Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:3298 
 
Datum uitspraak:12-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:AK_25_3410
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat DUO terecht geen schadevergoeding heeft toegekend. Beroep ongegrond
Trefwoorden:studiefinanciering
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3410

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit Denekamp, eiser ([eiser])

en


de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), gemachtigde: mr. F. Hummel-Fekkes.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om schadevergoeding dat [eiser] bij DUO heeft ingediend. DUO heeft dit verzoek afgewezen en [eiser] is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat DUO terecht geen schadevergoeding aan [eiser] heeft toegekend. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 en verder staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en verder staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. In het besluit van 4 september 2025 heeft DUO het verzoek om schadevergoeding afgewezen. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


2.1.
In het bestreden besluit van 14 oktober 2025 is DUO bij de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gebleven.



2.2.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van DUO.




Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiser] volgt sinds 1 september 2024 de master Data-driven Business aan de Hogeschool Utrecht. Op 13 november 2024 heeft [eiser] bij DUO studiefinanciering aangevraagd. Dit is aan [eiser] met ingang van december 2024 toegekend in de vorm van een basisbeurs, een aanvullende beurs en een reisvoorziening.


3.1.

[eiser] heeft op 29 april 2025 studiefinanciering aangevraagd voor de periode van september tot en met november 2024. DUO heeft [eiser] voor de maanden september tot en met november 2024 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs en een aanvullende beurs.



3.2.
Met het formulier ‘Aanvraag Schadevergoeding studentenreisproduct’ heeft [eiser] op 22 augustus 2025 verzocht om toekenning van schadevergoeding, omdat, zo stelt [eiser], hij achteraf bezien al per september 2024 recht had op studiefinanciering, inclusief een reisvoorziening. Voor deze periode heeft [eiser] een treinabonnement moeten kopen.



3.3.
Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.




Standpunten van partijen

4. DUO meent dat [eiser] geen recht heeft op een schadevergoeding. Het studentenreisproduct wordt niet toegekend voor een periode die is gelegen vóór de datum van indiening van de aanvraag. Verder heeft [eiser] niet ten minste acht weken voor het begin van de maand waarin hij (weer) recht had op een studentenreisproduct, alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering aan DUO verstrekt. Om die reden heeft [eiser] evenmin recht op schadevergoeding. Verder is volgens DUO niet gebleken dat aan [eiser] onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt. [eiser] heeft evenmin aangetoond dat dit is gebeurd. Zo heeft [eiser] geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij verkeerd is voorgelicht.


4.1.

[eiser] stelt – samengevat weergegeven – dat hij in augustus 2024 telefonisch contact heeft opgenomen met DUO met de vraag of hij recht had op studiefinanciering en een studentenreisproduct voor de master die hij vanaf september 2024 ging volgen. Daarop heeft een medewerker van DUO geantwoord dat [eiser] hier geen recht meer op had. Op 14 november 2024 heeft [eiser] opnieuw telefonisch contact opgenomen met DUO. Ook toen is aan [eiser] meegedeeld dat hij geen recht had op studiefinanciering en een studentenreisproduct. Pas in december 2024 is [eiser] er door zijn opleiding op gewezen dat hij wel recht heeft op studiefinanciering. DUO heeft vervolgens de studiefinanciering met terugwerkende kracht toegekend per september 2024. Het studentenreisproduct is echter pas toegekend vanaf december 2024.



4.2.

[eiser] stelt door DUO verkeerd te zijn voorgelicht, waardoor hij een treinabonnement voor de maanden september, oktober en november 2024 heeft moeten aanschaffen. Daarnaast heeft de situatie tot grote onzekerheid geleid over de vraag of hij zijn master wel kon voortzetten vanwege de onzekere financiële situatie. Die onzekerheid was er niet geweest als [eiser] juist was geïnformeerd. [eiser] had de reiskosten niet hoeven maken als hij direct gebruik had kunnen maken van het studentenreisproduct.



4.3.

[eiser] meent dat DUO in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, nu hij tot tweemaal toe onjuist is geïnformeerd. Ook handelt DUO is strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat DUO niet heeft onderzocht wat in deze gesprekken is gezegd. Dit had wel gekund, omdat de gesprekken zijn opgenomen. Het is volgens [eiser] niet redelijk dat DUO hem tegenwerpt dat hij niet ten minste acht weken voor het begin van de maand waarin hij (weer) recht had op een studentenreisproduct alle benodigde gegevens aan DUO heeft verstrekt. Alle gegevens waren immers al bekend bij DUO vanwege de inschrijving voor de master. Volgens [eiser] is voorts sprake van een onevenredige benadeling. Hij heeft als student kosten moeten maken die voortkwamen uit een fout van DUO. De schade is feitelijk, aantoonbaar en was te voorkomen geweest, aldus [eiser].




Beoordeling door de rechtbank

5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [eiser] recht heeft op een schadevergoeding, omdat hij in de periode september 2024 tot en met november 2024 geen gebruik heeft kunnen maken van het reisrecht.


5.1.
In artikel 3.21, vierde lid, van de Wsf 2000 staat dat een reisvoorziening niet wordt toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.



5.2.
Als iemand wel recht heeft op studiefinanciering en een reisvoorziening in de vorm van een reisrecht, maar het reisproduct waar hij recht op heeft niet op tijd klaarstaat waardoor hij geen gebruik kan maken van zijn reisrecht, dan kan diegene met het formulier ‘Aanvraag Schadevergoeding studentenreisproduct’ bij DUO om een schadevergoeding vragen. DUO kijkt dan of diegene aan alle voorwaarden die in artikel 3.29 van de Wsf 2000 zijn genoemd, voldoet. Eén van die voorwaarden is dat iemand ten minste 8 weken voordat zijn recht op studiefinanciering inging, de studiefinanciering heeft aangevraagd én alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Vaststaat dat dit in de situatie van [eiser] niet is gebeurd. [eiser] heeft immers (voorafgaand aan de periode waar het om gaat) geen aanvraag ingediend. Alleen al om die reden voldoet [eiser] niet aan de genoemde voorwaarde om voor schadevergoeding in aanmerking te komen.


5.3.

[eiser] stelt – kort gezegd – dat hij geen aanvraag heeft ingediend, omdat een medewerker van DUO op zijn vraag of hij recht had op studiefinanciering, heeft geantwoord dat dit niet het geval is. Hij stelt dus dat DUO hem verkeerd heeft voorgelicht en dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij niet op tijd een aanvraag heeft ingediend. De rechtbank kan uit de stukken die in het dossier zitten echter niet opmaken dat een medewerker van DUO dit inderdaad heeft gezegd. Uit de stukken die DUO heeft ingediend, blijkt dat [eiser] op 23 augustus 2024 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van DUO, maar wat er in dat gesprek is gezegd, blijkt daar niet uit. DUO ontkent dat het betreffende gesprek is opgenomen, maar heeft wel navraag gedaan bij de medewerker met wie [eiser] contact heeft gehad. Ook daaruit blijkt niet dat is gezegd dat hij geen recht op studiefinanciering en een reisvoorziening zou hebben. [eiser] zelf heeft geen informatie overgelegd, waaruit het tegendeel blijkt. Van strijd met het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken.


5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat in wat [eiser] heeft aangevoerd geen reden is gelegen om te concluderen dat de wet- en regelgeving die DUO heeft toegepast in zijn geval onevenredig nadelig heeft uitgepakt.



5.5.
Voor zover [eiser] heeft beoogd een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb te doen, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en ook overigens niet is onderbouwd dat sprake zou zijn van een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt dus geen gelijk. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op



de griffier is buiten


staat deze uitspraak mede


te ondertekenen










griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak