|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:1446 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/10232 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Voorlopige voorziening. Participatiewet; afwijzing aanvraag bijzondere bijstand dieetkosten. Onvoldoende gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Verzoek afgewezen. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | zorgtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10232
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor bijzondere bijstand voor haar dieetkosten. Verzoekster is het niet met de afwijzing eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor dieetkosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 december 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster heeft op 29 september 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor dieetkosten. Met het bestreden besluit van 5 december 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij niet op een afspraak bij de GGD is geweest en zij ook niets van zich heeft laten horen. Het college kan daarom niet vaststellen of verzoekster recht heeft op bijzondere bijstand voor dieetkosten.
4. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de bijzondere bijstand. Zij stelt dat zij wel recht heeft op bijzondere bijstand voor dieetkosten, omdat aan alle vereisten van artikel 35 van de Participatiewet is voldaan. Verzoekster betwist dat zij een afspraak had en zij betwist dat zij niet op een oproep van de GGD heeft gereageerd. Zij heeft eerder bijzondere bijstand voor dieetkosten toegekend gekregen. Voor de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 betrof dit € 500,- en voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2024 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2025) betrof dit € 650,-. Voorafgaand aan de eerstgenoemde toekenning is verzoekster medisch gekeurd, waarvan een medisch advies is opgemaakt met de datum 23 januari 2023. Het college had volgens verzoekster op basis van dit medisch advies de bijzondere bijstand moeten toekennen. De medische situatie van verzoekster is namelijk niet verbeterd.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
6. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat zij onvoldoende geld heeft om boodschappen van te betalen. Zij ontvangt een bijstandsuitkering en heeft schulden. In 2026 ontvangt zij niet langer huurtoeslag. Ook moet zij volgens een besluit van 19 juli 2024 van de Belastingdienst/Toeslagen € 1.441,- aan huurtoeslag terugbetalen. Op de zitting heeft verzoekster aangegeven dat dit bedrag nog open staat.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij een dermate spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat zij niet kan wachten op een beslissing op het bezwaarschrift. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij onvoldoende geld heeft om boodschappen van te betalen. Verzoekster heeft echter onvoldoende met stukken onderbouwd dat zij in dermate financiële nood verkeert dat zij de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Hoewel verzoekster heeft aangetoond dat zij voor het jaar 2026 geen huurtoeslag ontvangt en heeft gesteld dat zij bij de Belastingdienst nog een schuld van € 1.441,- open heeft staan, blijkt hieruit een onvoldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Verzoekster ontvangt immers nog zorgtoeslag en kindgebonden budget en heeft verder geen onderbouwd inzicht gegeven in haar financiële situatie. De voorzieningenrechter betrekt daar ook bij dat verzoekster haar spoedeisend belang bij het verkrijgen van specifiek dieetkosten niet nader heeft onderbouwd. Het college heeft op de zitting aangeboden zich ervoor in te spannen dat verzoekster zo snel mogelijk een nieuwe afspraak bij de GGD krijgt voor een medisch onderzoek en dat het bezwaar zo snel mogelijk in behandeling wordt genomen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster het nadere medisch onderzoek niet zou kunnen afwachten.
Is het besluit evident onrechtmatig?
8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit niet juist is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de uitnodigingen voor de twee afspraken bij de GGD weliswaar niet aangetekend zijn verzonden, maar dat deze ook per e-mail zijn gestuurd naar de kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster en dat is geprobeerd verzoekster telefonisch te bereiken. Verzoekster stelt dat zij niet van de afspraken op de hoogte was. Wat daar ook van zij, het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het college het recht op bijzondere bijstand voor dieetkosten had moeten vaststellen. Op basis van artikel 5.3, tweede lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 stelt het college het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies. In het medisch advies van 23 januari 2023 dat verzoekster heeft overgelegd, staat dat zij weliswaar een aandoening van blijvende aard heeft, maar ook dat verbeteringen niet zijn uitgesloten en dat herbeoordeling na twee jaar geadviseerd is. Omdat het rapport inmiddels ongeveer drie jaar oud is, valt het recht op bijzondere bijstand niet op grond van dit rapport vast te stellen, zodat een nieuw medisch advies nodig is. Het standpunt van verzoekster dat haar gezondheid niet is verbeterd, is onvoldoende om aan te nemen dat het medisch advies nog actueel is.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog niet aan verzoekster bijzondere bijstand voor dieetkosten hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|