|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5319 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1102 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen omgevingsvergunning voor pluimveestal. Beroep ongegrond. Het college heeft zich terecht niet uitgelaten over de vraag of het project al dan niet in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn, omdat deze vraag in deze procedure niet aan de orde komt maar in een procedure voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | pluimvee | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1102
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen
Stichting Natuurbeschermingswacht, gevestigd in Meppel, eiseres,
hierna: Natuurbeschermingswacht,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland
hierna: het college,
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Als derde-partij neemt deel aan dit geding:
[derde belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: [derde belanghebbende] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een pluimveestal aan [derde belanghebbende] . Natuurbeschermingswacht is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden niet slagen. Het college heeft zich terecht niet uitgelaten over de vraag of het project al dan niet in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn, omdat deze vraag in deze procedure niet aan de orde komt maar in een procedure voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Natuurbeschermingswacht krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 wordt de ontvankelijkheid van het beroep besproken. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een pluimveestal op het perceel van [derde belanghebbende].
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- [gemachtigde 1] namens Natuurbeschermingswacht;
- [gemachtigde 2] en [naam 1] namens het college;
- [naam 2] en [naam 3] namens [derde belanghebbende] .
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3.1.
[derde belanghebbende] heeft een agrarisch bedrijf aan de [adres] . Het bedrijf heeft zich gespecialiseerd in het houden van pluimvee. [derde belanghebbende] heeft op 26 maart 2024 een aanvraag gedaan om verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een pluimveestal voor scharrelvleeskuikens. Bij de aanvraag zijn diverse door deskundigen opgestelde rapporten gevoegd. Het college heeft al op 9 november 2020 aangegeven dat geen milieu-effectrapportage (mer) hoeft te worden opgesteld.
3.2.
Bij het bestreden besluit van 30 januari 2025 is de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.
3.3.
Natuurbeschermingswacht heeft op 5 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen deze vergunning. Omdat het besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het college het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank, ter behandeling als beroep.
De ontvankelijkheid van het beroep
4.1.
Vaststaat dat Natuurbeschermingswacht geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit voor de verlening van een omgevingsvergunning. Bij uitspraak van 14 april 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021overwogen dat in omgevingsrechtelijke zaken, waarin afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. De vraag is dan ook of Natuurbeschermingswacht kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.
4.2.
Of Natuurbeschermingswacht als belanghebbende kan worden aangemerkt, moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, waarin is neergelegd dat ten aanzien van rechtspersonen geldt dat onder hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende moeten de algemene en collectieve belangen zijn vermeld in de doelstelling van de rechtspersoon en dient sprake te zijn van feitelijke werkzaamheden die betrekking hebben op deze doelstelling. Het enkele voeren van procedures is onvoldoende om aan te nemen dat aan deze laatste voorwaarde voldaan is.
4.3.
Artikel 3, eerste lid, van de gewijzigde statuten van Natuurbeschermingswacht luidt als volgt:
“De Stichting heeft ten doel een wezenlijke bijdrage te leveren aan het beschermen, duurzaam herstellen en verbeteren van de kwaliteit van de natuur, het milieu, het klimaat en de leefomgeving, waaronder in ieder geval te verstaan het dienaangaande:
bevorderen van de naleving van bestaande wet- en regelgeving in Europa, in het bijzonder in Nederland;
bewaken en verhogen van de kwaliteit van nieuwe regelingen, maatregelen en beleid in Nederland en Europa alsook het bevorderen van een tijdige en juiste implementatie van het unierecht;
bevorderen van transparantie en het verbeteren van de toegang tot informatie en informatieverstrekking bij- en door overheden en andere organisaties;
bevorderen van de biodiversiteit in Europa, in het bijzonder in Nederland;
verhogen van het algemene kennisniveau en het publieke bewustzijn,
en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.”
De rechtbank is van oordeel dat Natuurbeschermingswacht gelet op deze bepaling in de statuten aan de eerste voorwaarde van artikel 1:2, derde lid, van de Awb voldoet.
4.4.
Om te kunnen vaststellen of Natuurbeschermingswacht ook voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank Natuurbeschermingswacht op 8 september 2025 een brief gestuurd waarin is gevraagd om informatie over de feitelijke werkzaamheden die vanuit deze rechtspersoon worden verricht. Natuurbeschermingswacht heeft deze brief op 21 september 2025 beantwoord. Ook is deze vraag ter zitting besproken.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat op de website van Natuurbeschermingswacht ook andere activiteiten in het kader van de doelstelling van deze stichting worden genoemd dan alleen het voeren van procedures. Zo zijn genoemd: het beheren van een kennisbank, het schrijven van artikelen, het schrijven van een brief aan de leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer, deelname aan demonstraties, het voeren van overleg met politieke partijen en het organiseren van een lezing. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom ook aan de tweede voorwaarde die artikel 1:2, derde lid, van de Awb stelt voldaan. Natuurbeschermingswacht kan dan ook worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.
4.6.
Omdat niet gebleken is dat het beroep op andere gronden niet-ontvankelijk is, is het beroep ontvankelijk en dient dit dan ook inhoudelijk te worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
5.1.
De op 26 maart 2024 door [derde belanghebbende] gedane aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:
- een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet;
- een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet.
Voor deze activiteiten heeft het college een omgevingsvergunning verleend.
5.2.
Naar aanleiding van de stelling van Natuurbeschermingswacht dat het college ten onrechte niet getoetst heeft aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van de Europese Unie, overweegt de rechtbank dat onder de Omgevingswet, anders dan voorheen onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), niet de verplichting geldt om een benodigde toestemming voor een Natura 2000-activiteit en een omgevingsplanactiviteit tegelijkertijd aan te vragen. De aanvrager bepaalt zelf voor welke activiteit hij wanneer een vergunning aanvraagt.
5.3.
Anders dan Natuurbeschermingswacht stelt, volgt uit het door haar genoemde arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 7 september 2004 niet dat een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit en een Natura 2000-activiteit gelijktijdig moeten worden aangevraagd en beoordeeld indien deze activiteiten beide nodig zijn voor een voorgenomen project. Ook uit andere jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt geen verplichting om deze beide activiteiten gelijktijdig te beoordelen. Dat tevens een vergunning nodig is voor een Natura 2000-activiteit, betekent niet dat een vergunning voor die activiteit niet op een later tijdstip, dat ook voorafgaat aan de daadwerkelijke realisering van het project, kan worden aangevraagd.
5.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 5.10, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet zijn gedeputeerde staten voor wat betreft de beoordeling van Natura 2000-activiteiten het bevoegde gezag. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in rechtsoverweging 65 van bovengenoemd arrest van 7 september 2004 geldt de verplichting om algemene of bijzondere maatregelen te treffen binnen het kader van de bevoegdheden van met overheidsgezag beklede instanties. Het stond het college daarom niet vrij om zich in het kader van de beoordeling van de aangevraagde activiteiten ook uit te laten over de vraag of het project al dan niet in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Die vraag moet door het bevoegd gezag (gedeputeerde staten) in het kader van een procedure voor een Natura 2000-activiteit worden beoordeeld. Daarvoor is het college immers niet het bevoegde gezag. Het college heeft zich dan ook terecht niet daarover uitgelaten.
5.5.
Naar aanleiding van de stelling van Natuurbeschermingswacht dat de omgevingsvergunning niet in overeenstemming met de wettelijke voorschriften is gepubliceerd, overweegt de rechtbank dat uit het bij het verweerschrift gevoegde overzicht blijkt dat zowel de aanvraag, het ontwerpbesluit en het besluit op de voorgeschreven wijze zijn gepubliceerd via www.officielebekendmakingen.nl.
5.6.
Omdat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling of de vergunning in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is afgegeven, komt de rechtbank evenmin toe aan de beoordeling of in strijd met het verdrag van Aarhus is gehandeld.
5.7
Nu Natuurbeschermingswacht geen andere gronden naar voren heeft gebracht tegen de verleende omgevingsvergunning, kan het beroep niet slagen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verlening van de omgevingsvergunning aan [derde belanghebbende] in stand wordt gelaten. Natuurbeschermingswacht krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter en mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:786
ECLI:EU:C:2021:7
Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 22 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2226.
ECLI:EU:C:2004:482 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|