Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2025:15506 
 
Datum uitspraak:09-12-2025
Datum gepubliceerd:27-01-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:11341408 VZ VERZ 24-8506
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Arbeidszaak. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Ontslag gebaseerd op overtreding van gestelde afspraak over het sluiten van een overeenkomst op naam van werkgever. Werkgever is niet geslaagd in het leveren van bewijs dat die afspraak inderdaad zo is gemaakt. Werkgever moet billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding betalen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
levensonderhoud
uitkering
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11341408 VZ VERZ 24-8506

datum uitspraak: 9 december 2025


Beschikking van de kantonrechter


in de zaak van



[verzoeker]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: [persoon A] ,

tegen



[verweerster] .,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. L.P.J. Krijgsman.

De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.




1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de tussenbeschikking van 9 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;


de akte overleggen producties en opgave getuige en verhinderdata partijen van [verweerster] van 30 januari 2025, met bijlagen;


de akte eiswijziging van [verzoeker] van 7 juli 2025, met bijlagen;


het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 7 juli 2025;


de akte opgave getuige en producties van [verzoeker] van 4 augustus 2025, met bijlagen;


het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 augustus 2025;


de conclusie na enquête van [verweerster] ;


de conclusie na contra-enquête van [verzoeker] .






2De verdere beoordeling


Waar gaat de zaak over?



2.1.

[verzoeker] en [verweerster] hadden vanaf ongeveer 2016 een zakelijke relatie waarbij [verzoeker] vanuit Oekraïne projecten voor [verweerster] wierf. Na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne is [verzoeker] met hulp van de heer [persoon B] , indirect bestuurder van [verweerster] (hierna: [persoon B] ), naar Nederland verhuisd. [verzoeker] werkte sinds 1 december 2022 bij [verweerster] als proces engineer en projectmanager. Hij is op 10 september 2024 op staande voet ontslagen. Als eerste reden voor dit ontslag heeft [verweerster] vermeld dat [verzoeker] heeft ‘gehandeld in strijd met contractuele afspraken en het zwijgen en/of afleggen van wisselende verklaringen daarover’. [verweerster] doelt daarmee op de omstandigheid dat [verzoeker] voor zijn eigen onderneming een contract met [naam bedrijf] heeft gesloten, terwijl is overeengekomen dat hij dat namens [verweerster] zou doen, dus niet voor zichzelf. Als tweede grond voor het ontslag heeft [verweerster] genoemd dat [verzoeker] veelvuldig ongeoorloofd afwezig zou zijn en de afspraken over arbeidstijden zou hebben overtreden.



2.2.

[verzoeker] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt primair en subsidiair om een billijke vergoeding. Meer subsidiair vraagt [verzoeker] - samengevat - om (terug)betaling van een deel van zijn salaris en om betaling van een commissie die hij met [verweerster] zou hebben afgesproken. [verweerster] vindt dat het verzoek moet worden afgewezen en vraagt zelf (voorwaardelijk) om een gefixeerde schadevergoeding en een schadevergoeding ingevolge artikel 7:661 BW of subsidiair een contractuele boete.



2.3.
In de tussenbeschikking van 9 januari 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de tweede grond die is genoemd voor het ontslag (ongeoorloofde afwezigheid en het overtreden van afspraken over arbeidstijden) geen stand houdt. Op dat oordeel komt zij niet terug. Over de eerste grond, het sluiten van het contract met [naam bedrijf] , heeft de kantonrechter overwogen dat het ontslag op staande voet alleen dan rechtsgeldig is gegeven, als komt vast te staan dat partijen inderdaad hebben afgesproken dat [verzoeker] een overeenkomst met [naam bedrijf] niet voor zichzelf, maar op naam van [verweerster] zou sluiten. [verweerster] is, als de partij die zich op die afspraak beroept, in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat partijen dat zijn overeengekomen.



2.4.

[verweerster] heeft ter uitvoering van de bewijsopdracht producties overgelegd en haar indirect bestuurder [persoon B] als getuige laten horen. [verzoeker] heeft zijnerzijds ook producties overgelegd en zichzelf als getuige laten horen.



[verweerster] is niet geslaagd in het leveren van bewijs




2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [verweerster] er niet in is geslaagd te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] de overeenkomst met [naam bedrijf] niet voor zichzelf, maar op naam van [verweerster] zou sluiten. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.



2.6.
Het staat vast dat partijen op 3 september 2024 met elkaar hebben gesproken, maar niet dat zij toen overleg hebben gehad over de tenaamstelling van het contract met [naam bedrijf] . Bij het overleg waren alleen [persoon B] en [verzoeker] aanwezig. [persoon B] verklaart dat is besproken dat het contract op naam van [verweerster] zou komen, maar [verzoeker] verklaart juist dat dit niet is besproken. Volgens [verzoeker] ging het gesprek op 3 september 2024 juist over de vaststellingsovereenkomst die [verweerster] hem had aangeboden. Dit is een geloofwaardige verklaring, nu in die periode inderdaad een concept-vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] was voorgelegd. Aanvullend bewijs voor de stelling dat [verzoeker] de overeenkomst met [naam bedrijf] op naam van [verweerster] zou sluiten, heeft [verweerster] niet geleverd.



2.7.
Uit de stukken die [verweerster] bij haar akte van 30 januari 2025 heeft overgelegd kan worden afgeleid dat partijen op enig moment hebben gesproken over een nieuwe/andere samenwerking, in een nieuwe vennootschap, maar uit niets blijkt dat het resultaat hiervan was dat partijen hebben afgesproken dat het contract met [naam bedrijf] door [verweerster] zou worden gesloten.



2.8.
Voor het overige werpen de overgelegde producties geen ander licht op de zaak en ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op de overweging zoals opgenomen onder 2.12 van de tussenbeschikking.



2.9.
Anders dan [verweerster] ziet de kantonrechter geen aanleiding om de gehele verklaring van [verzoeker] in twijfel te trekken vanwege de gestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen van [verzoeker] . Wat er ook zij van eventuele tegenstrijdigheden, deze gaan in elk geval niet over de inhoud van het gesprek van 3 september 2024. Daarover heef [verzoeker] steeds eenduidig verklaard.



2.10.
Nu de verklaring van [persoon B] dat op 3 september 2024 een afspraak is gemaakt over de tenaamstelling van het contract met [naam bedrijf] niet wordt ondersteund door de overgelegde stukken in de procedure, kan deze (partij)verklaring geen bewijs in het voordeel van [verweerster] opleveren. Daarom is [verweerster] niet geslaagd in de gegeven bewijsopdracht.


Het ontslag op staande voet is niet geldig




2.11.
Nu [verweerster] niet heeft bewezen dat zij met [verzoeker] had afgesproken dat hij het contract met [naam bedrijf] op naam van [verweerster] moest sluiten, had [verweerster] op 10 september 2024 geen dringende reden voor het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet (artikel 7:678 lid 1 BW).



2.12.
Omdat het ontslag op staande voet niet mocht worden gegeven, moet [verweerster] een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] betalen. De kantonrechter vat het (gewijzigde) primaire en subsidiaire verzoek van [verzoeker] om aan hem een ‘vergoeding’ te betalen op als een verzoek tot het toekennen van zowel een billijke vergoeding als de gefixeerde schadevergoeding.



[verweerster] moet een billijke vergoeding betalen van € 10.996,35




2.13.
De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 10.996,35 bruto passend. Hierna wordt uitgelegd waarom.


2.14.

[verzoeker] heeft uitgelegd dat hij bij een ‘gewone’ beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanspraak zou hebben kunnen maken op een WW-uitkering voor de duur van drie maanden, waarbij hij de eerste twee maanden 75% van zijn laatst verdiende loon zou hebben ontvangen en de derde maand 70%. [verweerster] heeft dit niet weersproken en het laatst verdiende loon bedraagt € 4.998,34, zo blijkt uit de loonstrook die [verzoeker] heeft overgelegd. De kantonrechter acht een billijke vergoeding gelijk aan deze misgelopen uitkering redelijk. Daarbij neemt zij in overweging dat [verzoeker] afkomstig is uit Oekraïne en met hulp van [persoon B] naar Nederland is gekomen om in zijn bedrijf te komen werken. Hoewel [verzoeker] zelf nog een onderneming heeft, is niet gebleken dat hij daarmee na het eindigen van de arbeidsovereenkomst eenvoudig in zijn levensonderhoud kan voorzien. Ook vindt de kantonrechter het niet aannemelijk dat [verzoeker] snel elders aan het werk heeft kunnen komen. De gevolgen van het ontslag op staande voet zijn daarmee groot geweest voor [verzoeker] .



2.15.
Voor een hogere vergoeding dan € 10.996,35 ziet de kantonrechter geen aanleiding. Daarbij is ook relevant dat [verzoeker] werkte op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die op 30 november 2024 zou eindigen, en dat [verzoeker] een eigen onderneming drijft en dat hij dus wel mogelijkheden had om op zoek te gaan naar andere projecten die hem inkomsten zouden opleveren.



[verweerster] moet een gefixeerde schadevergoeding betalen van € 13.495,52




2.16.

[verweerster] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [verzoeker] betalen. [verweerster] heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [verzoeker] zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. De tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] liep tot en met 30 november 2024. [verweerster] had de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst per die datum kunnen beëindigen. Het maandsalaris van [verzoeker] bedroeg ten tijde van het ontslag op staande voet € 4.998,34 bruto per maand. [verzoeker] heeft daarom recht heeft op een vergoeding over de periode van 10 september 2024 tot en met 30 november 2024 van € 13.495,52 bruto.



2.17.
Met het toekennen van bovenvermelde bedragen wordt het verzoek van [verzoeker] om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding, zoals na akte eiswijziging onder I en II primair en subsidiair gevorderd, toegewezen. De kantonrechter komt daarom niet toe aan alle overige vorderingen, die meer subsidiair zijn ingesteld. De gemachtigde van [verzoeker] heeft desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd dat het de bedoeling was om de verzoeken om deze manier in te stellen.



[verzoeker] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen




2.18.

[verweerster] heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:677 lid 2 BW) omdat het ontslag niet geldig is. Het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerster] wordt dus afgewezen.



[verzoeker] hoeft geen schadevergoeding of boete te betalen




2.19.

[verzoeker] hoeft ook geen schadevergoeding of boete aan [verweerster] te betalen. [verweerster] verzoekt om toekenning van een schadevergoeding of subsidiair contactuele boete omdat zij winst zou zijn misgelopen uit het contract met [naam bedrijf] . Dat verzoek gaat uit van de veronderstelling dat [verzoeker] die overeenkomst op naam van [verweerster] met [naam bedrijf] had moeten sluiten. Hiervoor is al overwogen dat [verweerster] er niet in is geslaagd te bewijzen dat partijen dat hebben afgesproken. Daarom mist dit verzoek een deugdelijke grondslag en wordt het afgewezen.



[verweerster] moet de proceskosten betalen




2.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 87,- aan griffierecht, € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.308,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.


Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad




2.21.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 10.996,35 bruto te betalen;



3.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding van € 13.495,52 bruto te betalen;



3.3.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.308,-;



3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



3.5.
wijst al het andere af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
51909



Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)
Link naar deze uitspraak