|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:7483 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/2470 25/2471 25/2472 25/2473 en 25/2474 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Hoogte van de proceskostenvergoeding in een WOZ-zaak. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn rechtsbijstandverlener (Previcus) in 2025 een bijzonder geval was. De door Previcus ingediende facturen, betaalbewijzen, modelofferte en notitie tonen dit niet aan. | | Trefwoorden | : | bpm | | | tarieven | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/2470, 25/2471, 25/2472, 25/2473 en 25/2474
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [naam] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch
(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of in dit geval bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding toepassing moet worden gegeven aan de vermenigvuldigingsfactoren in artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ. Dat is kort samengevat het geval als het kantoor van de gemachtigde van eiser ( [naam] ) in 2025 een ‘bijzonder geval’ was.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vermenigvuldigingsfactoren moeten worden toegepast. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat [naam] in 2025 een bijzonder geval was. Eiser krijgt dus op dat punt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Onder 5 staat het beoordelingskader (wanneer kun je spreken van een bijzonder geval?), onder 6 en 7 de standpunten van partijen, het door eiser aangedragen bewijs wordt genoemd vanaf 9 en na 10 volgt de weging van dat bewijs door de rechtbank. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met de beschikking van 25 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van (onder andere) de woningen op de adressen [adressen] in ’ [woonplaats] voor het jaar 2025 vastgesteld. Daarbij zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen aan eiser opgelegd.
2.1.
Met de uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar de waarden gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
In de beroepsfase hebben partijen een compromis gesloten over de WOZ-waarden van de woningen. Eiser heeft verzocht om een proceskostenvergoeding.
2.3.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie over de WOZ-waarden
3. Uit het gesloten compromis volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en stelt de waarde vast op € 307.000 voor de woning aan de [adres] , € 307.000 voor de woning aan de [adres] , € 329.000 voor de woning aan de [adres] , € 294.000 voor de woning aan de [adres] en € 329.000 voor de woning aan de [adres] .
4. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaar- en de beroepsfase. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Partijen verschillen alleen van mening over de vraag of daarbij de vermenigvuldigingsfactoren in artikel 30a van de Wet WOZ moeten worden toegepast.
Beoordelingskader
5. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn de tarieven voor een vergoeding van kosten van verleende rechtsbijstand opgenomen. In artikel 30a van de Wet WOZ zijn vermenigvuldigingsfactoren opgenomen die op de tarieven moeten worden toegepast als het gaat om besluiten die (onder andere) op grond van de Wet WOZ zijn genomen. Voor de bezwaarfase is een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 van toepassing en voor de beroepsfase (in dit geval) een vermenigvuldigingsfactor van 0,25. Dat is alleen anders als de rechtsbijstandverlener of zijn kantoor een bijzonder geval is. Alleen in dat geval kunnen de volle tarieven in het Bpb worden toegepast.
5.1.
Artikel 30a van de Wet WOZ is ingevoerd bij de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm (WHpkv).
5.2.
Met het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als ‘bijzonder geval’ moet worden aangemerkt, ieder geval waarin kennelijk niet:
“aan belanghebbenden rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat:
(i) wordt opgetreden op basis van ‘no cure no pay’;
(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen; en
(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.”
5.3.
Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure.
5.4.
De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
5.5.
Gevallen die kennelijk niet de hiervoor onder 5.2 bedoelde kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ. Dit dient buiten redelijke twijfel komen vast te staan. De stelplicht en de bewijslast van feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
5.6.
De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het bezwaarschrift in deze zaak dateert van 7 april 2025 en het beroepschrift van 29 september 2025.
5.7.
Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
5.8.
Het komt er dus op neer dat eiser in deze procedure moet aantonen dat [naam] in 2025 te werk ging volgens een bedrijfsmodel dat ten minste één van de drie hierboven onder 5.2. genoemde kenmerken niet heeft.
De standpunten van partijen
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bedrijfsmodel van [naam] sinds 2025 niet meer alle genoemde drie kenmerken heeft. Vanaf 2025 wordt namelijk nagenoeg niet meer op no cure no pay-basis gewerkt. De cliënt betaalt een vaste startvergoeding en/of draagt een deel (in bijna alle gevallen 40%) van de gerealiseerde besparing af. Voor de startvergoeding wordt een afspraak op maat gemaakt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in beroep 191 facturen aan zijn cliënten en bijbehorende betaalbewijzen ingediend. Daarbij is ook een notitie ter toelichting op het bedrijfsmodel en een modelofferte gevoegd.
7. De heffingsambtenaar is het niet met eiser eens. De besparingsfee is volgens de heffingsambtenaar gebaseerd op het no cure no pay-beginsel en is niet verschuldigd bij ongegrondverklaring. De besparingsfee en de startfee hebben geen relatie met de daadwerkelijk gemaakte kosten per uur. In de offertes is vermeld dat de ontvanger geen kosten maakt waardoor de kostenvergoeding voor gemachtigde is. Ook is in de offertes vermeld dat de afspraken bij voortzetting van de opdracht van kracht blijven, tenzij partijen anders overeenkomen. Het is niet duidelijk wat de afwijkende afspraken kunnen inhouden en in welke gevallen daarvan gebruik wordt gemaakt. Volgens de heffingsambtenaar staat dus niet vast dat [naam] voortaan een bedrijfsmodel zou hebben dat niet is ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. De heffingsambtenaar geeft verder aan dat de facturen en betaalbewijzen die in beroep zijn ingebracht in geen enkel geval het geheel aan afspraken en de betalingen betreffen. De heffingsambtenaar wijst erop dat bijvoorbeeld [naam] , [naam] , [naam] de [naam] dienstverlening hebben opgenomen op basis van enkel het no cure no pay-beginsel. Daarnaast heeft [naam] voor 60 aanslagbiljetten € 1.750 betaald, dus € 29 per aanslagbiljet. Ook [naam] betaalt alleen € 75 als vast bedrag voor een aanslagbiljet met waarschijnlijk meer objecten. [naam] betaalt voor alle objecten in Nederland € 2.400.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De goede procesorde
8. De gemachtigde van eiser heeft één dag voor de zitting een overzicht van de facturen en betaalbewijzen ingezonden. In reactie daarop heeft de heffingsambtenaar op diezelfde dag en op de dag van de zitting een groot aantal stukken ingezonden. De rechtbank laat al deze stukken buiten beschouwing wegens de goede procesorde. Partijen hadden deze stukken veel eerder kunnen indienen. Het zo laat indienen van stukken belemmert dat de tegenpartij én de rechtbank zich adequaat op een zitting kunnen voorbereiden.
8.1.
De rechtbank heeft in deze stukken geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
Het door eiser overgelegde bewijs
9. De modelofferte vermeldt:
“De startfee wordt in rekening gebracht voor de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het verwerken van de aanslagbiljetten, het screenen van de objecten op de aanslagbiljetten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift. De besparingsfee is op basis van no cure no pay. Bij een ongegronde procedure zal de besparingsfee niet in rekening worden gebracht, ongeacht onze inspanningen.”
9.1.
Verder blijkt uit de modelofferte dat de hoogte van de startfee afhankelijk is van het aantal aanslagbiljetten. Zo bedraagt de startfee € 500 bij 1 tot en met 10 aanslagbiljetten, oplopend tot € 3.200 bij 91 tot en met 100 aanslagbiljetten.
9.2.
In de notitie wordt opgemerkt:
“De startfee wordt bepaald aan de hand van het aantal aanslagbiljetten dat door client wordt aangeleverd. Hierbij geldt dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wel of geen bezwaar.”
9.3.
De notitie vermeldt verder dat [naam] in 2025 nog 1.291 aanslagbiljetten in behandeling had, waar in totaal 5.080 adressen mee waren gemoeid; dat bij 58% van de behandelde aanslagbiljetten een startfee is overeengekomen (62% van de adressen) en bij 93% van de aanslagbiljetten een besparingsfee is overeengekomen (89% van de adressen).
9.4.
De overgelegde facturen zijn in 2025 en 2026 opgemaakt. Deze laten het volgende zien.
In 111 van de 191 facturen is een besparingsfee in rekening gebracht.
Van de 111 facturen waarin een besparingsfee verschuldigd was, is 2 keer daarnaast ook een startfee door de cliënt verschuldigd. Er is dus 109 keer alleen een besparingsfee in rekening gebracht.
In 82 van de 191 facturen is een vast bedrag (de rechtbank begrijpt: de startfee) in rekening gebracht.
In een enkel geval is de factuur gebaseerd op een uurtarief.
De besparingsfee bedraagt bij de meeste facturen 40%. Een aantal keer wijkt het percentage af en ligt het tussen de 25 en 37,50%.
Weging van het geleverde bewijs
10. Het tot 1 januari 2025 door [naam] gehanteerde bedrijfsmodel hield in dat de cliënt steeds de eventuele proceskostenvergoeding, immateriële schadevergoeding en (eventuele) dwangsom verschuldigd is. Dat is zo gebleven. Het model is alleen in zoverre veranderd dat [naam] een startfee en/of een besparingsfee met de cliënt afspreekt.
10.1.
De besparingsfee is alleen verschuldigd als de bezwaar- en/of beroepsprocedure leidt tot een verlaging van de desbetreffende aanslagen en wordt berekend als een percentage daarvan. Dat is wat in het algemeen onder no cure, no pay wordt verstaan. In de modelofferte volgt ook [naam] dit algemene begrip, nu daarin staat: “De besparingsfee is op basis van no cure no pay.”
10.2.
In de Memorie van Toelichting bij de WHpkv is vermeld dat bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan.(onderstreping rechtbank). Ondanks deze onderstreepte passage is de rechtbank van oordeel dat het (enkel) afspreken van een besparingsfee als no cure no pay moet worden gezien vanwege de duidelijke strekking van de wet. Immers: het financieel risico ontbreekt dan voor de cliënt. Hij heeft nog steeds alleen maar iets te winnen, namelijk een verlaging van een aanslag, zij het dat in dat geval een deel daarvan naar de rechtsbijstandverlener gaat. Als de aanslag in stand blijft, heeft de cliënt geen kosten, wat no cure no pay is. De hier bedoelde strekking staat ook voor de Hoge Raad voorop gelet op de passage die onder 5.3 is opgenomen.
10.3.
De besparingsfee doet er dus niet aan af dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay. De volgende vraag is wat de betekenis van de startfee is.
10.4.
Dat een rechtsbijstandverlener een startfee berekent, staat niet op voorhand aan de kwalificatie van optreden op basis van no cure no pay in de weg.
10.5.
Uit de onder 9.4 genoemde cijfers leidt de rechtbank af dat in een zeer aanzienlijk aantal gevallen geen startfee wordt overeengekomen met de cliënt. Dat is te weinig om te kunnen zeggen dat het bedrijfsmodel is gebaseerd op het in rekening brengen van startfees. De onder 9.3 genoemde percentages (58% respectievelijk 62%) zijn niet met stukken onderbouwd. Zelfs als van die percentages zou worden uitgegaan, wordt nog steeds in een aanzienlijk aantal gevallen geen startfee overeengekomen. In die gevallen waarin wel een startfee in rekening is gebracht, is de startfee in aan aantal gevallen zeer laag te noemen als deze wordt afgezet tegen het aantal aanslagbiljetten dat dan in het geding kan zijn. De heffingsambtenaar heeft daar terecht op gewezen. In die gevallen is de startfee niet meer dan een symbolische bijdrage te noemen als bedoeld onder 5.4.
10.6.
Bij het voorgaande komt nog dat op basis van de ingediende stukken niet valt na te gaan of deze een volledig beeld geven van het bedrijfsmodel van [naam] . Zo is het opvallend dat geen factuur en/of betaalbewijs is ingediend die ziet op de aan eiser verleende diensten. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser op zitting dat deze dienstverlening valt onder een wel ingediende factuur, is niet verder onderbouwd en is daarom niet te controleren.
Conclusie en gevolgen
11. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd te bewijzen dat het bedrijfsmodel er niet uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay. [naam] is dan ook geen bijzonder geval. Daarmee bestaat geen aanleiding de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing te laten.
11.1.
De rechtbank stelt de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank zal de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a van de Wet WOZ hanteren. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding aldus vast op € 633,50 (€ 1.332 x 0,125 en € 1.868 x 0,25).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
stelt de waarde van de woning op het adres [adres] voor het jaar 2025 vast op een bedrag van € 307.000;
stelt de waarde van de woning op het adres [adres] voor het jaar 2025 vast op een bedrag van € 307.000;
stelt de waarde van de woning op het adres [adres] voor het jaar 2025 vast op een bedrag van € 329.000;
stelt de waarde van de woning op het adres [adres] voor het jaar 2025 vast op een bedrag van € 294.000;
stelt de waarde van de woning op het adres [adres] voor het jaar 2025 vast op een bedrag van € 329.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 633,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 22 oktober 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.
Wet waardering onroerende zaken.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm)(Stb 2023, 507).
ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, r.o. 2.6.1.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.5. en Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175, r.o. 3.4.5.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, r.o. 2.6.2.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.6.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:671, r.o. 2.4.3.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:671, r.o. 2.4.4.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 2.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382, r.o. 2.6.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|