|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5164 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_22_1507 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Wabo. Omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van de capaciteit van een co-/mestvergistingsinstallatie. Eisers vrezen dat de omgevingsvergunning leidt tot onaanvaardbare geur- en geluidhinder bij hun woning. Inschakeling STAB. Mede op basis van het advies van de STAB oordeelt de rechtbank dat de bestreden omgevingsvergunning in stand kan blijven, maar niet ongewijzigd. Enkele vergunningvoorschriften moeten worden aangepast en aangevuld. Het beroep is gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak. Ook wordt aan eisers een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | digestaat | | | forfaitair | | | geluidhinder | | | omgevingsvergunning | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/1507
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers ( [eiser 1] en [eiser 2] ),
gemachtigde: [gemachtigde] ,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder (GS).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bio Verwerker Anerveen B.V. (BVA), uit Anerveen,
gemachtigde: mr. dr. D.G.J. Sanderink.
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die GS aan BVA heeft verleend voor het wijzigen en uitbreiden van de capaciteit van haar co-/mestvergistingsinstallatie. [eiser 1] en [eiser 2] vrezen dat deze omgevingsvergunning leidt tot onaanvaardbare geur- en geluidhinder bij hun woning.
1.2
Aan de verlening van de omgevingsvergunning liggen een geurrapport en een geluidrapport ten grondslag. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) als deskundige gevraagd om te beoordelen of GS de conclusies uit die rapporten mocht volgen.
1.3
De STAB heeft geconcludeerd dat GS de conclusies uit het geurrapport mocht volgen. Met betrekking tot het geluidrapport heeft de STAB enkele tekortkomingen en onduidelijkheden geconstateerd, maar de STAB heeft geconcludeerd dat deze later alsnog met een aanvullende notitie voldoende zijn weggenomen.
1.4
Mede op basis van het advies van de STAB oordeelt de rechtbank dat de bestreden omgevingsvergunning in stand kan blijven, maar niet ongewijzigd. Enkele vergunningvoorschriften moeten worden aangepast en aangevuld. Op verzoek van de rechtbank heeft GS een voorstel gedaan voor de formulering van die voorschriften. [eiser 1] en [eiser 2] en BVA hebben met dat voorstel van GS ingestemd.
1.5
Het beroep is daarom gegrond, maar de vergunning wordt alleen vernietigd voor zover het gaat om de geluidsvoorschriften die worden vervangen of aangevuld. De rechtbank voorziet in zoverre zelf in de zaak. Voor het overige blijft de vergunning in stand. Omdat de procedure te lang heeft geduurd, kent de rechtbank aan [eiser 1] en [eiser 2] daarnaast een schadevergoeding toe.
Inleiding
2.1
Bij besluit van 17 oktober 2019 heeft GS aan BVA een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en uitbreiden van de inrichting op de locatie [adres 1] / [adres 2] .
2.2
Tegen dit besluit hebben onder meer [eiser 1] en [eiser 2] beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 oktober 2021 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2019 vernietigd en GS opgedragen binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van BVA van 5 september 2017, met inachtneming van de uitspraak.
2.3
Met het bestreden besluit van 14 juli 2022 heeft GS dat gedaan.
2.4
Hiertegen hebben [eiser 1] en [eiser 2] beroep ingesteld.
2.5
GS heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
2.6
BVA heeft ook op het beroep gereageerd.
2.7
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Daarbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Namens BVA hebben [naam 6] , [naam 7] en [naam 9] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. J.J. Paalman, de toenmalige gemachtigde van BVA.
De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten.
2.8
Op 25 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Vervolgens heeft de rechtbank de STAB in deze zaak benoemd als deskundige. Per brief van 15 oktober 2024 heeft de rechtbank de STAB gevraagd om advies uit te brengen. Dat heeft zij op 14 februari 2025 gedaan. Vervolgens heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken op dat advies te reageren. [eiser 1] en [eiser 2] en BVA hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
2.9
De geplande zitting van 14 oktober 2025 is niet doorgegaan vanwege een toegewezen verschoningsverzoek van het lid van de meervoudige kamer van de rechtbank mr. F. Onrust.
2.10
Bij brieven van 8 december 2025 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat
mr. F. Onrust wordt vervangen door mr. B.A.J. Haagen en gelijktijdig toestemming gevraagd om de behandeling voort te zetten in de stand waarin het onderzoek zich op dat moment bevond. Partijen hebben daarop niet gereageerd.
2.11
Op 22 januari 2026 heeft de rechtbank het beroep opnieuw op een zitting behandeld. Daarbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 4] en [naam 5] . Namens BVA hebben [naam 6] , [naam 9] en [naam 10] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. dr. D.G.J. Sanderink. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van de zaak aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven om te onderzoeken of zij in onderling overleg tot volledige overeenstemming in deze zaak konden komen. Ter zitting is gebleken dat hiervoor doorslaggevend was of partijen overeenstemming konden bereiken over een in de vergunning op te nemen geurnorm.
2.12
Per e-mail van 19 februari 2026 heeft GS de rechtbank gevraagd om meer tijd dan de op zitting afgesproken periode van vier weken om tot overeenstemming te komen over de geurnorm. BVA heeft in reactie hierop aangegeven niet in te stemmen met een verlaging van de geurnorm die is opgenomen in voorschrift 6.1.1 van de omgevingsvergunning en de rechtbank gevraagd om uitspraak te doen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben per brief van
20 februari 2026 ook gereageerd op verweerders e-mail van 19 februari 2026.
2.13
Per brief van 10 maart 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat er, gelet op het standpunt van BVA, geen reden is om de termijn voor het voeren van overleg te verlengen. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet en in dat kader in de brief van 10 maart 2026 aan GS gevraagd om te reageren op enkele concreet benoemde punten uit de brief van [eiser 1] en [eiser 2] van 20 februari 2026. Bij brief van 24 maart 2026 heeft GS hierop gereageerd.
2.14
Bij brief van 17 april 2026 heeft de rechtbank [eiser 1] en [eiser 2] en BVA in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van GS van 24 maart 2026. Ook heeft de rechtbank daarbij aan [eiser 1] en [eiser 2] gevraagd om expliciet aan te geven welke gronden zij nog beoordeeld willen zien door de rechtbank, gelet op wat tijdens de zitting op
22 januari 2026 is besproken en het overleg dat partijen hebben gevoerd.
2.15
Bij brief van 22 april 2026 hebben [eiser 1] en [eiser 2] gereageerd op de brief van de rechtbank van 17 april 2026 en de brief van GS van 24 maart 2026. Deze brief van [eiser 1] en [eiser 2] bevat een nadere onderbouwing van beroepsgronden die zij eerder al hebben aangevoerd.
2.16
BVA heeft per brief van 29 april 2026 aangegeven dat zij zich in grote lijnen kan vinden in de brief van GS van 24 maart 2026 en dat zij daarom geen aanleiding ziet om daarop inhoudelijk te reageren.
2.17
Vervolgens heeft de rechtbank partijen om toestemming gevraagd om uitspraak te doen zonder dat een nieuwe zitting wordt gehouden. [eiser 1] en [eiser 2] en BVA hebben daarop aangegeven geen nieuwe zitting te willen. GS heeft binnen de gestelde termijn niet laten weten een nieuwe zitting te willen. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
3.1
BVA heeft sinds 2007 een co-/mestvergistingsinstallatie op het bedrijfsperceel aan de [adres 1] / [adres 2] (hierna: de locatie). [eiser 1] en [eiser 2] wonen aan de [adres 3] , op circa 200 m van de inrichting van BVA.
3.2
Op 18 juni 2012 is voor de inrichting van BVA een omgevingsvergunning (revisievergunning) verleend. De vergunde activiteiten betreffen onder meer een input van biomassa van 49.500 ton per jaar, inclusief uitbreiding met drie na-opslagsilo’s, een mestbassin, algenkweekvijvers en toebehoren, een helofytenfilterveld en vijver, een gas-opwaarderingsinstallatie en een nieuwe ontsluitingsroute. Op 7 april 2016 is voor de inrichting een veranderingsvergunning verleend voor een overdekte opslagloods voor de opslag van vaste mest en/of digestaat, een bio-filter, het opsplitsen van het grote opslagbassin in twee kleinere bassins, het verplaatsen van het helofytenfilter en de aangrenzende vijver en het realiseren van de drie mestsilo’s op een andere plek dan vergund. Deze vergunningen zijn onherroepelijk en in werking getreden.
3.3
Bij aanvraag van 5 september 2017, nadien meerdere keren aangevuld, heeft BVA GS gevraagd aan haar een omgevingsvergunning te verlenen voor:
- het uitbreiden van de inputcapaciteit van de co-vergistingsinstallatie van 49.500 ton
naar 70.000 ton mest en co-producten per jaar;
het verwerken van 70.000 ton mest per jaar los van de vergistingsinstallatie;
de bouw van een opslag- en bewaarloods voor landbouwproducten; en
het doorvoeren van wijzigingen in de bedrijfsvoering, inclusief bijbehorende
installatie-onderdelen en logistieke faciliteiten.
3.4
Met het besluit van 17 oktober 2019 heeft GS de gevraagde omgevingsvergunning aan BVA verleend.
3.5
In de uitspraak van 19 oktober 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat (ook) voor het verwerken van 70.000 ton mest per jaar, los van de vergistingsinstallatie, een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan is vereist. Hiervoor was in het besluit van 17 oktober 2019 geen vergunning verleend en ook had de door de raad van de gemeente Hardenberg verleende verklaring van geen bedenkingen (vvgb) geen betrekking op deze activiteit. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank het besluit van 17 oktober 2019 heeft vernietigd en GS heeft opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van BVA. Daarbij heeft de rechtbank onder meer aangegeven dat, als GS het productieproces ten behoeve van het verwerken van mest los van de vergistingsinstallatie wil vergunnen, de aanvraag van BVA onder meer moet worden uitgebreid met het bouwen van een hygiënisatieloods. Ook heeft de rechtbank aangegeven dat BVA duidelijkheid zal moeten verschaffen over de vraag of de toegangsweg, die uitkomt op de [straatnaam] , al dan niet tot de inrichting behoort.
3.6
BVA heeft daarna haar aanvraag van 5 september 2017 aangevuld en gewijzigd.
De gewijzigde aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten:
het verwerken van 70.000 ton mest per jaar en de daarmee samenhangende activiteiten komen geheel te vervallen; de (hygiënisatie)loods wordt bestemd voor de opslag van materieel en goederen ten behoeve van de bio-vergistingsinstallatie;
het verhogen van de capaciteit van de co-/mestvergisting van 49.500 ton naar 130.000 ton in te voeren mest en co-producten per jaar;
het aanpassen van de bestaande luchtwasser met geurreiniging door uitbreiding
met een loogtrap die in de plaats komt van de stoftrap;
het plaatsen en in gebruik nemen van een andere gas-opwerkingsinstallatie dan de installatie die in 2012 is vergund (die is nooit gerealiseerd);
een loods voor de opslag en het bewaren, drogen en verwerken van land- en
akkerbouwproducten.
Verder heeft BVA in de gewijzigde aanvraag aangegeven dat de (eigen) toegangs- en ontsluitingsweg richting de [straatnaam] onderdeel is van de inrichting.
3.7
Op basis van de gewijzigde aanvraag heeft GS het bestreden besluit genomen.
De bestreden omgevingsvergunning
4.1
In het bestreden besluit heeft GS aan BVA een omgevingsvergunning verleend voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c, en e, sub 2° en 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit zijn de volgende activiteiten:
bouwen van een bouwwerk (hierna: de bouwvergunning);
gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (hierna: de afwijkingsvergunning);
het veranderen van (de werking van) een inrichting en het in werking hebben van een inrichting (hierna: de milieuvergunning).
4.2
De bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een loods voor de opslag en het bewaren, drogen en verwerken van land- en akkerbouwproducten en voor het plaatsen van een gas-opwerkingsinstallatie. De afwijkingsvergunning is verleend voor de loods voor de opslag en het bewaren, drogen en verwerken van land- en akkerbouwproducten. De milieuvergunning betreft een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo en is verleend voor, kort gezegd, de gewijzigde werking van de inrichting en de uitbreiding van de vergistingscapaciteit.
4.3
De omgevingsvergunning bevat diverse bouw- en milieuvoorschriften.
De beroepsgronden van [eiser 1] en [eiser 2]
5. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in hun aanvullende beroepschriften van 26 september 2022 en 14 juni 2024 meerdere en verschillende beroepsgronden aangevoerd. Zij vrezen dat de bestreden omgevingsvergunning tot onaanvaardbare hinder en overlast zal leiden, met name op de aspecten geur en geluid. Daarbij hebben zij er onder meer op gewezen dat hun woning naast de toegangsweg naar de inrichting van BVA ligt, terwijl alle producten (grondstoffen en eindproducten) per vrachtwagen moeten worden aan- en afgevoerd. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is de impact en belasting hiervan op hun woon- en leefklimaat in het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig gewogen en getoetst. Ook stellen zij dat de toegangs- / ontsluitingsweg van de inrichting in strijd is met de (agrarische) bestemming van de gronden waarop die weg ligt, terwijl met het bestreden besluit het gebruik van die weg juist intensiever wordt. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] gemotiveerd betoogd dat GS onvoldoende heeft onderbouwd dat in de vergunde situatie de geur- en geluidbelasting van de inrichting op de omgeving als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Daarbij hebben zij ook aangevoerd dat de incidentele bedrijfssituatie (hierna: de IBS) in de bestreden omgevingsvergunning onvoldoende is geregeld. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarvoor onvoldoende voorschriften opgenomen en de voorschriften die daarover wel zijn opgenomen zijn onvoldoende duidelijk.
Standpunten van GS over geur en geluid
6.1
Aan het bestreden besluit liggen onder meer ten grondslag het rapport ‘Bio Verwerker Anerveen B.V. - Akoestisch onderzoek’, van 10 december 2021 (hierna: het geluidrapport van 10 december 2021) en het rapport ‘Bio Verwerker Anerveen B.V. - Geuronderzoek’, van 14 maart 2022 (hierna: het geurrapport van 14 maart 2022). Beide rapporten zijn opgesteld door adviesbureau Noorman (hierna: Noorman).
6.2
GS heeft op basis van het geurrapport van 14 maart 2022 geconcludeerd dat de inrichting van BVA voor wat betreft de geurbelasting op nabijgelegen woningen kan voldoen aan de richtwaarden die gelden volgens de Beleidsregel Geur bedrijven (niet veehouderijen) Overijssel 2018 (hierna: de Beleidsregel Geur). Om te waarborgen dat aan die richtwaarden wordt voldaan, zijn in de omgevingsvergunning voorschriften, waaronder een controlevoorschrift, opgenomen. GS is van mening dat alle geurrelevante bronnen voldoende zijn onderzocht en dat de omgevingsvergunning voldoende voorschriften bevat om de omgeving te beschermen tegen overschrijdingen van de normen die in de vergunningsvoorschriften zijn opgenomen. Op basis hiervan stelt GS dat voldoende is gegarandeerd dat de bestreden omgevingsvergunning niet tot een onaanvaardbare geurbelasting op de omgeving leidt.
6.3
Op basis van het geluidrapport van 10 december 2021 heeft GS in het bestreden besluit geconcludeerd dat de geluidbelasting van de aangevraagde activiteiten op de woning van [eiser 1] en [eiser 2] voldoet aan de daarvoor geldende richt-, etmaal- en grenswaarden. Volgens GS is in de situatie waarvoor de omgevingsvergunning is verleend sprake van een aanvaardbaar geluidsniveau. Verder is volgens GS voldoende duidelijk wanneer sprake is van een IBS. Dat is namelijk in het geluidrapport en de omgevingsvergunning aangegeven. Ook is in de geluidsvoorschriften in de omgevingsvergunning geborgd dat het geluidsniveau in de IBS niet mag uitkomen boven wat maximaal aanvaardbaar is. Als de IBS meer dan incidenteel voorkomt, zal dat voor de omgeving duidelijk zijn en kan daartegen handhavend worden opgetreden wegens het overtreden van de geluidsvoorschriften voor de representatieve bedrijfsvoering (RBS). Daarom is een meldplicht voor het melden van een IBS volgens GS niet nodig. Verder is controlevoorschrift 5.1.2 van de vergunning-voorschriften opgenomen om, nadat de (uitbreiding van de) inrichting in werking is getreden, zeker te weten dat de voorgeschreven maximale geluidsbelasting op de omgeving is berekend op basis van de juiste bronvermogens van de akoestische bronnen.
Het advies van de STAB
7.1
Bij brief van 15 oktober 2024 heeft de rechtbank de STAB gevraagd om advies uit te brengen over de vraag of GS de conclusies in de rapporten van Noorman heeft kunnen volgen, gelet op wat [eiser 1] en [eiser 2] tegen die rapporten hebben aangevoerd. In haar advies van 14 februari 2025 (hierna: het STAB-rapport) heeft de STAB antwoord gegeven op deze vraag.
7.2
Over het aspect geur heeft de STAB geconcludeerd dat er niets is waaruit volgt dat de conclusies uit het geurrapport van 14 maart 2022 niet kunnen worden gevolgd. De gehanteerde emissiegegevens zijn gebaseerd op eerder uitgevoerde metingen en deze zijn op een correcte wijze doorgerekend naar emissies in het verspreidingsmodel. De in de berekeningen gebruikte emissies en duur van de emissies (in uren/jaar) komen realistisch over. De STAB heeft ingeschat dat de uitbreiding van de doorzet naar 130.000 ton per jaar niet zal leiden tot significant veel extra uren aan lossen van vloeibare co-producten en handelingen van geurende producten in de sleufsilo’s en bij de digestaatopslagruimte.
Uit metingen in september 2023 (van Olfasense) blijkt dat de geuremissie vanuit biobed 25b lager is dan wat is aangehouden in het geurrapport van 14 maart 2022. Op basis van het gestelde in de Beleidsegel Geur en de resultaten van Witteveen + Bos concludeert de STAB dat de geurbronnen bij BVA als ‘minder hinderlijk’ kunnen worden beschouwd, zoals in het rapport van Noorman ook is aangenomen. Ook is in voldoende mate toepassing gegeven aan de beste beschikbare technieken (BBT), aldus de STAB.
7.3
Over het aspect geluid heeft de STAB geconcludeerd dat het geluidrapport van 10 december 2021 enkele tekortkomingen en onduidelijkheden bevat. Dat betreft de waarde voor de maximale bronsterkte voor het optrekgeluid van vrachtwagens/tractoren, de modellering van de transportbewegingen op de [straatnaam] en het aangevraagde aantal transportbewegingen in de nachtperiode. In een aanvullende notitie van 24 januari 2025 heeft Noorman op deze punten een toelichting gegeven en nieuwe informatie overgelegd. BVA heeft die notitie ingediend als reactie op het conceptrapport van de STAB. Volgens de STAB is met die aanvullende notitie voldoende ingegaan op de inconsistenties en tekortkomingen in het geluidrapport van 10 december 2021 en is duidelijk geworden dat GS de conclusies uit dat rapport heeft kunnen volgen. Verder concludeert de STAB op het onderdeel geluid dat terecht geen rekening is gehouden met een obstakeltoeslag voor het geluid van optrekkend/afremmend verkeer, dat ook voor het onderdeel geluid in voldoende mate toepassing is gegeven aan de BBT en dat de belangrijkste geluidreducerende voorzieningen zijn voorgeschreven in de vergunning. Wel heeft de STAB geconcludeerd dat meerdere voorschriften over geluid in de omgevingsvergunning kunnen worden aangepast en verduidelijkt en dat de voorschriften over geluid met enkele nieuwe voorschriften kunnen worden aangevuld.
Reacties op het STAB-rapport
8.1
[eiser 1] en [eiser 2] hebben per brief van 15 maart 2025 op het STAB-rapport gereageerd en daartegen inhoudelijke gronden aangevoerd.
8.2
BVA heeft per brief van 28 maart 2025 aangegeven geen aanleiding te zien om inhoudelijk te reageren op het STAB-rapport, omdat daaruit blijkt dat de rapporten van Noorman kunnen worden gevolgd, zodat de bestreden vergunning in stand kan blijven. Indien en voor zover de rechtbank dat nodig vindt, heeft BVA geen bezwaar tegen het wijzigen of aanvullen van de vergunningvoorschriften, zoals de STAB dat heeft voorgesteld.
Voorstel verweerder voor wijziging vergunningvoorschriften geluid
9.1
Per brief van 17 september 2025 heeft de rechtbank GS gevraagd om aan te geven of hij vindt dat op de door de STAB genoemde punten extra voorschriften moeten worden opgenomen dan wel bestaande voorschriften moeten worden aangepast. Daarbij heeft de rechtbank tevens aan GS gevraagd om, als GS vindt dat dat moet, een concreet voorstel te doen voor hoe de gewijzigde en aanvullende voorschriften moeten luiden.
9.2
Hierop heeft GS per brief van 2 oktober 2025 aangegeven dat de bestreden omgevingsvergunning met het wijzigen en aanvullen van de voorschriften conform het advies van de STAB kan worden verduidelijkt. In deze brief heeft GS een voorstel gedaan voor de formulering van de te wijzigen vergunningvoorschriften 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2 en voor de formulering van de nieuw op te nemen vergunningvoorschriften 5.2.3, 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5 en 5.3.6.
Omvang van het beroep van [eiser 1] en [eiser 2]
10.1
In de brief van 22 april 2026 hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven dat zij in deze uitspraak een oordeel van de rechtbank willen over geluid en de ruimtelijke toelaatbaarheid van de toegangsweg naar de inrichting van BVA. Daarnaast hebben zij in die brief een nadere onderbouwing gegeven voor enkele gronden die zij in hun brief van 15 maart 2025 tegen het STAB-rapport hebben aangevoerd. Die nadere onderbouwing gaat over het aspect geur en over het niet ter inzage leggen van het geurrapport van 14 maart 2022 door GS.
10.2
Uit de brief van [eiser 1] en [eiser 2] van 22 april 2026 leidt de rechtbank af dat zij (alleen nog) een oordeel willen over de punten geur, geluid, de ruimtelijke toelaatbaarheid van de toegangsweg en het niet tijdig overleggen van het geurrapport van 14 maart 2022 door GS. Daarnaast hebben [eiser 1] en [eiser 2] in hun brief van 20 februari 2026 gevraagd om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij hebben zij aangegeven dat zij de vertraging in de behandeling van de zaak als gevolg van het gevoerde overleg van 22 januari 2026 tot 20 februari 2026 niet meerekenen. Op deze punten gaat de rechtbank hierna in.
Beoordeling van het beroep door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. In dit geval is de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ruim vóór 1 januari 2024. Ook het bestreden besluit is vóór die datum genomen. In dit geval blijft dan ook het oude recht van toepassing, namelijk het recht zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing).
Toegangsweg naar de inrichting van BVA
12.1
Op de gronden waarop de toegangsweg naar de inrichting van BVA ligt zijn twee bestemmingsplannen van toepassing: het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats 1] , [adres 2] ’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats 2] ’. Het deel van de toegangsweg waarop eerstgenoemd bestemmingsplan van toepassing is, ligt op gronden met de bestemming ‘Bedrijf – Open veenontginningslandschap’. Het deel van de toegangsweg waarop laatstgenoemd bestemmingsplan van toepassing is, ligt op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Open veenontginningslandschap’.
12.2
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd dat op de gronden met de agrarische bestemming geen ontsluitingsweg voor de biovergister mag worden aangelegd. Volgens hen is op die gronden ooit illegaal een pad gemaakt. Omdat dat niet als zodanig is bestemd voor de ontsluiting van de inrichting van BVA, is het gebruik dat BVA van die weg maakt in strijd met het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats 2] ’. Het overgangsrecht van dat bestemmingsplan maakt dit volgens [eiser 1] en [eiser 2] niet anders, omdat met het bestreden besluit het gebruik van de ontsluitingsweg intensiever wordt, waardoor de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt vergroot.
12.3
GS heeft in verweer in reactie op deze beroepsgrond gesteld dat de toegangsweg een bestaande verkeersvoorziening is en dat bestaande verkeersvoorzieningen volgens de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Open veenontginningslandschap’ zijn toegestaan. Omdat geen nieuwe verkeersvoorziening wordt aangelegd, volstaat de huidige bestemming. Ook heeft GS erop gewezen dat de toegangsweg er al lag voordat het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg’ op 1 oktober 2013 werd vastgesteld.
12.4
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het bestreden besluit ter beoordeling bij de rechtbank voorligt. Dit besluit ziet op de uitbreiding van een bestaande inrichting, meer specifiek op de uitbreiding van de vergistingscapaciteit en het bouwen van een loods. Het aanleggen of in gebruik nemen van een ontsluitingsweg zijn niet aangevraagd en ook niet vergund. Uit de aanvraag van BVA volgt dat reeds op 8 maart 2007 een veranderingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend voor (onder andere) de ontsluitingsweg. De vraag of het gebruik van de ontsluitingsweg in strijd is met het planologisch regime ligt in deze procedure dan ook niet voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Geluid
13.1
Op het onderdeel geluid hebben [eiser 1] en [eiser 2] in hun reactie op het STAB-rapport aangevoerd dat zij daarin hun betoog bevestigd zien dat voorwaarden voor de vergunde IBS ontbreken en dat GS bij het toestaan van de IBS geen belangenafweging heeft gemaakt. Ook heeft de STAB op p. 60 van het rapport bevestigd dat bij het optrekken van vrachtwagens hogere bronvermogens optreden dan de vermogens waarvan het geluidrapport van 10 december 2021 is uitgegaan. Verder zijn zij het eens met de conclusie van de STAB dat een goed controlevoorschrift ontbreekt. Zo’n voorschrift moet er nog komen, waarbij alle geluidsbronnen worden betrokken, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
13.2
De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is alleen anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
13.3
De STAB is een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. De rechtbank ziet in wat [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd geen aanleiding om het STAB-rapport op het onderdeel geluid niet aan haar beoordeling ten grondslag te leggen. De STAB heeft onderkend dat voormeld geluidrapport van 10 december 2021 op onderdelen tekortkomingen en onduidelijkheden bevat. De STAB heeft echter ook beoordeeld dat deze tekortkomingen met de aanvullende notitie van Noorman van 24 januari 2025 voldoende zijn weggenomen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet concreet onderbouwd waarom de nadere beoordeling van de STAB, na kennisneming van de aanvullende notitie van Noorman, niet kan worden gevolgd. De rechtbank neemt de eindconclusie van de STAB daarom over.
13.4
Dat betekent niet dat het bestreden besluit op het onderdeel geluid zonder gebreken is. Uit het STAB-rapport volgt immers dat het geluidrapport van 10 december 2021 op onderdelen tekortkomingen en onduidelijkheden bevat. In zoverre was het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast volgt uit het STAB-rapport dat in elk geval het controlevoorschrift 5.1.2 moet worden aangepast. In zoverre kan het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand blijven. Om deze reden is het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] gegrond. De STAB heeft in overweging gegeven om ook enkele andere geluidsvoorschriften aan te passen en om aanvullende geluidsvoorschriften op te nemen. Nu de voorschriften op het punt van het controlevoorschrift toch al moeten worden aangepast en alle partijen hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de door de STAB voorgestelde wijzigingen/aanvullingen - die aan de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] tegemoetkomen - ziet de rechtbank aanleiding om alle voorgestelde wijzigingen/aanvullingen van de STAB over te nemen. De rechtbank zal, mede gelet op wat hierna nog wordt overwogen, in zoverre zelf in de zaak voorzien en aan het einde van deze uitspraak, onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’, aangeven hoe de gewijzigde en nieuwe voorschriften komen te luiden.
13.5
De nieuwe voorschriften, zoals GS die in de brief van 2 oktober 2025 heeft geformuleerd, hebben onder meer betrekking op de IBS. Met die voorschriften wordt tegemoetgekomen aan de wens van [eiser 1] en [eiser 2] om voor de IBS een meldplicht op te nemen. Ook is in die voorschriften het aantal keer dat een IBS per jaar mag plaatsvinden verlaagd van twaalf naar tien. Verder blijkt uit de door GS voorgestelde wijziging van het controlevoorschrift 5.1.2 dat dat voorschrift in de nieuwe formulering betrekking heeft op de gehele inrichting van BVA, dus inclusief alle geluidsbronnen. Ook in zoverre wordt daarmee aan het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] tegemoetgekomen.
13.6
BVA heeft tijdens de zitting op 22 januari 2026 verklaard geen bezwaren te hebben tegen de voorschriften zoals GS die in de brief van 2 oktober 2025 heeft voorgesteld, met dien verstande dat de IBS wordt teruggebracht naar tien ‘dagen’ per jaar, in plaats van tien ‘keer’ per jaar, zoals in het voorstel van GS staat. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdens de zitting op 22 januari 2026 ook aangegeven zich te kunnen vinden in de door GS voorgestelde voorschriften, inclusief de door BVA voorgestelde aanpassing. Gelet op deze nadere voorschriften en de instemming van partijen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verdergaande vernietiging op dit punt. Voor zover in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar was afgewogen onder welke voorwaarden een IBS aanvaardbaar is, wordt dat gebrek met de gewijzigde en aanvullende voorschriften ondervangen.
13.7
Uit het voorgaande volgt dat wat [eiser 1] en [eiser 2] op het onderdeel geluid aanvoeren gedeeltelijk slaagt. Dat leidt ertoe dat het beroep gegrond is en dat de geluidsvoorschriften moeten worden gewijzigd en aangevuld. Het leidt echter niet tot het oordeel dat de omgevingsvergunning verdergaand moet worden vernietigd of overigens niet in stand kan blijven.
Geur
14.1
Op het onderdeel geur zijn [eiser 1] en [eiser 2] van mening dat GS de Beleidsregel Geur niet goed heeft toegepast. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is GS zonder motivering naar boven afgeweken van de streefwaarde voor geur, terwijl uit het STAB-rapport blijkt dat met toepassing van BBT een lagere geurbelasting kan worden bereikt. [eiser 1] en [eiser 2] zijn van mening dat uit het STAB-rapport volgt dat het mogelijk is om in de omgevings-vergunning lagere geurgrenswaarden vast te stellen en dat dat op grond van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Geur dan ook moet gebeuren. Zij willen dat in de vergunning wordt vastgelegd dat de 98-percentielwaarde van de geurimmissie op woningen maximaal 0,7 OUᴇ/m³ mag bedragen, althans dat een lagere 98-percentielwaarde wordt vastgesteld dan de norm van 1,3 OUᴇ/m³ die nu in voorschrift 6.1.1 van de vergunning is bepaald. Die norm laat nu te veel ruimte voor hinder en representeert niet de toepassing van BBT, aldus [eiser 1] en [eiser 2] . Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij onder meer gewezen op factsheets van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO). Daarnaast hebben [eiser 1] en [eiser 2] nog aangevoerd dat GS onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de volgens de Beleidsregel Geur geldende streefwaarde van 0,5 OUᴇ/m³ niet als geurnorm kan worden voorgeschreven.
14.2
GS heeft in zijn brief van 24 maart 2026 in reactie op deze beroepsgrond gewezen op de paragrafen 10.6 en 10.7 van de considerans bij de omgevingsvergunning. Daarin is uitgelegd dat en op welke wijze het aanvaardbaar geurhinderniveau is bepaald op basis van het geurrapport van 14 maart 2022 en de Beleidsregel Geur. In het geurrapport van 14 maart 2022 is de 98-percentielwaarde van 1,3 OUᴇ/m³ voor geurgevoelige bestemmingen in de categorie A (waar de woning van [eiser 1] en [eiser 2] in valt) bepaald op basis van verspreidingsberekeningen in de aangevraagde, nieuwe situatie. Daarbij is vastgesteld dat in de aangevraagde situatie op meerdere toetspunten de streefwaarde voor categorie A-objecten wordt overschreden, maar dat wel wordt voldaan aan de volgens het beleid geldende richtwaarde. Omdat ten aanzien van geurverwijdering BBT worden toegepast, acht GS de door Noorman berekende geurbelasting als gevolg van de nieuwe geurbronnen en de daaruit voortvloeiende geurnormen aanvaardbaar. Die geurnormen heeft GS vastgelegd in het door [eiser 1] en [eiser 2] bestreden voorschrift 6.1.1.
14.3
De rechtbank overweegt dat de STAB in haar rapport heeft geconcludeerd dat binnen de inrichting BBT worden toegepast en dat de toepassing van BBT voor geur in de vergunning voldoende is geborgd. Verder heeft de STAB in het geurrapport van 14 maart 2022 en het onderliggende rekenmodel geen gebreken geconstateerd waardoor GS de conclusies in het geurrapport niet had mogen volgen. Gelet hierop, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit op het onderdeel geur niet in stand kan blijven. De norm voor de 98-percentielwaarde is terecht vastgesteld op basis van het geurrapport van 14 maart 2022. GS heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom die norm past binnen de Beleidsregel Geur, waarbij van belang is dat volgens GS wordt voldaan aan de richtwaarde en dat BBT worden toegepast. De STAB heeft dit onderschreven. Dat bij controlemetingen van Olfasense lagere geurbelastingen zijn gemeten, betekent niet zonder meer dat GS op grond van de Beleidsregel Geur gehouden was een lagere norm voor te schrijven. Die metingen maken op zichzelf niet aannemelijk dat de in vergunning-voorschrift 6.1.1. opgenomen norm van 1,3 OUᴇ/m³ onvoldoende beschermend is of geen aanvaardbaar geurniveau oplevert. Wat [eiser 1] en [eiser 2] hiertegen hebben aangevoerd slaagt niet.
Kennis kunnen nemen van het geurrapport van 14 maart 2022
15.1
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd dat bij de terinzagelegging van zowel het bestreden besluit als het ontwerp daarvan en ook in het procesdossier een eerdere versie van het geurrapport van Noorman aan hen ter beschikking is gesteld (namelijk een versie met de dagtekening 11 februari 2022) en niet het geurrapport van 14 maart 2022. Voor zover zij dit kunnen nagaan, zat het geurrapport niet bij de stukken die met het bestreden besluit en het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen.
15.2
GS heeft in zijn brief van 24 maart 2026 in reactie op deze beroepsgrond naar voren gebracht dat het geurrapport met dagtekening 11 februari 2022 ook steeds onderdeel van de stukken is geweest, omdat BVA die versie van het geurrapport ook bij de aanvraag had gevoegd. In het procesdossier en bij de aanvraag zat volgens GS echter ook het geurrapport van 14 maart 2022. GS heeft geen aanleiding om aan te nemen dat deze laatste versie van het geurrapport niet ter inzage heeft gelegen.
15.3
De rechtbank stelt vast dat het geurrapport van 14 maart 2022 expliciet wordt genoemd in het bestreden besluit en aldus kenbaar aan dat besluit ten grondslag heeft gelegen. Ook heeft GS dit rapport in beroep overgelegd en is dit rapport door de rechtbank expliciet betrokken in haar adviesaanvraag aan de STAB. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geurrapport van 14 maart 2022 niet met het ontwerpbesluit of het bestreden besluit ter inzage heeft gelegen. Dat ook een eerdere versie van het geurrapport beschikbaar was, is daarvoor onvoldoende. Voor zover al sprake zou zijn geweest van een onvolkomenheid bij de terinzagelegging, zijn [eiser 1] en [eiser 2] daardoor niet in hun processuele belangen geschaad. Zij hebben in deze procedure kennis kunnen nemen van het rapport en daarop kunnen reageren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
16.1
De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM voor de behandeling van het beroep is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat het gegeven dat de rechter met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige inschakelt weliswaar een aanwijzing kan zijn voor de ingewikkeldheid van de zaak, maar dat dit niet zonder meer kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die tot verlenging van de redelijke termijn leidt.
16.2
De rechtbank overweegt dat voor de behandeling van een beroep zonder voorafgaande bezwaarprocedure in beginsel een termijn van twee jaar redelijk is. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank. De schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bedraagt een forfaitair bedrag van € 500 per half jaar of deel daarvan waarmee die termijn is overschreden.
16.3
De rechtbank heeft het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op 25 augustus 2022 ontvangen. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn ruimschoots overschreden.
16.4
De rechtbank is van oordeel dat de ingewikkeldheid van de zaak tot een verlenging van de redelijke termijn moet leiden. Het dossier is omvangrijk en het gaat om lastige materie met technische geschilpunten over geur en geluid, waarvoor de inschakeling van de STAB als deskundige noodzakelijk is gebleken. Daarnaast hebben partijen na de zitting van 22 januari 2026 overleg gevoerd en hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven dat zij de vertraging als gevolg van dat overleg, van 22 januari 2026 tot 20 februari 2026, niet meerekenen. Gelet hierop acht de rechtbank een langere redelijke behandelingsduur met zes maanden gerechtvaardigd. Daarmee resteert een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan één jaar, maar niet meer dan anderhalf jaar. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen en de aan [eiser 1] en [eiser 2] toe te kennen schadevergoeding bedraagt € 1.500. Omdat de overschrijding geheel is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) deze schadevergoeding betalen.
Conclusie en gevolgen
17.1
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de voorschriften 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.2 betreft. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de vernietigde voorschriften worden vervangen door de voorschriften 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.2, zoals die - conform het voorstel van GS - hieronder zijn weergegeven onder ‘Gewijzigde voorschriften’:
Gewijzigde voorschriften
Voorschrift 5.1.2
Binnen 6 maanden nadat de gewijzigde bedrijfssituatie in bedrijf is genomen moet door middel van een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat aan de in deze vergunning gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan.
Voorschrift 5.2.2
Het maximale geluidniveau LAmax (in dB(A)) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten vanwege de representatieve bedrijfssituatie, mag ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:
70 dB(A) tussen 06:00 en 19:00 uur (dagperiode, hoogte 1,5 m);
65 dB(A) tussen 19:00 en 22:00 uur (avondperiode, hoogte 5 m);
60 dB(A) tussen 22:00 en 06:00 uur (nachtperiode, hoogte 5 m).
Voorschrift 5.3.2
Het maximale geluidniveau LAmax (in dB(A)) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten vanwege de incidentele bedrijfssituatie, mag ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:
70 dB(A) tussen 06:00 en 19:00 uur (dagperiode, hoogte 1,5 m);
65 dB(A) tussen 19:00 en 22:00 uur (avondperiode, hoogte 5 m);
60 dB(A) tussen 22:00 en 06:00 uur (nachtperiode, hoogte 5 m).
17.2
Ook zal de rechtbank bepalen dat de voorschriften van de omgevingsvergunning worden aangevuld met de voorschriften 5.2.3, 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5 en 5.3.6 zoals die hieronder - conform het voorstel van GS en met inachtneming van de reactie van BVA daarop - zijn weergegeven onder ‘Aanvullende voorschriften’:
Aanvullende voorschriften
Voorschrift 5.2.3
Er zijn maximaal twee transportbewegingen van en naar de inrichting in de nachtperiode (tussen 22:00 en 06:00 uur) toegestaan. Deze dienen via de Slagenweg plaats te vinden.
Voorschrift 5.3.3
De transportbewegingen van en naar de inrichting dienen tijdens de avondperiode (tussen 19:00 en 22:00 uur) en de nachtperiode (tussen 22:00 en 06:00 uur) via de Slagenweg plaats te vinden.
Voorschrift 5.3.4
Een incidentele bedrijfssituatie als bedoeld in deze paragraaf 5.3 mag maximaal 10 dagen per kalenderjaar plaatsvinden. Daarbij geldt dat de incidentele bedrijfssituatie 4 dagen mag plaatsvinden in de periode maart tot en met mei, 4 dagen in de periode augustus tot en met oktober en nog 2 dagen op andere momenten in het jaar.
Voorschrift 5.3.5
Tijdens de incidentele bedrijfssituatie mag het aantal transportbewegingen van en naar de inrichting niet meer bedragen dan 108 transporten (zijnde 216 transportbewegingen). Dit is maximaal een verdubbeling van de transportbewegingen tijdens de representatieve bedrijfssituatie.
Voorschrift 5.3.6
De vergunninghouder stelt het bevoegd gezag zo snel mogelijk (dit kan dus voor het plaatsvinden van de incidentele bedrijfssituatie zijn i.v.m. vooraf geplande ritten) in kennis van het optreden van een incidentele bedrijfssituatie. Indien de kennisgeving niet direct mogelijk is, moet dit zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één werkdag na het plaatsvinden van de incidentele bedrijfssituatie plaatsvinden.
17.3
Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
17.4
Omdat het beroep gegrond is, moet GS het griffierecht aan [eiser 1] en [eiser 2] vergoeden. Daarnaast moet GS aan hen een vergoeding betalen voor de kosten die zij hebben gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De hoogte van de vergoeding daarvoor stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.736 (4 punten; waarde per punt: 934; wegingsfactor 1). Het totaal van 4 punten is als volgt tot stand gekomen:
1 punt voor het indienen van het beroep;
1 punt voor de zitting op 27 juni 2024; en
telkens 0,5 punt voor de reactie op het STAB-rapport, de reactie op de brief van de rechtbank van 17 april 2026, de zitting op 22 januari 2026 en het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
17.5
De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1.500.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de voorschriften 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.2 van de omgevingsvergunning;
bepaalt dat deze vernietigde voorschriften worden vervangen door de voorschriften 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.2, zoals die in overweging 17.1 zijn weergegeven onder ‘Gewijzigde voorschriften’;
bepaalt dat de voorschriften van de omgevingsvergunning worden aangevuld met de voorschriften 5.2.3, 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5 en 5.3.6 zoals die in overweging 17.2 zijn weergegeven onder ‘Aanvullende voorschriften’;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
gelast GS het griffierecht van € 184 aan [eiser 1] en [eiser 2] te vergoeden;
veroordeelt GS in de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] tot een bedrag van € 3.736;
wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [eiser 1] en [eiser 2] een schadevergoeding van € 1.500 te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en
mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBOVE:2021:3900.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:648.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3028. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|