Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:6411 
 
Datum uitspraak:07-09-2026
Datum gepubliceerd:01-10-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/1873
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Toerekening WIA-uitkering aan eigenrisicodrager. Overgang van onderneming.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
koopovereenkomst
uitkering
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/1873

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1], uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het toerekenen van de WGA-uitkeringen van twee werknemers aan eiseres. Eiseres is het niet eens met de toerekening. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de WGA-uitkeringen aan eiseres mocht toerekenen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat een van beide uitkeringen niet aan eiseres mocht worden toegerekend en de andere wel. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 26 juli 2024 heeft het UWV bepaald dat de WGA-uitkering van [naam 1] (hierna: werknemer I) voor rekening van eiseres komt met ingang van 1 juni 2024. Met het besluit van 23 december 2024 heeft het UWV bepaald dat de WGA-uitkering van [naam 2] (hierna: werknemer II) voor rekening van eiseres komt met ingang van 23 september 2024. Eiseres is het niet eens met deze twee besluiten en heeft bezwaar gemaakt.


2.1.
Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op de bezwaren van eiseres is het UWV bij de besluiten gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] (bestuurder) en [naam 4] (middellijk bestuurder) namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het UWV.



2.4.
Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.




Feiten en omstandigheden

3. [eiseres 1], met loonheffingennummer [nummer 1], (hierna: [eiseres 2]) was eigenrisicodrager voor de Wet WIA. Per 1 januari 2023 heeft [eiseres 2] het eigenrisicodragen beëindigd. [eiseres 2] is op 14 mei 2024 failliet verklaard. Eiseres ([eiseres 1] met loonheffingsnummer [nummer 2]) heeft op 30 mei 2024 een koop- en vaststellingsovereenkomst gesloten (de koop- en vaststellingsovereenkomst) met de curator in het faillissement van [eiseres 2]. In die overeenkomst heeft eiseres de bedrijfsmiddelen en -uitrusting, de voorraden en de goodwill (bestaande uit handels- en domeinnamen, orderportefeuille en klantenlijsten) overgenomen van [eiseres 2]. Wat eiseres niet van [eiseres 2] heeft overgenomen is (kort gezegd): het onderhanden werk dat na faillissement tot en met 31 mei 2024 in opdracht van de curator is uitgevoerd c.q. voortgezet conform de afspraken daarover tussen partijen bij de koopovereenkomst en het door eiseres opgestelde (indicatieve) overzicht, de vorderingen van [eiseres 2] op handelsdebiteuren en ook andere vorderingen van [eiseres 2] op derden per faillissementsdatum.


3.1.
In de koop- en vaststellingsovereenkomst is het volgende vermeld:

“(…)
IN AANMERKING NEMENDE:


(…)

- dat Koper (indirect) de voormalig financier en medeaandeelhouder is van de Vennootschap en in die hoedanigheid belangstelling heeft getoond voor aankoop van activa van de Vennootschap teneinde daarmee de onderneming zoals die door de Vennootschap is gedreven, geheel of gedeeltelijk voort te zetten samen met de voormalige statutair bestuurder en eveneens medeaandeelhouder (…)
- dat Koper (…) volledig op de hoogte is van alle informatie van de Vennootschap en de onderneming feitelijk gezamenlijk met de voormalige statutair bestuurder (…) voortzet (…)”



3.2.
Op een printscreen van 31 juli 2025 van de website van eiseres is vermeld:

“(…) [eiseres 1] is een stoffeerder met een rijke geschiedenis. Al in 1976 begon [naam 5] met het bekleden van klassieke auto's in het centrum van Eindhoven. Ons bedrijf is inmiddels uitgegroeid tot een hoogwaardige stoffeerder in een drietal vakdisciplines:


Het
vervaardigen van lederen auto interieurs
in het premium segment. We zijn official preferred supplier van BMW, MINI en Mercedes-Benz, en maken exclusieve interieurs voor andere premium merken zoals o.a. Porsche, Ferrari en Range Rover. (…)


Ons specialisme in de verwerking van leder heeft zich de laatste jaren verder ontwikkeld naar de
exclusieve jacht- en scheepsstoffering
. Onze opdrachtgevers zijn grote scheepswerven, interieurarchitecten, particuliere scheepseigenaren en vooraanstaande interieur bouwers. (…)


Ook zijn we de laatste jaren steeds vaker partner bij
exclusieve interieurconcepten
. (…)”




3.3.
Werknemer I was in dienst bij [eiseres 2]. Hij heeft zich op 24 juni 2019 ziekgemeld en heeft op 28 maart 2021 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 20 mei 2021 is werknemer I in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering (een loongerelateerde WGA-uitkering).



3.4.
Werknemer II was in dienst bij [eiseres 2]. Zij heeft zich op 26 september 2022 ziekgemeld en heeft op 12 juni 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van
23 december 2024 is werknemer II in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering (een loongerelateerde WGA-uitkering).



3.5.
Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals in het procesverloop is vermeld.




Standpunten van partijen

4. Het UWV heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres het risico draagt voor de WGA-uitkeringen van werknemers I en II. Volgens het UWV is eiseres in sociaalverzekeringsrechtelijke zin de rechtsopvolger van het gefailleerde [eiseres 2]. Daarbij is verwezen naar de uitkomst van een nader onderzoek dat de Belastingdienst op verzoek van het UWV heeft gedaan. Omdat sprake is van een volledige overname, is eiseres als opvolger verantwoordelijk geworden voor de betaling van de uitkeringen en zijn deze aan haar toegerekend.

5. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft het volgende aangevoerd. Het UWV heeft algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Er is geen sprake van overgang van onderneming. Als wordt geoordeeld dat dit wel zo is, dan is hooguit sprake van een gedeeltelijke overgang van onderneming. Het eigenrisicodragen is dan ook niet overgegaan op eiseres. De WGA-uitkering van werknemer II kan sowieso niet aan eiseres worden toegerekend, omdat de eerste ziektedag van werknemer II na 1 januari 2023 ligt en [eiseres 2] toen geen eigenrisicodrager meer was.



Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of het UWV de uitkeringen van de twee werknemers aan eiseres mocht toerekenen. De rechtbank zal eerst het juridisch kader schetsen. Daarna zal de rechtbank het toerekenen van de uitkering van werknemer II aan eiseres bespreken. Vervolgens beoordeelt de rechtbank aan de hand van de gronden van eiseres of het UWV de uitkering van werknemer I aan eiseres mocht toerekenen.


Juridisch kader

7. Een werkgever kan ervoor kiezen om eigenrisicodrager te worden. Dat betekent dat die werkgever zelf het risico van betaling van WGA-uitkeringen aan zijn werknemers draagt. De werkgever draagt het risico van betaling van de WGA-uitkering van de werknemers die op de eerste dag van de wachttijd bij die werkgever in dienst zijn. Als een werkgever het eigenrisicodragen beëindigt, dan blijft de werkgever eigenrisicodrager voor de werknemers van wie de eerste wachttijddag voor de beëindigingsdatum ligt.


7.1.
Bij een overgang van onderneming, ook in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, wordt het risico van betaling van de WGA-uitkering gedragen door de werkgever die de onderneming krijgt als de werkgever die de onderneming overdraagt een werkgever is wiens eigenrisicodragen is beëindigd. Een uitzondering hierop is als slechts een deel van de onderneming overgaat, want dan blijft het risico bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.



7.2.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) volgt dat het UWV eerst moet beoordelen of sprake is van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is sprake van overgang van een onderneming als een economische eenheid wordt overgedragen die zijn identiteit behoudt en waarbij de overdracht plaatsvindt op basis van een overeenkomst, fusie of splitsing (stap 1). Als vastgesteld is dat sprake is van overgang van onderneming moet het UWV beoordelen of sprake is van een gehele dan wel gedeeltelijke overgang van onderneming (stap 2). Daarbij is bepalend of de overdragende onderneming al zijn economische activiteiten heeft overgedragen dan wel er nog economische activiteiten bij de overdragende onderneming blijven. Als ‘onderneming’ geldt de werkgever in de zin van de socialezekerheidswetgeving.



7.3.
Volgens vaste rechtspraak blijft de identiteit van de overgedragen onderneming behouden als de exploitatie in feite wordt voortgezet of na een korte periode van oponthoud wordt hervat. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van onderneming moet in het kader van identiteitsbehoud ook worden gelet op de feiten en omstandigheden die kenmerkend zijn voor de overgang. Daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld de aard van de betrokken onderneming, het feit dat de bedrijfsmiddelen al dan niet zijn overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het moment van de overdracht, het feit dat nagenoeg al het personeel wordt overgenomen, de mate waarin de bedrijfsactiviteiten voor en na de overdracht gelijk zijn en de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten. Deze aspecten worden niet afzonderlijk beoordeeld maar moeten een globaal totaalbeeld opleveren voor het antwoord op de vraag of sprake is van overgang van onderneming.



7.4.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Toerekening van de uitkering van werknemer II

8. Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank vastgesteld dat het UWV inmiddels erkent dat de eerste ziektedag van werknemer II is gelegen na 1 januari 2023. [eiseres 2] was toen geen eigenrisicodrager meer. Voor zover het werknemer II betreft is dus niet relevant of sprake is van overgang van onderneming. Immers geldt dan nog steeds dat [eiseres 2] geen eigenrisicodrager meer was. Het eigenrisicodragen kon dan ook niet overgaan op eiseres. Dat betekent dat het UWV de WGA-uitkering van werknemer II ten onrechte aan eiseres heeft toegerekend. Het bestreden besluit kan daarom op dit punt niet in stand blijven. Het beroep is daarmee gegrond. Het primaire besluit waarbij de WGA-uitkering van werknemer II aan eiseres is toegerekend, moet worden herroepen. Eiseres heeft, omdat het beroep gegrond is, recht op vergoeding van het griffierecht en een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank zal dit verder uitwerken onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’.


Toerekening van de uitkering van werknemer I


Zijn algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

9. Eiseres voert aan dat het UWV algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, te weten het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel. Zij stelt daartoe dat het UWV zich bij de besluitvorming enkel heeft gebaseerd op het nadere onderzoek van de Belastingdienst en dat geen inzicht bestaat in hoe dit onderzoek is verricht. Ook stelt eiseres dat geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Zij vindt dat zij zich daardoor niet kan verweren tegen de door het UWV van de Belastingdienst overgenomen conclusie dat sprake is van (volledige) overgang van onderneming.



9.1.
Het UWV stelt zich hierover op het standpunt dat zij in beginsel kan uitgaan van de conclusie van de Belastingdienst omdat dit het bestuursorgaan is dat overgangen van ondernemingen registreert. Het UWV is het met eiseres eens dat hij in zijn aan eiseres gerichte brief van 16 april 2025 ten onrechte heeft vermeld dat het UWV niet kan afwijken van het oordeel van de Belastingdienst. Het UWV is het ook met eiseres eens dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van onderneming, omdat hij voor de toerekening aan eigenrisicodragers het bevoegde bestuursorgaan is. Volgens het UWV bestond in dit geval echter geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Belastingdienst dat sprake is van volledige overgang van onderneming. Tijdens de zitting heeft het UWV dit toegelicht. Het UWV heeft in zijn systemen gekeken en naar wat op de website van eiseres en in het faillissementsdossier is vermeld. Verder heeft het UWV kennisgenomen van wat in het beroepschrift is vermeld. Dit alles tezamen maakt voor het UWV dat sprake is van volledige overgang van onderneming. Meer onderzoek was volgens het UWV niet mogelijk omdat hij afhankelijk is van wat wordt aangeleverd en dit de enige voor hem beschikbare informatie was.



9.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het UWV een eigen onderzoeksplicht heeft als hij zich op een onderzoek van de Belastingdienst baseert. De rechtbank duidt deze verplichting als vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, als een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het UWV diende zich er dus van te vergewissen dat het onderzoek van de Belastingdienst op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verder zijn partijen het erover eens dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het UWV dit heeft gedaan. Tijdens de zitting heeft het UWV toegelicht dat zij niet klakkeloos de conclusie van de Belastingdienst heeft overgenomen, maar ook zelf is nagegaan of deze navolgbaar is. Volgens eiseres is dat echter pas in beroep gebeurd omdat het UWV pas toen van het beroepschrift en het faillissementsverslag kennis heeft genomen. Het UWV heeft dit niet bestreden. Dat het zo is gegaan, blijkt ook uit het feit dat het UWV tijdens de zitting heeft toegelicht dat alle informatie tezamen, dus met inbegrip van het beroepschrift en het faillissementsverslag, volgens hem maakt dat sprake is van overgang van onderneming. Met de ter zitting gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat het UWV alsnog aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat zij aannemelijk acht dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Tijdens de zitting is eiseres namelijk in staat gebleken om op de toelichting van het UWV te reageren. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, zou het UWV de proceskosten van eiseres moeten vergoeden. Zoals hiervoor (overweging 8) is geconcludeerd, heeft eiseres wegens een ander gebrek in het bestreden besluit al recht op vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding.


Is sprake van (volledige) overgang van onderneming?

10. Eiseres betwist dat sprake is van overgang van onderneming. Zij wijst erop dat zij van [eiseres 2] uitsluitend bedrijfsmiddelen, een beperkte voorraad grondstoffen en goodwill heeft overgenomen. Eiseres heeft geen orders van [eiseres 2] overgenomen die voor het faillissement al bestonden. Ook heeft zij geen huur- of leaseovereenkomsten overgenomen. Evenmin heeft zij werknemers van [eiseres 2] overgenomen. Eiseres heeft enkel met [eiseres 2] afgesproken dat zij 14 werknemers van [eiseres 2] een aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst zou doen. Slechts ongeveer 50% van de werknemers van [eiseres 2] is bij eiseres in dienst gekomen. Daarmee is volgens eiseres geen sprake van een naar aard en deskundigheid wezenlijk deel van het personeel van [eiseres 2]. In dit verband acht eiseres van belang dat haar activiteiten als arbeidsintensief kwalificeren. Van identiteitsbehoud van de onderneming is volgens eiseres geen sprake omdat zij de exploitatie van [eiseres 2] niet heeft voortgezet en ook niet na een korte periode van oponthoud heeft hervat. Eiseres heeft naar eigen zeggen slechts een aantal materiële en immateriële activa van [eiseres 2] overgenomen. Zij heeft de materiële activa omgezet in een andere activiteit dan [eiseres 2] verrichtte tot het faillissement. [eiseres 2] hield zich namelijk bezig met het herstellen van schade aan een autostoel of -deur, het vervangen van een cabriokap of het opbouwen van een oldtimer en met de detailhandel in aanverwanten artikelen. Dit terwijl eiseres zich richt op het bekleden van luxe auto’s, superjachten en hoogwaardige interieurs. Over de immateriële activa heeft eiseres opgemerkt dat, als gekeken wordt naar de waarde hiervan, afgezet tegen het balanstotaal van [eiseres 2], dit weinig betekenis heeft. Dat eiseres zich in een heel andere markt begeeft dan [eiseres 2] zich begaf, blijkt volgens eiseres ook uit de sectorindeling van de Belastingdienst, de andere CAO, de andere pensioenuitvoerder en de andere SBI-code bij de Kamer van Koophandel.



10.1.
Subsidiair stelt eiseres dat, als al sprake zou zijn van overgang van onderneming, er slechts een gedeeltelijke overgang heeft plaatsgevonden. Zij wijst er daarbij op dat voor de beantwoording van de vraag of een gehele of gedeeltelijke overgang heeft plaatsgevonden, bij een vervreemdende failliete werkgever niet de vraag kan zijn of er nog economische activiteiten resteren. Bij een failliete werkgever resteren immers per definitie geen economische activiteiten nu de curator juist overgaat tot het liquideren van de activa ten behoeve van de boedel. Volgens eiseres is het dan ook de vraag of alle activiteiten en werknemers zijn overgegaan. In ieder ander geval is er immers per definitie sprake van een gedeeltelijke overgang, omdat niet alles is overgegaan. Voor een andere uitleg kan volgens eiseres geen steun worden gevonden in de wet of in de wetsgeschiedenis.



10.2.
Het UWV blijft erbij dat wel sprake is van overgang van onderneming. Volgens het UWV heeft eiseres alle activa van [eiseres 2] overgenomen. De niet verkochte zaken en vermogensrechten betreffen zaken die geen eigendom waren van [eiseres 2] en de opbrengsten die de curator nog heeft weten te realiseren in de periode na faillissement tot aan de datum van overname door eiseres. Volgens het UWV is wel sprake van identiteitsbehoud. Zo blijkt uit de koop- en vaststellingsovereenkomst dat eiseres de onderneming geheel of gedeeltelijk gaat voortzetten en de garantieverplichtingen overneemt. Eiseres moet dus de activiteiten zoals [eiseres 2] die verrichtte, na de overname nog verrichten. Ook staat in artikel 4 van de koopovereenkomst dat het gaat om feitelijke voortzetting van de activiteiten. Verder volgt uit het faillissementsverslag dat sprake is van een doorstart. Zo heeft eiseres het merendeel van de leaseovereenkomsten overgenomen en zijn nog diverse opdrachten aan jachtschepen en auto’s uitgevoerd c.q. afgerond. [eiseres 2] verrichtte dus al stoffering bij jachtschepen en eiseres heeft na overname deze activiteiten verder ontwikkeld, aldus nog steeds het UWV. De SBI-code bij de Kamer van Koophandel maakt dit volgens het UWV niet anders, omdat deze codering niet gecontroleerd wordt. Verder volgt uit het faillissementsverslag dat [eiseres 2] al stoffering aan jachtschepen verrichtte zonder dat het handelsregister hierop is aangepast.
Volgens het UWV is het logisch dat voor de overgenomen immateriële activa een beperkt bedrag is betaald. Als een bedrijf failleert, is de waarde van de goodwill immers laag omdat het bedrijf geen winst meer maakt. Daarnaast is het zo dat eiseres het klantenbestand nodig heeft om aan haar garantieverplichtingen te voldoen. Het UWV heeft benadrukt dat niet vereist is dat alle bedrijfsactiviteiten worden voortgezet met hetzelfde personeelsbestand om te kunnen vaststellen dat sprake is van een overgang van onderneming. De vraag of sprake is van een (gehele of gedeeltelijke) overgang van een onderneming moet volgens het UWV zowel binnen als buiten een faillissement op dezelfde manier worden beantwoord. De activiteiten die voor de overgang in de onderneming werden verricht moeten worden vergeleken met de activiteiten die worden overgenomen. Mochten bij een faillissement nog activiteiten resteren die niet worden overgenomen, dan sluit de curator deze. Omdat eiseres op 31 mei 2024 alle op dat moment in [eiseres 2] aanwezige activiteiten heeft overgenomen, is sprake van een volledige overgang van onderneming, aldus het UWV. Na de datum van de overname heeft de curator geen activiteiten gesloten.



10.3.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het begrip ‘overdracht van onderneming’ volgens vaste rechtspraak ruim uitgelegd moet worden ter bescherming van werknemers. Uit de gebruikte bewoordingen in de koop- en vaststellingsovereenkomst, zoals vermeld in overweging 3.1, leidt de rechtbank af dat [eiseres 2] en eiseres de intentie hebben gehad om een overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:662 van het BW te realiseren. Uit het dossier volgt verder dat [eiseres 2] zich al bezighield met de stoffering van jachten en dat eiseres deze activiteiten volledig heeft overgenomen. Zo is op de printscreen van 31 juli 2025 van de website van eiseres vermeld: “Ons specialisme in de verwerking van leder heeft zich de laatste jaren [onderstreping: rechtbank] verder ontwikkeld naar de exclusieve jacht- en scheepsstoffering”. Dit bericht dateert van slechts iets meer dan een jaar na de datum van de koop-en vaststellingsovereenkomst, te weten 30 mei 2024. Dat betekent dat [eiseres 2] zich ten minste al een jaar voor het faillissement aan het ontwikkelen was naar de exclusieve jacht- en scheepsstoffering. Eiseres heeft ter zitting ook erkend dat [eiseres 2] al stapjes heeft gemaakt om binnen de markt van de jachtbouw te komen. Eind 2023 begon eiseres met werkzaamheden aan jachtschepen en drie à vier maanden voor de overdracht was zij er al mee bezig om zich bekend te maken in de markt, zo heeft eiseres ter zitting verklaard. Verder hield [eiseres 2] zich bezig met de stoffering van auto’s en doet eiseres dit nu nog steeds, zij het nu enkel in het luxere segment. Dat eiseres daarnaast andere activiteiten (exclusieve interieurconcepten) verricht betekent niet dat zij niet alle activiteiten van [eiseres 2] heeft overgenomen. Voorts heeft de overdracht kort, zo’n twee weken, na het faillissement van [eiseres 2] plaatsgevonden. Verder is het zo dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres in hetzelfde pand plaatsvinden als waarin [eiseres 2] was gevestigd. Daarnaast heeft eiseres de bedrijfsmiddelen en -uitrusting, de voorraden en de goodwill van [eiseres 2] overgenomen. Ook heeft eiseres 14 van de 26 werknemers van [eiseres 2] in dienst genomen. Op basis van al deze gegevens en met inachtneming van de in overweging 7.1 tot en met 7.3 vermelde criteria, is de rechtbank van oordeel dat de identiteit van [eiseres 2] na de overdracht aan eiseres behouden is gebleven en sprake is van een volledige overgang van [eiseres 2] naar eiseres. Dat niet alle personeelsleden van [eiseres 2] zijn overgegaan naar eiseres leidt, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet tot een andere conclusie. Voor het standpunt van eiseres dat slechts sprake is van een volledige overgang van een onderneming als deze in zijn geheel, inclusief alle werknemers, wordt overgenomen door de verkrijger is geen steun te vinden in de van toepassing zijnde regelgeving en de daarop gebaseerde rechtspraak. Ook de door eiseres gestelde omstandigheid dat zij in een andere CAO, SBI-code en pensioenfonds valt doet aan de conclusie dat sprake is van een volledige overname niet af. Immers laat dit onverlet dat eiseres alle feitelijke activiteiten die [eiseres 2] verrichtte op het moment van overgang heeft overgenomen en voortgezet, zij het in steeds luxere uitvoeringen. De eerste stapjes daartoe waren al door [eiseres 2] gezet, zo heeft zij ook erkend. De stelling van eiseres dat bij een faillissement nooit sprake kan zijn van een gedeeltelijke overgang van onderneming volgt de rechtbank gelet hierop niet. De conclusie is dan ook dat het UWV terecht eiseres met toepassing van artikel 82, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA als eigenrisicodrager van werknemer I heeft aangemerkt.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het UWV ten onrechte de WGA-uitkering van werknemer II aan eiseres heeft toegerekend. Voor het overige wordt eiseres niet gevolgd in haar beroepsgronden. Dat betekent dat eiseres gedeeltelijk gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht van € 385 terug. Zij krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij in bezwaar en in beroep heeft gemaakt. Het UWV moet deze vergoeding betalen.


11.1.
De vergoeding voor de door eiseres gemaakte proceskosten wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde in de bezwaarfase levert 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift op, met een waarde per punt van € 666 (eiseres is in bezwaar niet gehoord). Toegekend wordt € 666.



11.2.
De bijstand door een gemachtigde in de beroepsfase levert 2,5 punten op (te weten, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie), met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335. Totaal wordt toegekend € 3001.





Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat de WGA-uitkering van werknemer II aan eiseres is toegerekend;
- herroept het primaire besluit van 23 december 2024, waarin het UWV heeft bepaald dat de WGA-uitkering van werknemer II met ingang van 23 september 2024 voor rekening van eiseres komt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.001;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 385 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzitter, en mr. G. de Jong, en
mr. I.C. Meuris, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Burgerlijk Wetboek


Artikel 7:662

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overgang: de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt;
b. economische eenheid: een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit waaronder begrepen de uitoefening van openbaar gezag.


Wet financiering sociale verzekeringen


Artikel 38

(…)
4 De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
(…)
9 Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.


Artikel 40

1. De inspecteur verleent overeenkomstig deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:
a. het ziekengeld aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, die laatstelijk tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en de overlijdensuitkeringen op grond van die wet aan nabestaanden van deze personen; of
b. de WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkeringen overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.


Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen


Artikel 23

1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij:
1°.elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
(…)
b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
1.elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
(…)


Artikel 82

1. De eigenrisicodrager draagt met inachtneming van artikel 83 het risico van betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde, die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking stond dan wel arbeidsongeschikt is geworden nadat de dienstbetrekking met hem is beëindigd en artikel 46 van de Ziektewet van toepassing is, alsmede het risico van betaling van de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in dat lid, indien die wachttijd is ingegaan op of na de dag waarop deze werkgever eigenrisicodrager werd.
2. Indien het eigenrisicodragen eindigt blijft de werkgever het risico, bedoeld in het eerste lid, dragen, voor zover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen.
3. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, wordt het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde, die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, alsmede het risico van betaling van de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in dat lid, in afwijking van het tweede lid gedragen door de werkgever die de onderneming verkrijgt, indien:
a. de werkgever die de onderneming overdraagt geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is;
b. de werkgever die de onderneming overdraagt eigenrisicodrager is; of
c. de werkgever die de onderneming overdraagt een werkgever is wiens eigenrisicodragen is beëindigd of geëindigd als bedoeld in het tweede lid.
5. Indien in de situatie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b of c, slechts een deel van de onderneming overgaat, blijft het risico van de betaling van de uitkering berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.
(…)


Artikel 84

3. Indien de eigenrisicodrager de uitkering en de overlijdensuitkering niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering en deze overlijdensuitkering en verhaalt het UWV de uitkering en de overlijdensuitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering en deze overlijdensuitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering en deze overlijdensuitkering in mindering kunnen worden gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering en deze overlijdensuitkering, op de eigenrisicodrager. Op de eigenrisicodrager wordt evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij de uitkering en de overlijdensuitkering wel had betaald, op grond van het tweede lid op het UWV had kunnen verhalen.
(…)
5. In de situatie, bedoeld in artikel 82, vierde lid, berust de betaling van de uitkering bij het UWV. Het UWV verhaalt op de eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in de vorige zin, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.



Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3920 en de uitspraak van de CRvB van 26 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2005.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2136.


Zie de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5002.


Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:830.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2136.
Link naar deze uitspraak