatsvond op het perceel met kadastraal nummer [nummer] vanaf 2011 grotendeels is verplaatst naar het perceel met kadastraal nummer [nummer] . Hierdoor kan geen geslaagd beroep op het overgangsrecht worden gedaan.
3.10.
Met betrekking tot het bouwovergangsrecht stelt het college dat in 2011 op de percelen onder andere het zogenaamde kookgebouw en een veldschuur stonden. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” uit 1987 had perceel [nummer] de
bestemming ‘Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met
agrarisch gebruik’. Op grond van artikel 6, sub A, lid 1 mochten de gronden met deze
bestemming niet bebouwd worden, maar kon op grond van artikel 6, sub A, lid 2 een vrijstelling verleend worden ten behoeve van bouwwerken uitsluitend ten dienste van een agrarisch bedrijf. Perceel [nummer] had de bestemming ‘Bosgebied met
natuurwetenschappelijke waarde’. Op grond van artikel 3, sub A, lid 1 mochten de gronden
met deze bestemming niet bebouwd worden. Op grond van artikel 3, sub A, lid 2, kon een vrijstelling worden verleend ten behoeve van een voederruif of voederberging voor wild.
De veldschuur en het kookgebouw waren niet toegestaan op grond van het bestemmingsplan uit 1987 en er is ook geen vrijstelling voor deze bouwwerken verleend. Uit luchtfoto’s blijkt dat het kookgebouw en de veldschuur in de periode 2014 tot 2015 zijn veranderd. Dat is in strijd met artikel 36.1.van het bestemmingsplan uit 2013 dat bepaalt dat op grond van het overgangsrecht bouwwerken naar aard en omvang niet mogen worden vergroot. In dit geval is sprake van vergroting van de bouwwerken, waardoor deze volgens het college niet onder het overgangsrecht vallen. De 19 bouwwerken die tussen 2011 en 2024 zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd vallen niet onder het overgangsrecht. Het gebruik van de percelen als tuin is volgens het college niet aan te merken als een activiteit die gericht is op het herstel en behouw van natuurlijke waarden omdat tuinplanten niet inheems zijn en van nature niet voorkomen in natuurgebied Nuenens Broek en Breugelsche Beemden. Het gebruik van de percelen als tuin verslechtert de natuurwaarden en is volgens het college in strijd met het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels en in strijd met het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de bestaande biotopen. Met betrekking tot de oppervlakteverharding stelt het college dat uit de bestemmingsplanvoorschriften van de bestemmingsplannen van 1987, 1999, 2011 en 2013 blijkt dat het verboden was en is om zonder vergunning oppervlakteverharding aan te brengen. Het aanbrengen van oppervlakteverharding is
niet toegestaan zonder omgevingsvergunning en voor het verlenen van een omgevingsvergunning moet een noodzaak aangetoond worden. De aanwezige oppervlakteverharding is zonder vergunning aangebracht en volgens het college niet noodzakelijk voor het beheren of verbeteren van natuur of mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik. Ook is de aangebrachte verharding niet passend binnen de bestemming ‘Natuur’. De oppervlakteverharding valt niet onder het overgangsrecht omdat uit luchtfoto’s blijkt dat de oppervlakteverharding in de loop der tijd is veranderd en ook is toegenomen.
3.11.
De rechtbank overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust, aannemelijk dient te maken. Eiseres dient dus – kort gezegd – aan te tonen, dat het kookgebouw en de oppervlakteverharding niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en dat geen sprake was van planologisch strijdig gebruik van de percelen.
3.12.
De rechtbank is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aan te tonen dat het kookgebouw was toegestaan. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening” kon perceel [nummer] alleen bebouwd worden met een vrijstelling ten behoeve een agrarisch bedrijf. Eiseres heeft niet aangetoond dat voor het kookgebouw een vrijstelling is verleend. Het kookgebouw valt om die reden al niet onder het overgangsrecht. Of aan het kookgebouw wijzigingen hebben plaatsgevonden, hetgeen eiseres bestrijdt, is niet van belang omdat het kookgebouw sowieso al niet onder het overgangsrecht valt. Daarbij komt het gebruik van het kookhuis is geïntensiveerd en het overgangsrecht daardoor vervalt. Met betrekking tot het gebruik van het perceel als tuin oordeelt de rechtbank dat ongeacht of het gebruik is gewijzigd een kruidentuin en een moestuin op grond van de bestemming ‘Natuur’ niet is toegestaan. Artikel 12.1.1. van het bestemmingsplan bepaalt dat gronden met de bestemming ‘Natuur’ bestemd zijn voor:
a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels;
b. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
c. het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;
d. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
f. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
g. extensief recreatief medegebruik;
h. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer.
Het gebruik van de percelen voor moestuin, de kruidentuin en bloementuin en bloementuin is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bestemming. Met betrekking tot de oppervlakteververharding overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft weersproken wat het college daarover heeft gesteld.
Het betoog faalt.
Evenredigheid
3.13.
Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op de vraag die eiseres heeft gesteld met betrekking tot de evenredigheid van de handhavingsactie. Met verwijzing naar de zogenaamde Harderwijk-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 februari 2022 stelt eisers dat er voor de beoordeling en de toetsing van de evenredigheid twee belangrijke oriëntatiepunten zijn: de aard en het gewicht van de bij het besluit betrokken belangen en de ingrijpendheid van het besluit en de mate waarin het fundamentele rechten van de belanghebbenden aantast. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Eiseres is van mening dat haar belang om de vijftig jaar lang bestaande tuin met bebouwing te behouden, zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij handhaving. Door het besluit moet een al vijftig jaar lang bestaande plek ontmanteld worden. In het licht van de vraag naar de evenredigheid van het handhavingsbesluit gericht tegen de natuurtuin van eiseres is volgens haar van belang dat de natuurtuin ruimtelijk gezien prima past op de grens van grasland en bos, dat de natuurtuin met tuinen, dieren en bebouwing al bijna vijftig jaar aanwezig zijn, dat er geen verzoek om handhaving ligt en dat er geen publieksfunctie meer is.
Het college heeft bij handhaving beleidsvrijheid in het kader waarvan de Uitvoerings- en
Handhavingsstrategie 2023—2026 gemeente Son en Breugel is vastgesteld. Op grond van deze beleidsregel worden overtredingen met een ‘hoog’ risico direct opgepakt, bij voorkeur tijdens de uitvoering. Bij gemiddeld’ risico vindt er steekproefsgewijs toezicht plaats. ‘Laag’ risico wordt alleen opgepakt indien er een formeel verzoek om handhaving is ingediend. Niet duidelijk is hoe de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom zich verhoudt tot de beleidsregels nu er geen verzoek om handhaving is gedaan.
3.14.
Het college stelt zich hieromtrent op het standpunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik zal moeten maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak wat betekent dat beoordeeld moet worden of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 stelt het college handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden bijvoorbeeld bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Het tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving levert volgens het college geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien. Dat geldt ook voor het feit dat het college op de hoogte was van de overtreding of dat zij op de hoogte kon zijn. Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 stelt het college dat ook het feit dat een vorig college de theetuin heeft bezocht geen bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan van handhavend optreden zou moeten worden afgezien.
3.15.
Het college stelt verder dat eiseres er ten onrechte vanuit gaat dat handhavend optreden gebaseerd moet zijn op een handhavingsverzoek. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 volgt dat het college ook ambtshalve handhavend kan optreden. Met betrekking tot de beleidsregels stelt het college dat op pagina 35 en 36 van de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023 —2026 van gemeente San en Breugel wordt is aangegeven dat de activiteiten ‘bouwen zonder vergunning’ respectievelijk de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’ de prioriteit hoog hebben en daarom voortvarend worden opgepakt.
3.16.
De rechtbank oordeelt dat het enkele tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding. Eiseres heeft, anders dan de hiervoor besproken punten, verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die handhavend optreden mede in het licht van het tijdsverloop onevenredig maken. Het college heeft ook met inachtneming van de zogenaamde Harderwijk-uitspraak kunnen concluderen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om van handhavend optreden af te zien. Op grond van de beleidsregels wordt aan bouwen zonder vergunning en handelen in strijd met bestemmingsplan voor wat betreft handhaving de prioriteit hoog gegeven. Door handhavend op te treden handelt het college niet in strijd met de beleidsregel.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
3.17.
Eiseres voert aan dat de burgemeester tijdens een bijeenkomst van de gemeenteraad op 29 augustus 2024 naar aanleiding van een vraag over het [naam] waarbij de burgemeester aangaf niet op een individuele handhavingszaak in te kunnen gaan. Eiseres verwijst voorts naar de openbare besluitenlijst van augustus 2024 die op de website van de gemeente staat. Daarin staat dat de burgemeester over flora het volgende gezegd zou hebben:
“…dat de handtekeningen uit alle windstreken komen want ik zag een brief in
de [naam] Krant. Het betreft dus niet 2/3 van de volwassen bevolking van ons dorp. Eh….. ook openbaar is geweest dat tijdens die ... of nadat die petitie is overhandigd, en die petitie ging over Behoud Het [naam] , ik ook gezegd heb dat ik bereid ben voor een gesprek over wat behouden kon blijven en dan ging het over flora want dat kan behouden blijven. En de openbare raadsvergadering toen we de actuele motie behandelden heb ik ook uitgelegd hoe het zit met opstallen, bestemmingsplannen, vergunningen en ook dat er altijd gekeken wordt naar legalisatie. Het gesprek heeft vrij snel daarna plaats gevonden”.
Eiseres leest hierin een toezegging van de burgemeester dat de flora in haar natuurtuin zou mogen blijven en dat daarop niet zou worden gehandhaafd
3.18.
Het college stelt hieromtrent dat de burgemeester tijdens de raadsbijeenkomst uitdrukkelijk niet de toezegging heeft gedaan dat de flora mag blijven. De burgemeester verwijst tijdens deze bijeenkomst namelijk naar de ingediende petitie ‘Behoud het [naam] ’. Daarbij geeft ze ook aan dat het college bereid is tot een gesprek over wat behouden kan blijven. Wat de burgemeester hier bedoeld heeft met de flora is de inheemse beplanting. Dat blijkt ook duidelijk uit het zowel het voornemen van de last onder dwangsom als het dwangsombesluit, waarin staat dat de percelen niet meer gebruikt mogen worden als moestuin, kruidentuin, bloementuin, theetuin (horeca) en als brocantewinkel (detailhandel). Daarbij is aangegeven dat dit bereikt kon worden door de moestuin, de kruidentuin en de bloementuin te verwijderen en verwijderd te houden, met als toelichting dat alle bomen, struiken, planten en bloemen die niet van nature voorkomen in het natuurgebied Nuenens Broek en Breugelsche Beemden verwijderd moeten worden.
3.19.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. Vereist is dat de toezegging, of andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een bevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Als sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen.
De rechtbank stelt voorop dat de burgemeester de door eiseres geciteerde uitspraak niet ten overstaan van eiseres heeft geuit maar bij het in ontvangstnemen van een petitie. Daarbij heeft de burgemeester in algemene termen gezegd met eiseres in gesprek te gaan over de flora die behouden kan blijven. De burgemeester deed deze uitspraak op een moment dat er aan eiseres reeds op 4 april 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom waaruit onder andere blijkt dat eiseres dat alle bomen, struiken, planten en bloemen die niet van nature voorkomen in het natuurgebied Nuenens Broek en Breugelsche Beemden diende te verwijderen.
Van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Het betoog faalt.
Begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsommen
3.20.
Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn die door het college is opgeschort tot zes weken na de uitspraak in beroep te kort is om de aan de last te kunnen voldoen. Deze termijn staat in geen verhouding tot het stilzitten van de gemeente gedurende een periode van vijftig jaar. Eiseres voert verder aan dat de dwangsommen voor haar onevenredig hoog zijn.
3.21.
Het college stelt hieromtrent dat tussen de eerste constateringen van de overtredingen in augustus 2024 en het opleggen van de last onder dwangsom op 7 oktober 2024 ruim een jaar is verstreken terwijl aan eiseres bij de eerste controle al duidelijk was gemaakt dat de bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan waren. In de last onder dwangsom is eiseres een begunstigingstermijn van zes maanden waarvan eiseres niet met feiten aannemelijk heeft gemaakt of onderbouwd dat deze tekort is.
3.22.
De rechtbank stelt voorop dat bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat die termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. Een begunstigingstermijn mag ook niet korter zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. Het college heeft aan de lasten onder dwangsom een begunstigingstermijn van zes maanden verbonden. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de haar gegeven termijn te kort is. De rechtbank is van oordeel dat de begunstigingstermijn eiseres voldoende gelegenheid biedt om de overtredingen, mede gelet op de aard daarvan, tijdig op te heffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres reeds in augustus 2023 is gewezen op de overtredingen en dat de vertegenwoordiger van het college ter zitting heeft aangegeven dat indien eiseres er daadwerkelijk werk van maakt om de overtredingen te beëindigen, er altijd over een verlenging van de begunstigingstermijn kan worden gesproken.
Het betoog faalt.
3.23.
Voor wat betreft de hoogte van de dwangsommen stelt het college dat hij zich bij het vaststellen van de dwangsommen heeft laten leiden door de “Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2026” van de gemeente Son en Breugel. Er is aansluiting gezocht bij de overtredingen: ‘strijdig gebruik overig’, ‘aanleggen zonder vergunning’, ‘bouwen van grotere bouwwerken zonder vergunning’ en ‘bouwen van kleine bouwwerken zonder vergunning’ uit bijlage 4.3 van deze strategie. De indicatiebedragen zijn voor bovengenoemde overtredingen respectievelijk €25.000,00, €15.000,00, €20.000,00 en €10.000,00 per overtreding en het college is, ondanks dat het om forse overtredingen gaat, bij het opleggen van de last onder dwangsom onder deze bedragen gebleven. Van onevenredig hoge dwangsommen is volgen het college dan ook geen sprake.
3.24.
De rechtbank oordeelt het volgende. Een bestuursorgaan komt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Het college heeft de hoogte van de dwangsommen voor het strijdige gebruik, de strijdige bouwwerken en de oppervlakteverharding vastgesteld op respectievelijk € 1.000,00. € 3.000,00 en € 1.000,00 per maand tot een maximum van
€ 6.000,00, € 18.000,00 en € 6.000,00. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte van de bedragen uit de “Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2026” , de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsommen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan.
Zie artikel 12.1.1. van het bestemmingsplan “Buitengebied”.
ECLI:NL:RVS:2022:285
ECLI:NL:RVS:2025:678
ECLI:NL:RVS:2024: 829
ECLI:NL:RVS:2026:235
ECLI:NL:RVS:2025:5093.
Uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1528
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3942 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|