Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:5490 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:12013186 CV EXPL 25-407 12013186 CV EXPL 25-407
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Gedaagden zijn deelgenoten in de nalatenschap van hun echtgenoot/vader, die in 2024 is overleden. In deze zaak vordert eiseres ontbinding van de hoevepachtovereenkomst, omdat het gepachte niet langer voor de bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw wordt gebruikt en aanvullend omdat het gepachte in het verleden niet persoonlijk is gebruikt. De pachtkamer is van oordeel dat niet komt vast te staan dat sprake is (geweest) van een tekortkoming in de nakoming en wijst de vordering tot ontbinding af. Daarnaast vordert eiseres betaling van achterstallige pacht, maar ook die vordering wordt afgewezen.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
bedrijfsopvolging
gewassen
grondkamer
landbouw
landbouwgrond
pachtkamer
rundvee
stallen
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12013186 \ CV EXPL 25-4071


Vonnis van 1 september 2026


in de zaak van



[eiseres]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R. Jansen,

tegen




1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],
te [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4],
te [woonplaats 5] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. N.S. Commijs.





1De zaak in het kort


[gedaagden] zijn deelgenoten in de nalatenschap van hun echtgenoot/vader, die op [overlijdensdatum 1] 2024 is overleden. In deze zaak vordert [eiseres] ontbinding van de hoevepachtovereenkomst, omdat het gepachte niet langer voor de bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw wordt gebruikt en aanvullend omdat het gepachte in het verleden niet persoonlijk is gebruikt. De pachtkamer is van oordeel dat niet komt vast te staan dat sprake is (geweest) van een tekortkoming in de nakoming en wijst de vordering tot ontbinding af. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van achterstallige pacht, maar ook die vordering wordt afgewezen.




2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 28 april 2026 met productie(s) van [eiseres] ;
- het bericht van 4 mei 2026 met productie(s) van [gedaagden] ;
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarbij de gemachtigden van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.



2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1
Op 29 april 1963 is een hoevepachtovereenkomst tot stand gekomen tussen (rechtsvoorgangers van) partijen met betrekking tot de hoeve, gelegen te [adres] aan het adres [adres], destijds kadastraal bekend gemeente [gemeente], [sectie], nummer [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5], [nummer 6], [nummer 7], [nummer 8], [nummer 9], [nummer 10] en [nummer 11], totaal groot 14.24.88 hectare (hierna: het gepachte). Deze hoevepachtovereenkomst is op 9 april 1964 goedgekeurd door de grondkamer van Overijssel.



3.2
Het gepachte is tegenwoordig kadastraal bekend gemeente [gemeente], [sectie], nummers [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5], [nummer 6], [nummer 8], [nummer 12] en [nummer 13], totaal groot 14.24.88 ha.



3.3
Bij vonnis van 10 maart 1993 is de heer [medepachter] (hierna: [medepachter]) aangemerkt als medepachter. Het vonnis is goedgekeurd door de grondkamer van Overijssel.



3.4

[medepachter] dreef samen met [gedaagde 1] een onderneming in de vorm van een maatschap (hierna: maatschap [medepachter]). Deze maatschap exploiteert een agrarisch bedrijf op het adres van het gepachte. Als activiteiten staan in de KvK onder meer geregistreerd het houden van vleeskalveren en rundvee en de teelt van voedergewassen.



3.5
Met ingang van 1 januari 2025 is [gedaagde 3] als maat toegetreden tot de maatschap. Op [overlijdensdatum 1] 2025 is daartoe de maatschapsakte getekend.



3.6

[gedaagden] pachten eveneens 2.75 hectare grond van Stichting Twickel. Daarnaast heeft [gedaagde 1] 2.20 hectare landbouwgrond in eigendom.



3.7

[medepachter] is overleden op [overlijdensdatum 2] 2025. Na het overlijden van [medepachter] is de pachtovereenkomst voortgezet door [gedaagden] als pachters.



3.8
Op 18 augustus 2025 heeft maatschap [medepachter] een overeenkomst voor het mesten van vleeskalveren gesloten met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]). Op 21 augustus 2025 zijn er 116 nieuwe kalveren opgelegd.






4Het geschil


4.1

[eiseres] vordert - samengevat - ontbinding van de pachtovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gepachte en betaling van achterstallige pachttermijnen ter hoogte van € 3.039,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, onder veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.



4.2

[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op enig moment heeft [eiseres] geconstateerd dat er al enige tijd geen kalveren meer op het gepachte werden gehouden. Nadat [medepachter] is overleden, heeft [eiseres] de bedrijfsgegevens opgevraagd. Naar aanleiding van de toegezonden bedrijfsgegevens komt [eiseres] tot de conclusie dat [medepachter] en later ook [gedaagden] het gepachte niet (langer) bedrijfsmatig gebruiken ter uitoefening van de landbouw. Ter onderbouwing wijst [eiseres] op de bedrijfsresultaten waaruit zij concludeert dat het bedrijf een beperkte omvang heeft, dat er niet of nauwelijks investeringen zijn gedaan sinds 2021 en dat het niet aannemelijk is dat er in de toekomst financiële ruimte is voor investeringen. Ook is er volgens [eiseres] onvoldoende samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten. Verder wijst [eiseres] erop dat [medepachter], [gedaagde 1] en [gedaagde 3] een hoofdfunctie buiten de landbouw hadden/hebben. Ook stelt [eiseres] dat [gedaagde 3] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
Aanvullend legt [eiseres] aan de vordering ten grondslag dat [medepachter] het gepachte niet persoonlijk heeft gebruikt, omdat hij de gehele onderneming heeft ondergebracht in de maatschap [medepachter], zonder voorbehoud van zeggenschap. Het belang van [gedaagde 1] was net zo groot als het belang van [medepachter], zodat zij zeggenschap had over de helft van het gepachte. Deze tekortkoming kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
Tot slot voert [eiseres] aan dat [gedaagden] vanaf 2018 niet de wettelijke verhogingen van de pachtprijs hebben betaald.



4.3

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.



4.4

[gedaagden] voeren het volgende aan. Een ontbindingsvordering stuit af op de langdurige gedooghouding van [eiseres] , waardoor het recht om haar vordering tot ontbinding geldend te maken is verwerkt. [gedaagden] betwisten dat niet langer sprake is van bedrijfsmatig gebruik van het gepachte ter uitoefening van de landbouw. Ter onderbouwing stellen zij dat het bedrijf een omvang heeft waarbij renderend kan worden geëxploiteerd en waarbij de onderlinge activiteiten samenhangen. De opgestelde prognose voor een toekomstig jaar schetst het toekomstperspectief van het bedrijf. [gedaagden] hebben toekomstbestendige investeringen gedaan, gericht op het exploiteren van de agrarische bedrijfsvoering. Er is weliswaar sprake van een negatief en soms mager bedrijfsresultaat gedurende enkele jaren, maar de onderneming is wel gericht op winst. De werkzaamheden van [gedaagde 3] naast het bedrijf worden uitgevoerd in ploegendiensten, zodat hij de verschillende werkzaamheden kan combineren. [gedaagde 3] heeft in 2023 en 2024 steeds gedeeltelijk meegewerkt op het bedrijf. Tot slot voeren [gedaagden] aan dat een belangenafweging moet plaatsvinden, welke in het voordeel van [gedaagden] dient uit te vallen.

[gedaagden] betwisten dat sprake is geweest van een schending van de verplichting tot persoonlijk gebruik en stellen dat de zeggenschap over het gepachte nadrukkelijk is voorbehouden in de maatschap. Voor zover wel sprake zou zijn van een tekortkoming, kan die bovendien de ontbinding niet rechtvaardigen.
Ten aanzien van de pachtprijs stelt [gedaagden] dat [eiseres] eenmaal heeft verzuimd de verhoging van de pachtprijs door te geven, waarna partijen hebben afgesproken dat [medepachter] / [gedaagden] de pachtprijs met ingang van de huidige datum zouden betalen. Daardoor loopt de betaling conform afspraak 1,5 jaar ‘achter’ ten opzichte van de geldende pachtprijs.



4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


5.1
De pachtkamer stelt vast dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] afstand hebben gedaan van de pachtrechten. Dat betekent dat de vraag voorligt of er grond is voor ontbinding van de hoevepachtovereenkomst tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] anderzijds.


Rechtsverwerking




5.2
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is een beroep op rechtsverwerking, omdat de bedrijfsstructuur van het bedrijf van [medepachter] / [gedaagden] sinds 2006 ongewijzigd is gebleven en [eiseres] nooit heeft geklaagd over het gebruik van het gepachte.



5.3
Voor een beroep op rechtsverwerking is vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken jegens hem. Zulke bijzondere omstandigheden hebben [gedaagden] niet naar voren gebracht. Dat [eiseres] nooit heeft geklaagd over de wijze van gebruik van het gepachte, terwijl er wel contact werd onderhouden met de vertegenwoordigers van [eiseres] , geldt niet als een bijzondere omstandigheid die maakt dat er meer aan de hand is dan enkel tijdsverloop. Dat is onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking.


Bedrijfsmatige landbouw




5.4
De pachtkamer stelt vast dat ontbinding van de pachtovereenkomsten wordt gevorderd op de grond van artikel 7:376 lid 1 BW, uit hoofde waarvan de pachter in ieder geval wordt geacht in de nakoming van zijn verplichtingen te zijn tekortgeschoten indien hij het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt.

Ingevolge artikel 7:312 BW moet het bij pacht gaan om landbouw voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend.



5.5
Naar vaste rechtspraak van het pachthof veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de vraag of daarvan sprake is, zijn de navolgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:
a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;
b. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;
c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;
d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;
een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.



5.6
Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet door geen bedrijfsmatig gebruik te maken van het gepachte. Dat neemt niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog bedrijfsmatig exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verstrekken, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven.



5.7

[gedaagden] hebben de gecombineerde opgaven van maatschap [medepachter] van 2021 tot en met 2025, de accountantsrapporten van maatschap [medepachter] van 2021 tot en met 2024 en een door de accountant (hierna: [naam]) opgestelde prognose overgelegd.


5.7.1
Mede naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, moet het ervoor worden gehouden dat de vennootschap de landbouwgronden exploiteert ten behoeve van het houden van vleeskalveren voor de rosévleesproductie en akkerbouw, te weten de teelt van gras en snijmaïs en vanaf 2026 een mix van snijmaïs en sorghum. Er is sprake van een familiebedrijf waarbinnen de werkzaamheden over de verschillende familieleden wordt verdeeld. De totale landbouwgrond in gebruik bij [gedaagden] is inclusief het gepachte 19.19.88 hectare. Volgens de gecombineerde opgaven had het bedrijf in 2021 en 2022 circa 12,6 ha landbouwgrond in gebruik en in de jaren 2023 en 2024 circa 17,4 ha. Er is ruimte voor 116 vleeskalveren en het aantal vleeskalveren dat gemiddeld werd gehouden was van 2020 tot en met 2023 105 stuks. Dat dit aantal in 2024 lager was, is te wijten aan de omstandigheid dat wegens ziekte van zowel [medepachter] als [gedaagde 1] tijdelijk geen kalveren zijn opgelegd. Gelet op het voorgaande is sprake van een omvang die kan passen bij bedrijfsmatige landbouw. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat de maïs tot en met 2024 altijd is gevoerd aan de kalveren en dat de mest van de kalveren werd aangewend over de percelen die [gedaagden] in gebruik hebben. Ter zitting heeft [gedaagde 1] nader toegelicht dat [bedrijf] de door [gedaagden] geteelde maïs kocht en dat die maïs vervolgens aan de bij [gedaagden] gehouden vleeskalveren werd gevoerd. Na 2024 worden de akkerbouwproducten deels verkocht. Het gaat hier dus om een gemengd bedrijf waarbij de akkerbouw deels ten dienste staat van de kalverhouderij (ruwvoervoorziening en mestplaatsingsruimte) en het resultaat als een geheel moet worden beschouwd. Hoewel [gedaagden] geen kosten hebben voor het voer en de veearts (die komen voor rekening van [bedrijf]), hebben [gedaagden] voldoende onderbouwd dat zij een financieel risico lopen bij het houden van de vleeskalveren op voergeld. Voorts dragen [gedaagden] het ondernemersrisico van de akkerbouw. Mede gelet op de samenhang tussen de activiteiten, is sprake van de uitoefening van landbouw en niet slechts dienstverlening, zoals gesteld door [eiseres] .



5.7.2
Dat het bedrijfsresultaat gedurende enkele jaren negatief is geweest en alleen in 2023 beperkt positief, is op zichzelf en in verhouding met de andere gezichtspunten niet voldoende om aan de bedrijfsmatigheid te twijfelen. Een pachter is immers niet alleen dan bedrijfsmatig bezig als hij voortdurend een (aanzienlijke) winst behaalt, een in de landbouw bovendien onmogelijk vereiste. De rendementen staan immers soms jarenlang onder druk. In dit geval is eveneens van belang dat [medepachter] en [gedaagde 1] in 2024 beide ziek zijn geworden en [medepachter] in 2025 is komen te overlijden, hetgeen van invloed is op de voorgaande bedrijfsresultaten. Bepalend is of de onderneming op winst is gericht en de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden. Daarvan is naar het oordeel van de pachtkamer sprake. Dat blijkt uit de aanschaf van een elektrische voermachine in 2025. Ook is van belang dat onderhoud en vervanging voldoende plaatsvinden. Zo zijn in 2021 de roosters in de stallen nog vervangen en is niets gesteld of gebleken dat op het tegendeel wijst. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagden] niet beschikken over de voor een op winst gerichte bedrijfsvoering noodzakelijke inventaris. Gelet op de aard en opzet van het bedrijf is niet te verwachten dat (grote) investeringen de winstkansen vergroten. Bij dit alles acht de pachtkamer van belang dat [gedaagden] een prognose van [naam] hebben overgelegd waaruit een ander beeld dan voorgaande jaren kan volgen. Volgens [naam] kan voor een toekomstig jaar waarbij weer een jaarrond kalveren zijn opgelegd een positief bedrijfsresultaat worden behaald van € 14.475,00. De onzekerheden in de prognose waar [eiseres] middels de reacties van Countus op wijst, zijn inherent aan het maken van een inschatting voor de toekomst en dit wordt ook aan de zijde van [gedaagden] erkend. [eiseres] heeft echter naar het oordeel van de pachtkamer onvoldoende duidelijk gemaakt waarom op dit moment het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement dusdanig laag zal zijn, dat niet langer sprake is van de bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte.



5.7.3

[naam] heeft daarbij tevens gewezen op de omstandigheid dat [gedaagde 3] als beoogde bedrijfsopvolger een plan moet gaan vormen over de toekomst van het bedrijf en de wijze waarop zij kunnen inspelen op de diverse ontwikkelingen die op de sector afkomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling was het nog geen jaar geleden dat [medepachter] was overleden, waarna [gedaagden] zich moesten beraden op de wijze waarop het bedrijf zou worden voortgezet en op de bedrijfsopvolging. Dat de plannen op dit moment nog niet concreet zijn, is onder de gegeven omstandigheden derhalve geen reden om thans te twijfelen aan de bedrijfsmatigheid van de exploitatie. Dat [gedaagde 3] ook een functie heeft als “[functie 1] / [functie 2]” bij Friesland Campina, maakt dit niet anders. Voorlopig zullen de inkomsten naast het bedrijf nog nodig zijn, maar uitgaande van de prognose en toelichting van [naam] is een sober bestaan mogelijk met de resultaten uit het bedrijf. Nu het een functie in ploegendienst betreft, is voldoende onderbouwd dat [gedaagde 3] beschikbaar is voor de werkzaamheden in het eigen bedrijf. De pachtkamer ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 22 Rv om verder informatie of stukken over de functie van [gedaagde 3] te bevelen. Evenmin bestaat aanleiding om de functies die [medepachter] en [gedaagde 1] voorheen hebben uitgevoerd, in de beoordeling te betrekken.



5.7.4

[eiseres] heeft verder niet gemotiveerd weersproken dat [gedaagde 3] actief is geweest binnen het bedrijf van zijn ouders en op die manier veel ervaring heeft opgedaan binnen de kalverhouderij en de teelt van gewassen. Dat hij niet voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering waardoor ook om die reden geen sprake kan zijn van een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte, heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd gesteld.




5.8
Gelet op dit alles is sprake van een weliswaar marginaal, maar op winst gericht bedrijf waarin de voor toekomstige winstkansen noodzakelijk investeringen plaatsvinden en dat voldoende omvangrijk en samenhangend is om te kwalificeren als agrarische onderneming. Daarbij neemt de pachtkamer voorts het geschetste toekomstperspectief voor het gepachte in aanmerking, waarin een jonge ondernemer zodra de omstandigheden dat toelaten weer winst zal maken, verder zal investeren en (overwegend) zal werken in het eigen bedrijf. Dat dit anders is, heeft [eiseres] onvoldoende concreet gesteld. De stelling van [eiseres] dat geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw, faalt dus.


De verplichting om het gepachte persoonlijk te gebruiken




5.9
Op grond van artikel 7:347 BW is de pachter verplicht zich ten aanzien van het gebruik van het gepachte als goed pachter te gedragen. Volgens vaste rechtspraak is de pachter gehouden tot persoonlijk gebruik van het gepachte. Dit houdt in dat hij de dagelijkse leiding over de exploitatie moet hebben. De enkele inbreng van het gepachte in een maatschap levert nog geen strijd op met de verplichting tot persoonlijk gebruik. Maatgevend is welke mate van zeggenschap over de exploitatie de pachter aan zijn medevennoten heeft afgestaan.



5.10
Het staat een pachter vrij om het gebruik van de door hem gepachte gronden in te brengen in een maatschap. Beslissend is of [medepachter] de zeggenschap ook feitelijk aan [gedaagde 1] heeft afgestaan. Of een pachter feitelijk het gepachte nog zelf exploiteert, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling of daarvan sprake is zijn de feitelijke betrokkenheid van pachter bij de beslissingen over de exploitatie van het gepachte en bij dagelijkse werkzaamheden in het bedrijf relevant, maar kunnen ook relevant zijn de aard van een aangegaan samenwerkingsverband (is er bij voorbeeld sprake van een familievennootschap of een meer commercieel arrangement met een niet familielid), de zeggenschap in dit samenwerkingsverband en de mate waarin het exploitatieresultaat voor rekening en risico van de pachter is.



5.11

[eiseres] stelt dat [medepachter] het gepachte niet persoonlijk heeft gebruikt, omdat hij het gepachte heeft ondergebracht in een maatschap waarin [medepachter] en [gedaagde 1] beide de helft van de zeggenschap hebben, zonder een voorbehoud te maken in de maatschapsakte. Nu zij echter naast voormelde opmerking geen handen en voeten aan haar stelling heeft gegeven waaruit volgt dat [medepachter] het gepachte feitelijk niet meer zelf exploiteerde, gaat de pachtkamer eraan voorbij.


De pachtprijs




5.12

[eiseres] stelt dat [gedaagden] in totaal nog een bedrag van € 3.039,64 verschuldigd is, omdat [gedaagde 1] en voorheen ook [medepachter] de wettelijke verhogingen van de pachtprijs niet hebben betaald. [eiseres] stelt dat [gedaagden] / [medepachter] die van rechtswege verschuldigd waren en dat [eiseres] daarvan geen afstand heeft gedaan. [eiseres] heeft de gestelde betalingsachterstand niet onderbouwd met facturen en [gedaagden] hebben gemotiveerd betwist dat sprake is van een achterstand. Zij stellen dat het gebruikelijk was dat de verhoging van de pachtprijzen aan [medepachter] werden doorgegeven, maar dat [eiseres] dat één keer heeft verzuimd. Daarom is toen met [medepachter] afgesproken dat hij het verhoogde bedrag zou betalen, zodat [gedaagden] / [medepachter] conform afspraak 1,5 jaar ‘achterlopen’ met het betalen van de geldende pachtprijs. Dit is door [eiseres] niet weersproken, zodat vast komt te staan dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt met [eiseres] over het betalen van de pachtprijs. Dat betekent dat niet komt vast te staan dat sprake is van een achterstand in de betalingen. De vordering tot betaling van € 3.039,64 zal daarom worden afgewezen.


De proceskosten




5.13

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- salaris gemachtigde





576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





720,00











5.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





6De beslissing

De kantonrechter


6.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,



6.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter, kantonrechter-voorzitter, M.W.A. graaf van Rechteren Limpburg en mr. R.M.C.M. Bogers, deskundige leden, en in het openbaar uitgesproken door mr. D.N.R. Wegerif op 1 september 2026.



Gerechtshof Arnhem, 12 mei 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI4361.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6859, rechtsoverweging 4.3.
Link naar deze uitspraak