|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:12490 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/4493 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bestuurlijke boete wegens overtreding van de wet dieren. Eiseres is houder van dieren en heeft vier varkens met een ernstige open wond laten vervoeren. Verdubbeling van het standaardboetebedrag is gerechtvaardigd omdat door het vervoer van vier varkens met een open wond op een transport het dierenwelzijn ernstig is geschaad. Verhoging van de boete wegens recidive is niet onredelijk of onevenredig. Verweerder heeft de boete met 15 procent van het standaardboetebedrag gematigd vanwege tijdsverloop van 15 maanden tussen het constateren van de overtreding en het opstellen van het rapport van bevindingen. Geen reden voor verdere matiging van de boete. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | stallen | | | varkens | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. Verhulp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.025,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht aan eiseres een bestuurlijke boete heeft opgelegd van € 5.025,- wegens overtreding van de Wet dieren. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 5.025,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
2.1.
Met het besluit van 6 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [persoon A] . Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. In het rapport van bevindingen van 22 oktober 2024 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van regulier toezicht op 26 juli 2023, omstreeks 13:00 uur bevond op het slachthuis van [bedrijf 1] te [plaats 2] . In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik me op bovengenoemde locatie op stal om de ante-mortem (levende) keuring varkens en biggen uit te voeren. Er stond een vrachtwagen van
[bedrijf 2] B.V. met kenteken [kentekennummer] klaar voor het lossen. Toen de varkens uit de auto kwamen zag ik meerdere varkens met een navelbreuk van meer dan 20 cm.
Ik kwam dichterbij het varken (slachtblik nummer [nummer 1] ) zodat ik de navelbreuk beter waar kon nemen en ik constateerde een wond op de navelbreuk. De wond was ongeveer 15cm lang en 7cm breed. Bij het aanraken constateerde ik dat de navelbreuk warm en gevoelig was. Het varken reageerde onmiddellijk nadat ik de navelbreuk aanraakte. Ik gaf een opdracht aan de stalmeester om het varken apart op te stallen. Verder heb ik nog drie varkens van dichtbij bekeken en ik zag ook bij die varkens dat er meerdere wonden bestonden op de navelbreuken van die varkens. Die drie varkens werden ook apart gezet.
Ik zag bij het varken met oornummer [nummer 1] , dat de wond open was (zie foto varken nr. 2). De wond had ontstoken randen met een zwarte aanslag. Ik zag ook een korstje op de randen van de wond. Deze wond was ongeveer 2 cm diep met fibrine, bloed in de diepte en etter dat uit de diepte van de wond kwam. Dit is duidelijk zichtbaar op de randen van de wond; je ziet een wit kleurige dikkere vloeistof. Ik rook een verrotte geur dat afkomstig was van de betreffende wond. Een dergelijke geur is het resultaat van resten van dode weefselcellen na actie van bacteriën. Om tot dit stadium te komen, heeft deze wond minimaal 2 dagen nodig om zo er uit te zien. De opening van de wond brengt meer last voor het dier. Een groot risico om bacteriën door de wond in de hele lichaam te verspreiden en een dergelijke wond is altijd gevoelig bij aanraken of in contact komen met oppervlakken. De huid is een deel van het lichaam dat beschermt tegen bacteriën, weersomstandigheden en pijn. Tijdens transport was er extra leed toegebracht voor het varken.
Bij het varken met oornummer [nummer 2] (zie foto varken nr. 4) zag ik meerdere wonden die al necrotisch waren. De korsten van die wonden waren zwart met witte granulatie en ook een vloeistof dat uit de wond kwam. Ook bij deze wond rook ik een verrotte geur. Een necrotisch proces is in gang gezet minimaal na twee dagen. Dit proces kan nog verder gaan en de bacteriën gaan in de heel lichaam verspreiden. Ik heb foto's gemaakt nadat de vier varkens bedwelmd en gestoken waren, toen hingen zij in het vuile gedeelte uit te bloeden. Op dit
moment kon ik goede foto's maken.
Ik zag bij het varken met het oornummer [nummer 3] (zie foto varken nr. 1) dat op de navelbreuk meerdere kleine wonden bestonden en daarnaast een wond met een doorsnede van ongeveer 10 cm lang en 1 cm diep. In de diepte zag ik witte granulatie en een licht rode vloeistof dat uit de wond kwam. De randen van de wond hadden meerdere lagen korstjes. Ik zag dat stukjes strooisel en droge mest op de korstjes aanwezig waren. Ik zag ook mest in de diepte van de wond. Dit geeft een groot risico dat de bacteriën in de mest zich in het lichaam verspreiden. Gezien het feit dat er korstjes in meerdere lagen gevormd waren, betekent dat
deze wond ouder was dan 2 dagen.
Ik zag bij het varken met het oornummer [nummer 4] (zie foto varken nr. 3) dat op de navelbreuk meerder wonden aanwezig waren. Ik zag een wond, rond van vorm, met een diameter van 3-4 cm. Ik zag dat de randen van deze wond zwart waren. Dit is een necrotisch proces. sterven van levende weefcellen na een bacterieel proces. Ik zag dat uit deze wond een rode vloeistof kwam. Op het oppervlak van deze wond zag ik dat er barsten waren. Dit is veroorzaakt door de spanning op de omliggende huid van de navelbreuk. Ik zag ook witte gele puntjes in de wond, dit was etter dat uit de wond kwam. Rekening houdend met de bevindingen concludeer ik, vanuit mijn expertise als dierenarts, dat deze wond ouder dan 2 dagen was, met name door de necrotische randen en de vorming van etter in de diepte van deze wond.
Bij de post-mortem keuring (na het slachten), werden twee ( [nummer 2] en [nummer 3] ) van de 4 varkens overgedragen aan mij door de keuringsassistenten van het KDS. Ik heb meerdere ontstekingen geconstateerd in de buikholte. Het buikvlies was ontstoken, met aanwezigheid van meerdere kleinere abcessen. Het maagdarm kanaal was ontstoken met een opmerkelijke hoeveelheid van een witte granulatie op de darmen en op het buikvlies. De regionale lymfeknoppen waren groot en bloedig naar aanleiding van een infectie in de buikholte. Deze post-mortem bevindingen heb ik bij die twee varkens geconstateerd. Dit duidt ook op
een proces dat minimaal 2 dagen bestaat en laat zien dat de varkens aan het lijden waren omdat die een infectie in de buikholte hadden.
Naar aanleiding van mijn ante-mortem en post-mortem bevindingen (necrose, in
meerdere lagen, de korstjes, etter op de wonden en de verrotte geur) trok ik de
conclusie dat de wonden minsten 2 dagen oud waren en dat de wonden al
aanwezig en zichtbaar waren voor het voorgenomen transport.”
4. Op basis van het rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 5.025,- voor het volgende feit: de houder op de plaats van vertrek liet varkens vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat de varkens ernstige open wonden vertoonden. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 3, aanhef, artikel 3, onder b, en artikel 8, eerste lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder b, van Verordening (EG) nr. 1/2005 (de Transportverordening).
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder op basis van het rapport van bevindingen en het aanvullende rapport van bevindingen het primaire besluit gehandhaafd.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een overtreding en dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, omdat zij geen houder is van de dieren. De dieren waren afkomstig van de locatie [locatie] en niet van een locatie elders in het land. Er zijn meerdere partijen betrokken bij deze zaak, zoals [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Verweerder heeft nagelaten deugdelijk onderzoek naar deze betrokkenen te verrichten. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat haar geen rapport van bevindingen is aangezegd en toegezonden. Verweerder schrijft dat het rapport van bevindingen nog door andere medewerkers beoordeeld moest worden, maar onderliggende stukken daarover ontbreken. Correspondentie met andere betrokkenen bij het feit is evenmin in het dossier opgenomen. Eiseres is hierdoor in haar verdediging geschaad. Dat geldt ook doordat het rapport van bevindingen vijftien maanden na constatering van de feiten is opgesteld. Ook is eiseres niet de cautie gegeven en is zij niet gewezen op het recht op rechtsbijstand, aldus eiseres.
5.1.
In het rapport van bevindingen is beschreven en toegelicht waarom de vier varkens ongeschikt waren voor het transport en niet vervoerd hadden mogen worden. Uit vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1027) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Eiseres heeft in de beroepsgronden zonder nadere onderbouwing ontkend dat sprake is van een overtreding. In deze enkele ontkenning en ook in de enkele stelling van eiseres dat zij niet de houder is van de dieren ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van het rapport van bevindingen te twijfelen.
5.2.
De in het geding zijnde norm is gericht tot de houder van dieren (artikel 8, eerste lid, van de Transportverordening). Eiseres kan als houder van de vier varkens worden aangemerkt. Zoals in het rapport van bevindingen is vermeld blijkt uit het aanvoerdocument VKI en begeleidingsformulier dat de varkens afkomstig zijn van UBN [nummer 5] . Uit de uitdraai I&R raadplegen meldingseenheden en relaties blijkt dat dit UBN-nummer is gekoppeld aan het bedrijf van eiseres. Nu eiseres de houder is van de vier varkens die ongeschikt waren voor het transport en zij deze dieren heeft laten vervoeren, heeft eiseres artikel 3, aanhef, artikel 3, onder b en artikel 8, eerste lid, bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder b, van de Transportverordening overtreden.
5.3.
Het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding (26 juli 2023) en het opstellen van het rapport van bevindingen (22 oktober 2024) betekent niet dat verweerder het rapport van bevindingen niet aan de boeteoplegging ten grondslag heeft mogen leggen. In het rapport van bevindingen, voorzien van toelichtende foto’s, is gedetailleerd beschreven wat de toezichthouder heeft geconstateerd. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht maakt de toezichthouder na het constateren van een overtreding aantekeningen die op een later moment in een rapport van bevindingen kunnen worden verwerkt, omdat andere medewerkers de constateringen eerst moeten beoordelen. Het tijdsverloop betekent evenmin dat eiseres hierdoor geen verweer heeft kunnen voeren of in haar verdediging is geschaad. Zoals blijkt uit de e-mails van verweerder van 3 januari 2025, 23 januari 2025 en 20 februari 2025 is het rapport van bevindingen met het voornemen naar eiseres toegezonden. Eiseres had daarmee voldoende feitenmateriaal om de bevindingen van de toezichthouder door een eigen deskundige (bijvoorbeeld haar eigen dierenarts) te laten beoordelen en tegen te kunnen spreken. Eiseres heeft een zienswijze ingediend waarmee zij op het voornemen en op het rapport van bevindingen heeft kunnen reageren en heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Eiseres heeft niet geconcretiseerd hoe zij door het tijdsverloop in haar mogelijkheden tot verweer en haar verdediging zou zijn geschaad.
5.4.
Verweerder was niet gehouden om inzage te geven in stukken met betrekking tot derden, zoals de vervoerder of het slachthuis. Door toezending van het rapport van bevindingen, het voornemen, het primaire besluit en het bestreden besluit aan eiseres heeft verweerder voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eventuele andere stukken uit andere dossiers of over derden zijn geen stukken die ten grondslag zijn gelegd aan de boete en dus geen op deze zaak betrekking hebbende stukken. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiseres die andere stukken voor haar verdediging in deze zaak nodig had. Dat verweerder nalatig zou zijn geweest in het complementeren van het dossier volgt de rechtbank niet. Zo heeft verweerder het voornemen met het rapport van bevindingen bij e-mail van 3 januari 2025 aan eiseres toegezonden. Bij e-mail van 23 januari 2025 heeft verweerder het voornemen met het rapport van bevindingen nogmaals aan eiseres toegezonden, alsmede een kopie van de ingediende zienswijze en de boetebeschikking. Bij e-mail van 20 februari 2025 heeft verweerder opnieuw alle stukken met een inventarislijst aan eiseres toegezonden en daarbij medegedeeld dat er geen andere stukken zijn en dat eventuele correspondentie met derde-partijen geen betrekking heeft op deze zaak.
5.5.
De stelling van eiseres dat verweerder haar had moeten wijzen op het recht op rechtsbijstand leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet op het rapport van bevindingen heeft mogen baseren. Uit het rapport van bevindingen blijkt niet dat eiseres in juli 2023 is verhoord. Bovendien heeft de gemachtigde van eiseres bij de zienswijze en in bezwaar rechtsbijstand verleend. Daarom is niet gebleken dat eiseres in haar belangen is geschaad. Anders dan eiseres heeft gesteld, heeft verweerder niet verzuimd de cautie te geven, aangezien eiseres niet door verweerder is verhoord.
5.6.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bevoegd was eiseres voor de hiervoor omschreven overtreding een bestuurlijke boete op te leggen.
6. Over de hoogte van de boete heeft eiseres aangevoerd dat de verdubbeling niet op het volledige boetebedrag, maar op het gematigde boetebedrag moet worden toegepast. Verder komt de boete voor matiging in aanmerking, omdat de cautie niet in elke fase is gegeven, eiseres niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand en vanwege de tijdsduur en tussenliggende perioden. Daarnaast had verweerder de boete op grond van zijn beleid moeten matigen vanwege het tijdsverloop van ruim zeventien maanden tussen de datum van overtreding en het primaire besluit, aldus eiseres.
6.1.
Volgens rechtspraak van het CBb, onder meer de uitspraken van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:134, onder 5.2), 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:534, onder 5.1) en 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:700, onder 7) brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, waarvan in deze zaak sprake is, vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Als in een stelsel van bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat zulke feiten en omstandigheden in het concrete geval aan de orde zijn en moeten leiden tot een lagere boete.
6.2.
De standaardboete voor een overtreding als hier aan de orde is in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren in verbinding met artikel 1.2 en de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, vastgesteld op € 1.500,-.
6.3.
Met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onderdeel b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft verweerder het standaardboetebedrag verdubbeld naar € 3.000,- omdat de gevolgen voor het dierenwelzijn ernstig zijn. Nu eiseres als houder van dieren vier niet-transportwaardige dieren heeft laten vervoeren in één transport, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het dierenwelzijn ernstig is geschaad en is een verdubbeling van het standaardboetebedrag daarom gerechtvaardigd.
6.4.
Verweerder heeft de boete met toepassing van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd, omdat eiseres op 17 december 2021 (boetezaaknummer [nummer 6] ) is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden. De boete is gelijk aan de som van de voor de overtreding op te leggen boete (€ 3.000,-) en de voor die eerdere overtreding opgelegde boete (€ 2.250,-). De eerdere boete heeft er niet toe geleid dat herhaling is voorkomen. De rechtbank vindt de verhoging in dit geval niet onredelijk of onevenredig. Daarbij verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:4949) waarin is geoordeeld dat een verhoging van zevenmaal het standaard boetebedrag nog evenredig is. In dit geval heeft de verhoging tot gevolg dat de boete drieënhalf keer het standaardbedrag bedraagt.
6.5.
In artikel 5:51 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan over het opleggen van de bestuurlijke boete beslist binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport van bevindingen. Tussen het opmaken van het rapport van bevindingen en het boetebesluit is iets meer dan zeven weken verstreken, zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of dat tijdsverloop aanleiding geeft voor een eventuele matiging van de boete.
6.6.
Verweerder heeft erkend dat het rapport van bevindingen niet is aangezegd en dat het tijdsverloop van vijftien maanden tussen het constateren van de overtreding en het opstellen van het rapport van bevindingen onzorgvuldig is. Om die reden heeft verweerder op grond van het destijds geldende matigingsbeleid op de totale boete van € 5.250,- een bedrag van € 225,- in mindering gebracht. Het bedrag van € 225,- is 15% van het standaardboetebedrag voor deze overtreding (€1.500,-). De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om de boete verder te matigen.
6.7.
In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat verweerder nieuw matigingsbeleid heeft op grond waarvan een tijdsverloop van meer dan zevenendertig weken tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en de boetebeschikking kan leiden tot matiging van de boete. In dit geval is het tijdsverloop minder dan zevenendertig weken, zodat er geen aanleiding bestaat de boete op grond van het nieuwe matigingsbeleid verder te matigen.
6.8.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn nog niet is overschreden. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de redelijke termijn aanvangt op een ander moment dan het moment waarop het voornemen kenbaar is gemaakt.
Conclusie en gevolgen
7. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de boete terecht aan eiseres is opgelegd en dat er geen aanleiding bestaat tot verdere matiging van de boete, nu eiseres geen bijzondere omstandigheden daartoe heeft gesteld.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|