|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:6661 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | C/01/415823 / HA ZA 25-34 C/01/415823 / HA ZA 25-34 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vordering tot verdeling gemeenschap versus aanbiedingsplicht. Een aanbiedingsplicht is gelet op de bewoordingen niet van toepassing bij mogelijke vervreemding van aandelen in een gemeenschappelijk goed binnen de kring van deelgenoten. Die aanbiedingsplicht zou, indien wel van toepassing, gelet op de wederzijdse belangen ook niet in de weg staan aan de gevorderde verdeling. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | erfgenamen | | | landbouwgrond | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Vonnis in gevoegde zaken van 9 september 2026
in de zaak met zaaknummer C/01/415823 / HA ZA 25-340 van
[A]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [A] ,
advocaat: mr. E.C.G. Vermue,
tegen
1 [B] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [B] ,
advocaat: mr. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford,
en tegen
2 [C] ,
overleden op [overlijdensdatum] 2025,
hierna te noemen: [C]
3. [D],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [D] ,
4. [E],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [E] ,
5. [F],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [F] ,
6. [G],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [G] ,
gedaagde partijen,
niet verschenen.
en in de zaak met zaaknummer C/01/422274 / HA ZA 26-13 van
[B]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [B] ,
advocaat: mr. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford,
tegen
1 [A] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [A] ,
advocaat: mr. E.C.G. Vermue,
en tegen
2. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN WIJLEN [C],
(te weten: mevrouw [H], mevrouw [I] en de heer [J])
hierna te noemen: de erven,
3. [D],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [D] ,
4. [E],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [E] ,
5. [F],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [F] ,
6. [G],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [G] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. A.J.W. Vugs,
1De procedure in de zaak 25-340
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 19 mei 2025 van [A] (met producties 1 t/m 4)
- de conclusie van antwoord van 16 juli 2025 van [B] (met producties 1 t/m 8)
- de brief waarin een mondelinge behandeling is gelast
- de mondelinge behandeling op 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak is de heer [C] , gedaagde 2, overleden. Wanneer een partij tijdens de procedure overlijdt, wordt de procedure op naam van de overledene voortgezet, tenzij de rechtsopvolger van die partij de schorsing aan de wederpartij aanzegt, zoals bepaald in artikel 225 lid 2 Rv. Er is in dit geval geen schorsing van de procedure verzocht. Het vonnis in de zaak 25-340 zal daarom worden gewezen mede op naam van wijlen de heer [C] .
1.3.
Ten slotte is in deze zaak vonnis bepaald.
2De procedure in de zaak 26-13
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 15 december 2025, tevens houdende de incidentele vordering tot voeging van deze zaak met de zaak 25-340 (met producties A tot en met E)
- de conclusie van antwoord in het incident van 21 januari 2026 van [A]
- de conclusie van antwoord in het incident van 21 januari 2026 van de erven, [D] , [E] , [F] en [G]
- het vonnis in incident van 18 februari 2026
- de conclusie van antwoord van 18 februari 2026 van [A] (met producties 1 tot en met 4)
- de conclusie van antwoord van 18 februari 2026 van de erven, [D] , [E] , [F] en [G] (zonder producties)
- de brief waarin een mondelinge behandeling is gelast
- de mondelinge behandeling op 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is in deze zaak vonnis bepaald.
3De zaken in het kort
3.1.
In deze zaken speelt kort samengevat het volgende.
Partijen zijn samen eigenaar van een perceel landbouwgrond in [plaats] . [A] , [B] , [D] , [E] , [F] en [G] zijn ieder voor 1/7e deel deelgerechtigd. De drie erven van [C] zijn samen deelgerechtigd in zijn 1/7e deel.
Zowel [A] als [B] willen eigenaar worden van het hele perceel. [A] heeft daarom een verdelingsvordering ingesteld. [B] meent echter dat partijen een contractuele regeling (een aanbiedingsplicht) hebben afgesproken, die gevolgd moet worden. Zijn vorderingen zijn gericht op de nakoming van die contractuele regeling.
[D] , [E] , [F] , [G] en de erven van [C] willen van hun aandeel in het perceel af en hebben een voorkeur voor verkoop aan [A] , aangezien hij meer per m2 wil betalen.
3.2.
De rechtbank zal het perceel verdelen en in dat kader toedelen aan [A] . De vorderingen van [A] in de zaak 25-340 zullen daarom (grotendeels) worden toegewezen. De vorderingen van [B] in de zaak 26-13 zullen dan worden afgewezen.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing is gekomen.
4De feiten in beide zaken
4.1.
Partijen zijn samen eigenaar van het perceel landbouwgrond in [plaats] , dat kadastraal is aangeduid met [kadastrale aanduiding] (hierna: het perceel). Het perceel heeft volgens het kadastraal uittreksel een oppervlakte van 1.615 m2.
4.2.
[A] , [B] , [D] , [E] , [F] , [G] en [C] hebben dat perceel van hun ouders gekocht en op 29 november 1982 geleverd gekregen. In de akte van levering is de volgende aanbiedingsregeling opgenomen:
“a: Voor het geval een of meer der kopers wenst/wensen over te gaan tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het onverdeeld aandeel in voorschreven onroerend goed (…) zijn zij verplicht gemeld aandeel of gedeelte daarvan, eerst aan te bieden aan de overige mededeelgerechtigden tesamen of aan diegenen(n) hunner, die van dat aanbod gebruik wensen te maken en wel tegen de prijs door partijen in onderling overleg vast te stellen, of bij gebreke van overeenstemming daaromtrent, vast te stellen door drie deskundigen, waarvan een te benoemen door verkoper, een door de koper of kopers en de derde te benoemen door de twee aldus benoemden tesamen of bij gebreke van overeenstemming daaromtrent alle drie te benoemen door de ter plaatse bevoegde Kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij, zullende bedoelde koopsom moeten worden vastgesteld met inachtname van de waarde van het eventueel alsdan nog op het verkochte drukkende recht van gebruik;
b. Bij voorgenomen vervreemding door een der partijen zal deze verplicht zijn van haar voornemen schriftelijk bij aangetekend schrijven daarvan kennis te geven aan de voorkeursgerechtigde (n) ,die alsdan verplicht is (zijn) binnen twee maanden na gedaan aanbod, eveneens schriftelijk bij aangetekend schrijven mede te delen of zij van dat aanbod gebruik wenst of wensen te maken, bij gebreke waarvan de aanbieder vrij is aan derden te verkopen, indien deze overdracht alsdan geschiedt binnen vier maanden na het laatst gedaan aanbod. (…)
c. Bij overtreding of nietvoldoening door een der partijen aan de verplichtingen voor hem of haar uit de hiervoor sub a en b gemaakte bepalingen voortvloeiende, zal de nalatige partij ten behoeve van elk van degene(n) die gemeld recht van overname hebben een dadelijk zonder dagvaarding of ingebrekestelling opeisbare boete verbeuren van vijf duizend gulden;
(…)”
De hierboven geciteerde regeling wordt hierna aangeduid als de “aanbiedingsregeling”.
4.3.
[A] , [D] , [E] , [F] , [G] en [C] (hierna: [A, C, D, E, F en G samen] ) willen al geruime tot beëindiging van de onverdeeldheid komen. In een op initiatief van [A] , [C] , [D] en [E] gevoerde verdelingsprocedure heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 27 april 2005 – kort gezegd – een verdeling van het perceel in zeven gedeeltes vastgesteld. In het door [B] ingestelde hoger beroep tegen dit vonnis heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 14 november 2006 echter het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor een periode van drie jaren een nieuwe vordering tot verdeling van het perceel uitgesloten.
4.4.
Bij brief van 3 oktober 2024 heeft de advocaat van [A] aan de toenmalige juridisch adviseur van [B] het navolgende geschreven:
“Cliënt begreep van zijn vier broers en zus dat zij hun aandeel willen verkopen. Cliënt is ook bereid om zijn aandeel te verkopen, doch is tevens bereid om de aandelen van de andere gerechtigden te kopen.
Cliënt, zijn vier andere broers en zijn zus zijn bereid om hun aandeel tegen een verkoopprijs van € 105,00 euro per vierkante meter aan uw cliënt te verkopen.
Graag verneem ik van uw cliënt of hij bereid is de aandelen van cliënt, zijn vier andere broers en zus voor deze prijs te kopen. (…) Indien uw cliënt niet bereid is om de aandelen van cliënt en de andere gerechtigden tegen de voornoemde koopprijs over te nemen heeft cliënt inmiddels te kennen gegeven dat ook hij tegen deze prijs bereid is de aandelen van zijn vier broers en zijn zus te kopen.”
4.5.
In een rappel van 10 december 2024 heeft de advocaat van [A] de toenmalige juridisch adviseur van [B] het navolgende geschreven:
“Inmiddels zijn er ruim 2 maanden verstreken sinds cliënt uw cliënt een aanbod heeft gedaan. Cliënt en zijn andere broers en zijn zus wensen niet langer in onverdeeldheid te blijven. Ik verneem daarom graag uiterlijk morgen de reactie van uw cliënt op het aanbod uit de brief van 3 oktober jl.
Indien uw cliënt de delen van het perceel van cliënt en de andere gerechtigden niet tegen het aangeboden bedrag wenst over te nemen, dan zal cliënt de delen van het perceel van de overige gerechtigden tegen die prijs overnemen.”
4.6.
Bij e-mail van 1 december 2024 heeft de zoon van [B] hierop geantwoord:
“Mijn vader wenst zijn deel te behouden en dus NIET over te dragen. Daarnaast heeft hij interesse in de andere delen, echter niet voor een prijs van € 105,-/m2 zoals u in uw brief van 3 oktober jl stelt. Er is dus geen sprake van overeenstemming over de prijs.”
4.7.
Bij gelijkluidende brieven van 14, 15 en 16 januari 2025 hebben [E] , [D] , [C] en [F] aan [B] het volgende geschreven:
“Thans is de situatie dat er een koper bereid is om een bedrag van € 105 per m2, kosten koper, te betalen voor deze grond.
Middels deze brief wil ik u daarvan in kennis stellen en tevens u de gelegenheid geven om mijn aandeel voor dit bedrag over te nemen op voorwaarde dat ook alle andere delen dan door u worden gekocht voor deze prijs.
Graag ontvang ik binnen een termijn van twee weken na dagtekening van u een besluit of u mijn aanbod accepteert of afwijst. Bij acceptatie geldt dat ik dan binnen een termijn van drie maanden bij de notaris dit wil hebben afgewerkt.
Bij afwijzing of indien ik geen reactie ontvang ga ik er vanuit dat ik akkoord kan gaan met de verkoop tegen de genoemde in2 prijs.”
Op 18 januari 2025 heeft [G] aan [B] een bijna vergelijkbare brief verzonden. Haar brief wijkt onder ander af doordat vermeld wordt dat de in het bovenstaande citaat anoniem vermelde koper “een van de kinderen” is.
4.8.
Bij gelijkluidende brieven van 27 januari 2025 heeft [B] [A, C, D, E, F en G samen] geschreven:
“Om tot een afweging te komen die van mij gevraagd wordt, verneem ik graag wie nu de koper daadwerkelijk is en wat de plannen van deze koper zijn met deze grond, aangezien deze bereid zou zijn € 105,-/m2 te betalen. Waaruit blijkt dat deze partij dit bedrag bereid is te betalen ? Hier dient voor mij eerst duidelijkheid in te zijn voordat ik tot een afweging kan komen en rest mij niets anders dan mijn besluit op te schorten tot hier duidelijkheid in is.”
4.9.
Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft de advocaat van [A] aan de toenmalige juridisch adviseur van [B] geschreven dat het aanbod van [A] van 3 oktober 2024 is ingetrokken en dat [A] besloten heeft een verdelingsprocedure te starten.
5Het geschil in de zaak 25-340
5.1.
[A] vordert, samengevat:
primair een verdeling vast te stellen waarbij:
I. het perceel wordt toegedeeld aan [A] ;
II. gedaagden worden veroordeeld om mee te werken aan deze toedeling, waarbij zij ieder hun 1/7e deel overdragen aan [A] en waarbij alle deelgenoten 1/7e deel van de kosten moeten voldoen,
III. aan [A] vervangende toestemming wordt verleend voor het geval gedaagden hun medewerking niet verlenen aan de notariële levering, waarbij wordt bepaald dat dit vonnis in de plaats komt van die medewerking,
IV. [A] aan iedere deelgenoot een bedrag voldoet van € 105,- per vierkante meter perceeloppervlakte, te voldoen bij de notariële levering,
subsidiair een verdeling vast te stellen waarbij:
I. het perceel wordt gesplitst, waarna iedere deelgenoot een gelijk deel van de totale oppervlakte van zuid naar noord toegedeeld krijgt, te verdelen naar leeftijd van de deelgerechtigden, zodat de jongste het meest zuidelijke deel toegedeeld krijgt en de oudste het meest noordelijke deel toegedeeld krijgt,
II. gedaagden worden veroordeeld om mee te werken aan deze verdeling en aan [A] vervangende toestemming wordt verleend voor het geval gedaagden hun medewerking niet verlenen aan de notariële splitsing van het perceel, waarbij wordt bepaald dat dit vonnis in de plaats komt van die medewerking,
een en ander met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
5.2.
[A] legt aan deze vorderingen ten grondslag, dat hij uit de onverdeeldheid wil geraken. Alle deelgenoten zijn op leeftijd en als er nu niet verdeeld wordt, zal de volgende generatie met deze kwestie opgezadeld worden. Bijna alle deelgenoten hebben kinderen en het is onwenselijk dat er dan met nóg meer deelgenoten een gemeenschap wordt gevormd, aldus [A] . Dit is volgens hem een zwaarwegend belang bij verdeling.
5.3.
[B] voert hiertegen verweer, dat kort gezegd het volgende inhoudt.
Verdeling op de voet van artikel 3:178 BW is niet aan de orde. De verdeling moet worden uitgesloten, althans uitgesteld tot is beslist op de vorderingen van [B] in de andere procedure (26-13).
De door [A] primair gevorderde wijze van verdeling gaat voorbij aan de aanbiedingsregeling. Dat is in strijd met het belang van [B] . Conform de aanbiedingsregeling moeten drie deskundigen de prijs bepalen.
[B] wil het hele perceel tegen de nog te bepalen prijs volledig in eigendom verkrijgen. Hij heeft er een emotionele band mee, heeft het perceel altijd (laten) onderhouden en wil dat blijven doen en hij woont op loopafstand van het perceel. De andere deelgenoten hebben zich nooit om het perceel bekommerd. De andere deelgenoten willen het perceel verkopen aan een derde, aldus [B] .
De door [A] subsidiair gevorderde wijze van verdeling is in strijd met het doel en de strekking van de aanbiedingsregeling. Bovendien leidt het tot hoge notaris- en kadasterkosten en praktische problemen met betrekking tot de toegankelijkheid van de gesplitste delen van het perceel.
Als de vorderingen van [B] in zijn procedure worden afgewezen, dan moet het perceel verdeeld worden op een door [B] voorgestelde wijze:
waarbij primair het hele perceel aan [B] moet worden toegedeeld tegen een door drie deskundigen vast te stellen waarde;
waarbij subsidiair de helft van het perceel aan [B] en de andere helft aan [A] wordt toegedeeld tegen een door drie deskundigen vast te stellen waarde;
waarbij meer subsidiair het perceel wordt gesplitst en [B] als oudste deelgenoot als eerste mag kiezen welk stuk hij wil hebben.
6Het geschil in de zaak 26-13
6.1.
[B] vordert, samengevat:
I. te verklaren voor recht dat gedaagden – ten nadele van [B] – hebben gehandeld in strijd met de in de akte van 29 november 1982 opgenomen aanbiedingsregeling,
II. gedaagden ieder afzonderlijk te gebieden om:
a. de aanbiedingsregeling na te komen door een deskundige te benoemen en om die deskundige opdracht te geven om met de deskundige van [B] een derde deskundige in te schakelen, waarna de drie deskundigen de prijs van het perceel moeten vaststellen;
b. vervolgens hun aandelen voor de door de deskundigen vastgestelde prijs aan [B] over te dragen;
III. veroordeling van iedere gedaagden afzonderlijk tot betaling van de in de aanbiedingsregeling opgenomen boete van € 2.268,-;
met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
6.2.
[B] legt aan deze vorderingen de aanbiedingsregeling ten grondslag. Ook [A] is aan die aanbiedingsregeling gebonden, ondanks dat hij ook zelf het gehele perceel wil verkrijgen.
Verder hebben de gedaagden in strijd gehandeld met de aanbiedingsregeling, doordat zij – nu zij hun aandeel willen verkopen – weigeren om [B] in de gelegenheid te stellen om hun aandeel te verwerven voor een door drie deskundigen te bepalen waarde.
Gedaagden hebben hiermee ieder de contractuele boete van fl. 5.000,-/€ 2.268,- verbeurd.
6.3.
[A] voert hiertegen het volgende verweer.
De aanbiedingsregeling is niet van toepassing in een situatie waarin twee medegerechtigden, in dit geval [A] en [B] , de onverdeelde delen van de overige deelgerechtigden willen verkrijgen. De tekst van de aanbiedingsregeling biedt geen uitkomst over de wijze waarop in een dergelijke situatie bepaald wordt welke deelgenoot een onverdeeld deel van het perceel mag kopen.
Verder geldt de aanbiedingsregel alleen als een deelgerechtigde zijn/haar aandeel aan een derde wil aanbieden. In dat geval moet het eerst aan de andere deelgenoten worden aangeboden. Dat geldt niet als een deelgenoot zijn/haar aandeel aan een andere deelgenoot wil overdragen.
Als de aanbiedingsregeling wel van toepassing is, dan hebben [A, C, D, E, F en G samen] de aanbiedingsregeling analoog toegepast. Zij hebben hun onverdeelde aandelen immers eerst aan [B] aangeboden.
Vaststelling van een prijs door deskundigen is zinloos, want het aanbod van [A] van € 105,- per m2 ligt al ruim boven de huidige marktprijs voor landbouwgrond.
[A] is tegen deze achtergrond ook geen boete verschuldigd.
6.4.
[D] , [E] , [F] , [G] en de erven voeren het volgende verweer.
In de kern willen deze gedaagden hun delen in het perceel voor de hoogst mogelijke prijs verkopen.
Het doel van de aanbiedingsregeling is niet dat het perceel alleen voor de getaxeerde prijs kan worden overgedragen; de hoogste bieder mag de grond kopen. De aanbiedingsregeling voorziet bovendien niet in een regel voor de situatie – zoals hier – dat twee (of meer) deelgenoten dezelfde prijs zouden bieden.Als een van de deelgenoten een hogere prijs wil betalen dan de getaxeerde prijs, dan volgt marktwerking en dient degene die het meest wil betalen de grond te kunnen kopen.
Deze gedaagden hebben niet gehandeld in strijd met de aanbiedingsregeling. Niemand heeft zijn aandeel te koop aangeboden. [A] heeft het initiatief genomen en voorgesteld de andere aandelen in het perceel over te nemen. Dit nadat het perceel ook aan [B] is aangeboden.
Er is geen noodzaak een deskundige te benoemen, want het is een feit van algemene bekendheid dat de prijs die [A] biedt, veel hoger is dan de plaatselijke marktwaarde voor landbouwgrond.
Er is ten slotte volgens deze gedaagden geen sprake van overtreding van de aanbiedingsregeling en dus zijn zij geen boetes aan [B] verschuldigd.
6.5.
Op de verdere stellingen van partijen zal de rechtbank, waar nodig, hierna nader ingaan.
7De beoordeling in beide zaken
7.1.
De beide zaken hangen met elkaar samen en bepaalde vorderingen en verweren zijn in deze zaken elkaars spiegelbeeld. De rechtbank zal ze daarom gezamenlijk behandelen.
Het uitgangspunt:
7.2.
Vaststaat dat tussen partijen met betrekking tot het perceel een onverdeeldheid bestaat, waarvan [A] verdeling vordert.
Als uitgangspunt geldt daarbij – kort gezegd – dat niemand ongewild in een onverdeeldheid hoeft te blijven en dat als de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, de rechter op grond van artikel 3:185 lid 1 BW op vordering van de meest gerede partij de verdeling kan vaststellen of de wijze van verdeling kan gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
7.3.
Allereerst is aan de orde de vraag of de aanbiedingsregeling van toepassing is op een situatie als de onderhavige, waarin dus twee deelgenoten bereid zijn de aandelen van de overige deelgenoten over te nemen. Daarna komt eventueel aan de orde de vraag of een van toepassing zijnde aanbiedingsregeling aan de door [A] gevorderde verdeling door de rechter in de weg kan staan.
De toepasselijkheid van de aanbiedingsregeling:
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanbiedingsregeling op een situatie als de onderhavige niet van toepassing.
De beslissing van het geschil vergt uitleg van de aanbiedingsregeling. Bij die uitleg komt het niet alleen aan op de taalkundige betekenis van de bewoordingen van die bepaling, gelezen in de context van de gehele akte van levering, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Dat neemt niet weg dat in dit geval de taalkundige uitleg een belangrijke rol speelt. [A] heeft namelijk op de zitting onbetwist gesteld dat partijen rond het passeren van de akte van levering niet uitdrukkelijk en specifiek over de aanbiedingsregeling hebben gesproken. Verder hebben [D] , [E] , [F] , [G] en de erven onbetwist gesteld dat de notaris die regeling ook niet nader heeft toegelicht. Partijen waren bij het passeren van de akte van levering bovendien niet zelf aanwezig; zij hadden hun ouders in dat kader volmachten verleend.
7.5.
Volgens de tekst van de aanbiedingsregeling, ziet deze op de situatie dat een of meer deelgenoten: “wenst/wensen over te gaan tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het onverdeelde aandeel in het onroerend goed”. In dat geval dient aanbieding plaats te vinden aan de overige deelgenoten.
Komt na aanbieding aan de andere deelgenoten van een onverdeeld aandeel geen overeenkomst tot stand, dan is de aanbiedende deelgenoot volgens onderdeel b van de aanbiedingsregeling “vrij (…) aan derden te verkopen, indien deze overdracht als dan geschiedt binnen 4 maanden na het laatst gedaan aanbod”.
Deze uitdrukkelijke vermelding in de aanbiedingsregeling, dat bij gebreke van een overeenkomst binnen de kring van deelgenoten binnen vier maanden na het laatste aanbod overdracht aan derden is toegestaan, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de aanbiedingsregeling slechts beoogt te voorkomen dat de andere deelgenoten met een onbekende en niet tot de familie behorende derde geconfronteerd zouden kunnen worden, zonder daarop zelf invloed te kunnen uitoefenen. Om die in beginsel ongewenst geachte situatie te voorkomen, worden beperkingen opgelegd aan de uit art. 3:175 lid 1 BW voortvloeiende mogelijkheid voor een deelgenoot om vrijelijk over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed te beschikken.
7.6.
Het punt van de uitleg van onderdeel b van de aanbiedingsregeling en het begrip “derde” in het bijzonder is tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk besproken en aan de advocaat van [B] voorgelegd. De reactie die daarop volgde (“Derde moet gezien worden als een ander; ook een andere deelgenoot; dus een ander dan ten aanzien van degene aan wie het wordt aangeboden.”) snijdt geen hout, aangezien die gedachte veronderstelt dat er twee categorieën deelgenoten zouden zijn: deelgenoten aan wie wel aangeboden zou moeten worden en deelgenoten aan wie niet aangeboden zou moeten worden. De aanbiedingsregeling verplicht echter primair tot aanbieding “aan de overige mededeelgerechtigden tesamen”.
Deze reactie gaat ook voorbij aan hetgeen in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan onder een ‘derde’, zijnde een niet tot de kring van direct betrokkenen behorende persoon.
7.7.
Kortom, met de aanbiedingsregeling wordt beoogd dat het perceel primair binnen de familiekring van de broers en zus [familienaam partijen] blijft, zij het dat onverdeelde aandelen waarop niet wordt gereflecteerd niet volstrekt onverkoopbaar worden en binnen vier maanden na het aanbod alsnog aan een derde kunnen worden verkocht.
Binnen deze context en uitgaande van deze uitleg van de aanbiedingsregeling volgt daaruit dat de aanbiedingsregeling niet van toepassing is op beoogde overdrachten binnen de kring van deelgenoten, waarvan in dit geval sprake is.
7.8.
De aanbiedingsregeling regelt in het bijzonder ook niet de situatie (zoals die hier voorligt), waarbij in wezen alle deelgenoten de onverdeeldheid willen opheffen en twee van hen het gehele perceel op verschillende condities in eigendom willen verkrijgen.
7.9.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de aanbiedingsregeling in de huidige situatie niet van toepassing is.
Zou de aanbiedingsregeling, indien van toepassing, in de weg staan aan de verdelingsvordering van [A] ?
7.10.
Uit de aanbiedingsregeling volgt ook niet dat deze in de weg kan staan aan een verdelingsvordering zoals ingesteld door [A] . De rechtbank wijst er in dat kader op dat art. 3:176 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten “te allen” verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen , tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit de overige leden van die wetsbepaling anders voortvloeit.
Uit de parlementaire geschiedenis op deze bepaling blijkt dat de wetgever hiermee vooral bedoeld heeft dat de vordering tot verdeling niet aan verjaring onderhevig is, maar deze achtergrond schetst naar het oordeel van de rechtbank wel het grote belang dat de wetgever heeft verbonden aan het recht van de deelgenoten om verdeling te vorderen. Dat recht bestaat “te allen tijde”, tenzij dat recht door een rechtshandeling of door de rechter is uitgesloten. Er is niet gebleken van een dergelijke uitsluiting die nog van kracht is.
[B] heeft, ook op vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel kunnen leiden dat de aard van deze gemeenschap aan verdeling in de weg staat.
7.11.
De rechtbank overweegt verder nog het volgende. Op grond van art. 3:166 lid 3 BW in verbinding met art. 6:2 BW zijn de deelgenoten niet alleen verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar is een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
7.12.
Tussen partijen staat vast dat het door [A] geboden bedrag van € 105 per m2 aanzienlijk hoger is, zelfs het vier- à vijfvoudige, dan de door alle partijen geschatte waarde van het perceel in het economisch verkeer. [A] heeft zijn bereidheid om een aanzienlijk hoger bedrag te bieden tijdens de mondelinge behandeling toegelicht met de mededeling dat het hem goed is gegaan en dat hij zijn andere broers en zus met de betaling van € 105 per m2 iets gunt.
[B] is niet bereid dit bedrag te betalen en houdt vast aan de vaststelling van de waarde door deskundigen, welke waarde dus in alle gevallen aanzienlijk lager zal zijn. Hiermee zou [B] zijn andere broers en zus dus een aanzienlijke ‘meevaller’ onthouden.
[B] gaat er verder aan voorbij dat zijn benadering weer kosten voor één of meerdere deskundigen met zich brengt, als gevolg waarvan de te verdelen opbrengst alleen nog maar lager wordt.
Vanuit dat perspectief bezien, oordeelt de rechtbank dat de door [B] als persoonlijke belangen bij naleving van de aanbiedingsregeling aangevoerde omstandigheden redelijkerwijze niet opwegen tegen de gezamenlijke belangen van de andere deelgenoten om als uitvloeisel van de door [A] gevorderde verdeling de door hem aangeboden prijs als ‘meevaller’ te ontvangen.
Los van het oordeel dat de aanbiedingsregeling in deze situatie niet van toepassing is, zou [B] door naleving van de aanbiedingsregeling te vorderen indien deze wel van toepassing zou zijn, gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden zodanig in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen, dat (i) de aanbiedingsregeling in dit geval buiten toepassing zou moeten blijven en dat (ii) de daarop door [B] gebaseerde vorderingen afgewezen moeten worden.
De door [B] gevorderde boete:
7.13.
[B] heeft in de zaak 26-13 ter onderbouwing van zijn vordering achter III nog gewezen op de in r.o. 4.4 tot en met 4.7 geciteerde correspondentie en betoogd dat [A, C, D, E, F en G samen] hiermee de aanbiedingsregeling hebben overtreden en boetes hebben verbeurd.
De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt van [B] .
Allereerst geldt dat de aanbiedingsregeling, zoals hiervoor is geoordeeld, op deze situatie niet van toepassing is. Van overtreding ervan door [A, C, D, E, F en G samen] en het bijgevolg verbeuren van boetes kan dan ook geen sprake zijn.
Ten tweede geldt dat de brieven zijn verstuurd in het kader van een poging om in onderling overleg en buiten rechte uit de onverdeeldheid te geraken. De afzenders van de brieven hebben daar nu in deze procedure een andere visie op, wat hen ook vrij staat.
Tenslotte blijkt uit de tekst van de brieven niet een duidelijk voornemen om een onverdeeld aandeel in het perceel te vervreemden in de zin van de aanbiedingsregeling. [B] wordt er slechts op geattendeerd dat hij alle onverdeelde aandelen kan overnemen voor een prijs van € 105,- per m2, de prijs die een derde ook bereid is te bieden. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank geen onvoorwaardelijk(e) voornemen of bereidheid van [A, C, D, E, F en G samen] om hun onverdeelde aandelen te vervreemden voor een op dat moment onbepaalde en eventueel door deskundigen vast te stellen prijs.
7.14.
Er is in de zaak 26-13 dus geen grond voor een veroordeling van [A, C, D, E, F en G samen] om de aanbiedingsregeling na te komen of boetes te betalen. De vorderingen van [B] zullen daarom worden afgewezen. De rechtbank zal hierna in dit vonnis de wijze van verdeling van het perceel gelasten en daarbij de aanbiedingsregeling buiten beschouwing laten.
De verdeling van het perceel:
7.15.
[A] wil het hele perceel toegedeeld krijgen, waarbij hij bereid is om de andere deelgenoten € 105,- per m2 te betalen voor hun deel van het perceel.
[D] , [E] , [F] , [G] en de erven zijn in zaak 25-340 (de door [A] gestarte verdelingsprocedure) niet verschenen en hebben dus geen verweer gevoerd tegen deze primair door [A] gevorderde wijze van verdeling van het perceel.
[B] wil dat het perceel op een andere wijze wordt verdeeld, maar daar gaat de rechtbank aan voorbij. [B] is niet bereid om de andere deelgenoten € 105,- per m2 te betalen. Hij houdt bij de primair en subsidiair door hem voorgestelde wijzen van verdeling vast aan een prijsbepaling conform de regeling met drie deskundigen, die is genoemd in de aanbiedingsregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat dat tot een aanzienlijk lager bedrag per m2 zal leiden dan het bedrag van € 105,- dat [A] bereid is aan elke deelgenoot te betalen. Deze door [B] gewenste verdelingswijzen zijn daarmee in financiële zin erg nadelig voor de andere deelgenoten. Hun belangen zouden daardoor worden geschaad. [B] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, die maken dat zijn belang bij toedeling desondanks zou moeten prevaleren boven dat van [A] .
De meer subsidiair door [B] voorgestelde splitsing van het perceel is ook niet aan de orde, omdat de overige deelgenoten dat niet willen. Redenen waarom zij dat in het kader van deze verdelingsprocedure desondanks zouden moeten accepteren, heeft [B] niet gesteld.
7.16.
De rechtbank zal daarom als wijze van verdeling gelasten dat het perceel aan [A] wordt toegedeeld, waarbij hij de overige deelgenoten een vergoeding moet betalen van € 105,- per m2.
7.17.
[A] vordert dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend voor het geval de overige deelgenoten niet aan de notariële levering meewerken. Die vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking. [A] noemt geen juridische grondslag voor deze vordering. Voor zover hij zich heeft willen beroepen op artikel 3:174 BW, kan dat beroep niet slagen. Weliswaar kan de rechter op grond van dat artikel een deelgenoot machtigen om een gemeenschappelijk goed te gelde te maken, maar dat kan alleen met als doel de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of een ander gewichtige reden. Die gevallen doen zich hier niet voor, waarbij de rechtbank opmerkt dat de wens om tot verdeling te komen niet als een gewichtige reden kan worden aangemerkt.
7.18.
De vordering van [A] om het vonnis in de plaats te laten treden van de medewerking van de andere deelgenoten is op de hierna te vermelden wijze toewijsbaar. De andere partijen hebben daartegen ook geen afzonderlijk verweer gevoerd.
De proceskosten in beide procedures:
7.19.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen in beide procedures de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
8De beslissing
De rechtbank,
in de zaak 25-340:
8.1.
gelast de volgende wijze van verdeling van het perceel:
8.1.1.
deelt het perceel toe aan [A] , tegen een waarde van € 105,- per vierkante meter perceeloppervlak;
8.1.2.
veroordeelt [B] , [C] , [D] , [E] , [F] en [G] om binnen één maand na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de toedeling van het perceel aan [A] , waarbij zij hun onverdeelde aandelen in het perceel aan [A] leveren, ten overstaan van notaris mr. J.H.M. van Voskuijlen (dan wel een door deze notaris aan te wijzen kantoorgenoot en/of vervanger), waarbij de kosten van de akte van verdeling/levering voor 1/7e deel voor rekening komen van ieder van partijen,
8.1.3.
bepaalt voor het geval [B] , [C] , [D] , [E] , [F] of [G] ondanks de betekening van dit vonnis weigeren om op het eerste verzoek van de transporterend notaris de noodzakelijke medewerking te verlenen aan de toedeling van het perceel aan [A] , dit vonnis in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte notariële akte, maar alleen voor wat betreft de instemmende wilsverklaringen van de betreffende deelgenoot en alleen voor zover vereist voor de eigendomsoverdracht van het onverdeelde aandeel van die deelgenoot in het perceel aan [A] ,
8.1.4.
bepaalt dat [A] aan [B] , [C] , [D] , [E] , [F] en aan [G] wegens overbedeling bij de hiervoor onder 8.1.3. bedoelde levering een bedrag moet voldoen van € 105,- per m2 maal 1/7e deel van de totale perceeloppervlakte,
8.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
8.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij in deze procedure de eigen kosten draagt,
in de zaak 26-13:
8.4.
wijst de vorderingen af,
8.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij in deze procedure de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
Zie ook R. Ligtvoet, Koopopties en voorkeursrechten in agrarische overeenkomsten, Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2023/5.
Zie r.o. 5.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|