|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2025:5397 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-09-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 04-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_781 TU | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | In deze zaak oordeelt de rechtbank dat de SVB bij de toekenning van kinderbijslag voor volgende kinderen, door toepassing van het tegenwettelijke beleid SB1401, een onderscheid maakt tussen twee verschillende categorieën rechthebbenden, dat in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 van het Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In dit geval gaat het om een onderscheid bij de toekenning van kinderbijslag al naar gelang de geboorte(aangifte) van een volgend kind in Nederland of in het buitenland heeft plaatsgevonden. Bij de eerste categorie kent de SVB de kinderbijslag automatisch toe, bij de tweede categorie niet eerder dan op aanvraag en met een beperktere terugwerkende kracht. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | kinderbijslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/781
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)
gemachtigde: E.M. Mulder.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de kinderbijslag voor [kind] , die in het buitenland is geboren. Eiser (vader van [kind] ) is het met die ingangsdatum niet eens. De SVB maakt in dit geval bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag onderscheid tussen kinderen die in Nederland zijn geboren en kinderen die in het buitenland zijn geboren. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot conclusie dat in het onderzoek tot nu toe onvoldoende aandacht is besteed aan de rechtsvraag of de SVB daarbij al dan niet een verboden onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Procesverloop
1.1.
Met een besluit van 14 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de SVB eiser ten behoeve van [kind] met terugwerkende kracht van één jaar vanaf het vierde kwartaal van 2023 kinderbijslag toegekend op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
1.2.
Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiser heeft de SVB die ingangsdatum gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en [moeder] (de ouders van [kind] ) en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3.1.
Op [geboortedag] 2009 is [kind] geboren in [geboorteplaats], China. Van zijn geboorte is in China aangifte gedaan. Op 21 september 2010 is [kind] met zijn ouders weer naar Nederland verhuisd. In Nederland is de geboorteakte bij de gemeente [woonplaats] ingeschreven. Het gezin is tijdens het verblijf in China ingeschreven gebleven in Nederland. [kind] heeft een oudere broer, voor wie al kinderbijslag werd ontvangen.
3.2.
Op 6 oktober 2024 heeft eiser een digitale melding aan de SVB gestuurd met de tekst:
“We komen er zojuist achter dat onze tweede zoon geen kinderbijslag
ontvangt. Hij is geboren op [geboortedag] 2009 . Kunt u mij helpen hoe ik dit alsnog kan aanvragen (bij voorkeur met terugwerkende kracht) Alvast heel hartelijk dank.” De SVB heeft daarna de hiervoor beschreven besluiten genomen.
Standpunt SVB
3.3.
De SVB heeft zich op het standpunt gesteld dat recht bestaat op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2023, namelijk met ingang van één jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Als er in het gezin al kinderbijslag wordt ontvangen krijgt het volgende kind in het algemeen automatisch ook kinderbijslag. In dat geval gaat er bij de geboorteaangifte van het kind bij de gemeente een signaal naar de SVB. De SVB past dan de beleidsregel SB 1401 toe, waarin onder meer is bepaald wanneer kinderbijslag wordt toegekend zonder aanvraag. In de situatie dat het volgende kind in het buitenland is geboren, zoals in het geval van [kind] , moet de kinderbijslag echter actief worden aangevraagd bij terugkomst in Nederland. De beleidsregel SB1401 geldt dan niet. Dit is dus ook het geval als er voor een ouder kind in het gezin al kinderbijslag wordt ontvangen. Omdat eiser de geboorte van [kind] niet zelf binnen een maand na zijn geboorte bij de gemeente heeft aangemeld , was de SVB van die geboorte niet op de hoogte.
Sinds 2016 is het op grond van de wet niet meer mogelijk om kinderbijslag met terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Op grond van de beleidsregel SB 1401 hanteert de SVB het buitenwettelijke begunstigende beleid om een termijn van vijf jaar terugwerkende kracht te hanteren als het gaat om fouten in de automatische gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP . Er was in dit geval van een fout met de gegevensuitwisseling echter geen sprake, als gevolg waarvan de termijn van één jaar terugwerkende kracht uit de wet geldt.
Standpunt eiser
3.4.
Eiser wil voor zijn zoon [kind] kinderbijslag ontvangen vanaf diens geboorte op [geboortedag] 2009.
Het recht op kinderbijslag is volgens eiser een basisrecht in de zin van artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van het kind. Elk kind in Nederland zou dit moeten ontvangen. De ouders hebben tijdens de zitting uitgelegd dat zij in China aangifte van geboorte hebben gedaan en de geboorteakte aldaar hebben laten legaliseren. Bij terugkeer in Nederland hebben zij [kind] bij de gemeente aangemeld. Volgens eiser is gemeente [gemeente] nalatig geweest. De gemeente had de ouders erop moeten wijze dat zij zelf de kinderbijslag bij de SVB moesten aanvragen. De ouders ervaren het als oneerlijk dat nu blijkt dat [kind] ten opzichte van andere kinderen te weinig heeft ontvangen. De ouders ontdekten pas dat voor [kind] geen kinderbijslag werd ontvangen, toen [kind] zelf informeerde naar de mogelijkheid om het bedrag, dat voor hem bestemd was, te ontvangen als kleedgeld.
De beoordeling van de rechtbank
4. De rechtbank hecht eraan om voorop te stellen dat eiser kennelijk een onjuist beeld heeft van (het doel van de) kinderbijslag. Onjuist is namelijk dat kinderbijslag een recht is dat aan het kind toekomt. In het kort gezegd komt het recht op kinderbijslag toe aan de ouders van minderjarige kinderen, die tot het huishouden behoren en door die ouder(s) worden onderhouden. De kinderbijslag dient als een bijdrage van overheidswege in de kosten van onderhoud en verzorging. Eiser doet dan ook ten onrechte een beroep op het Verdrag voor de rechten van het kind.
Met betrekking tot het standpunt van de ouders dat ze oneerlijk worden behandeld, overweegt de rechtbank verder als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 14, eerste lid, van de AKW stelt de Sociale verzekeringsbank op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat. In het tweede lid van artikel 14 van de AKW is bepaald, dat een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
4.2.
Artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a van de AKW bepaalt (voor zover van belang) dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag van kinderbijslag werd ingediend.
4.3.
Eiser heeft de aanvraag voor [kind] gedaan op 6 oktober 2024. Op deze aanvraag is artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW van toepassing. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling. Dat betekent dat de wet bepaalt dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan één jaar voor de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend. De SVB heeft deze bepaling in zoverre dan ook juist toegepast.
4.4.
Eisers stelling dat het besluit voor [kind] oneerlijk en nadelig uitpakt ten opzichte van andere kinderen legt de rechtbank uit als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
4.5.
Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel acht de rechtbank relevant dat de SVB een buitenwettelijk, om niet te zeggen tégen-wettelijk begunstigend beleid hanteert. Dat beleid is vastgelegd in SB1401. Daarin wijkt de SVB af van de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 14, eerste lid van de AKW, doordat zij kinderbijslag toekent zónder dat een aanvraag is gedaan. Dat beleid hanteert de SVB als een betrokkene al kinderbijslag ontvangt voor een eerder kind én er van de geboorte van een volgend kind in Nederland aangifte is gedaan (cursivering van de rechtbank).
Het beleid in SB1401 luidt namelijk als volgt:
Na de geboorte van volgende kinderen kent de SVB automatisch kinderbijslag toe als betrokkene aangifte heeft gedaan in Nederland. De SVB gebruikt hiervoor gegevens uit de basisregistratie personen (BRP). Bij fouten in de gegevensuitwisseling met de BRP, kent de SVB de kinderbijslag voor het volgende kind toe met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar. De SVB berekent deze termijn vanaf het moment waarop zij:
de fout in de gegevensuitwisseling constateert; of
van betrokkene hoort dat hij geen kinderbijslag voor het volgende kind heeft ontvangen.
Als een betrokkene meer dan een jaar na de geboorte van het volgende kind aangifte doet, dan kent de SVB de kinderbijslag toe met een terugwerkende kracht van maximaal een jaar. De SVB berekent deze termijn vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de betrokkene aangifte heeft gedaan. De SVB ontleent deze termijn aan artikel 14 lid 3 AKW .
4.6.
In dit beleid maakt de SVB dus onderscheid tussen (1) eerstgeborenen en/of kinderen waarvan buiten Nederland aangifte van geboorte is gedaan en (2) volgende kinderen waarvan aangifte van geboorte is gedaan in Nederland. Voor de eerste groep geldt de wettelijke bepaling van artikel 14, eerste lid van de AKW, wat inhoudt dat recht op kinderbijslag pas op aanvraag wordt vastgesteld, en voor de tweede groep geldt in afwijking van die wettelijke bepaling dat kinderbijslag automatisch wordt toegekend.
4.7.
Dit bekent dus, dat er verschil bestaat voor wat betreft de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag tussen kinderen die géén eerstgeborenen zijn, namelijk: (a) voor kinderen die behoren tot de eerste groep (geboorteaangifte buiten Nederland) gaat het recht op kinderbijslag in beginsel in vanaf de geboorte, maar in geen geval eerder dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is gedaan en (b) voor volgende kinderen die behoren tot de tweede groep (geboorteaangifte in Nederland) gaat het recht op kinderbijslag automatisch in vanaf de geboorte (behoudens fouten in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP).
4.8.
Een gevolg hiervan is dat ouders van kinderen in de eerste groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, pas recht krijgen op kinderbijslag met ingang van een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin zij alsnog een aanvraag indienen. De ouders van kinderen in de tweede groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, krijgen daarentegen altijd vanaf de geboorde een recht op kinderbijslag, omdat de SVB daarin dan automatisch voorziet (tenzij sprake is van een fout in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP).
4.9.
Hoewel de Centrale Raad van Beroep op 15 mei 2025 heeft overwogen, dat tegenwettelijk beleid niet exceptief wordt getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, ziet de rechtbank op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in dit geval toch aanleiding om te toetsen of de SVB met dit (tegenwettelijk) beleid al dan niet een verboden onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
In artikel 1 van het Twaalfde Protocol is namelijk het volgende bepaald:
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat deze bepaling een algemeen verbod op discriminatie heeft geïntroduceerd. Het omvat daarmee al het overheidshandelen, ongeacht of dit bij of krachtens wetgeving of anderszins plaatsvindt (zoals in casu met buitenwettelijk/tegenwettelijk beleid). Onder discriminatie wordt verstaan dat personen in vergelijkbare situaties zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging verschillend worden behandeld. Het EHRM heeft verder geoordeeld dat het begrip discriminatie in artikel 1 van het Protocol nr. 12 en artikel 14 EVRM, ondanks verschil in reikwijdte tussen deze bepalingen, identiek is. Voor de uitleg wanneer sprake is van (verboden) discriminatie kan dus aangesloten worden bij de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van artikel 14 EVRM. Discriminatie is aan de orde als sprake is van:
1. analoge of gelijkwaardige gevallen, en;
2. er sprake is van een verschil in behandeling, en;
3. het verschil in behandeling plaatsvindt op basis van een identificeerbaar kenmerk of identificeerbare status;
terwijl dit verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door:
1. een legitiem doel en;
2. een evenredige verhouding tussen de gebruikte middelen en dit doel (evenredigheidstoets).
4.10.
In dit geval maakt het SVB bij de toepassing van artikel 14 AKW, ingevolge haar tegenwettelijk beleid SB1401, een onderscheid tussen twee categorieën, als hiervoor omschreven in rechtsoverweging 4.7. De SVB maakt met dit beleid een onderscheid op basis van de plaats waar aangifte is gedaan van geboorte van het minderjarige kind, die gevolgen heeft voor de ingangsdatum van de kinderbijslag. Aldus wordt een onderscheid gemaakt op basis van een identificeerbare status – de plaats van geboorte – van voor het overige gelijkwaardige gevallen. De rechtbank wijst er daarbij op dat het begrip “status”, “andere status” of “identificeerbare status” in dit verband door het EHRM ruim wordt uitgelegd en bijvoorbeeld door het EHRM ook een verschil van behandeling op basis van een immigratieachtergrond is beschouwd als een verschil in behandeling op basis van een “andere status”.
De vraag is nu of de SVB als overheidsorgaan door toepassing van het beleid in SB1401 bij de uitoefening van de in artikel 14 AKW gegeven bevoegdheid, een al dan niet geoorloofd onderscheid maakt tussen de hiervoor in rechtsoverweging 4.7. genoemde groepen, met betrekking tot de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag. Een onderscheid is geoorloofd als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (d.w.z. een legitiem doel dient) en er een redelijke verhouding bestaat tussen het gebruikte middel (het gemaakte onderscheid) en het daarmee beoogde doel. Dit laatste volgt uit jurisprudentie van het EHRM, zoals hiervoor uiteen is gezet.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van de in rechtsoverweging 4.10. genoemde rechtsvraag tot dusver in het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aandacht heeft gekregen. De rechtbank ziet daarom reden om het onderzoek te heropenen, teneinde de SVB gelegenheid te geven om zich alsnog over deze rechtsvraag uit te laten en te motiveren (a) welk objectief en redelijk (=legitiem) doel wordt gediend met het door haar in het beleid SB1401 gehanteerde onderscheid en (b) dat het om een redelijk en proportioneel onderscheid gaat in relatie tot het daarmee beoogde doel.
Voor zover de SVB daarbij tot de conclusie komt dat dit onderscheid (in beginsel) gerechtvaardigd is, verzoekt de rechtbank de SVB óók te motiveren waarom dit onderscheid gerechtvaardigd blijft vanaf het moment dat de geboorteakte bij terugkeer in Nederland overeenkomstig artikel 25 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingeschreven in het geboorteregister ofwel anderszins wordt aangemeld. Vanaf dat moment kan de SVB immers – naar het de rechtbank voorshands voorkomt – net als ten aanzien van in Nederland geboren en aangegeven kinderen, van de geboorte van het kind en een eventueel recht op kinderbijslag op de hoogte zijn. Ook voor dergelijke gevallen zou een automatische koppeling vanaf datum inschrijving/aanmelding administratief geregeld moeten kunnen worden.
4.12.
De rechtbank zal eiser vervolgens in de gelegenheid stellen om op de motivering van de SVB te reageren.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank heropent het onderzoek en houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de SVB op om zich binnen één maand uit te laten als in rechtsoverweging 4.11 overwogen;
- bepaalt dat eiser vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen één maand te reageren op het standpunt van de SVB;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:CRVB:2025:700
Vgl. EHRM 9 december 2010, zaaknr. 7798/08 (Savez Crkava "Riječ Života" And Others v. Croatia, vindplaats: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-102173), r.o. 103 en 104.
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 december 2009, zaaknrs. 27996/06 en 34836/06 (Sejdić and Finci v. Bosnia and Herzegovina, vindplaats: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-96491)
Zie bijvoorbeeld EHRM 5 september 2017, zaaknr. 78117/13 (Fábián vs. Hungary, vindplaats: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-176769), r.o. 113
Zie bijvoorbeeld EHRM 6 november 2012, zaaknr. 22341/09 (Hode And Abdi v. The United Kingdom, vindplaats: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-114244), r.o. 46 en 47 en EHRM 21 juni 2011, zaaknr. 5335/05 (Ponomaryovi v. Bulgaria, vindplaats: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-105295), r.o. 48 e.v., zie ihb r.o. 63. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|