|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:15207 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | C/10/727770 / KG ZA 26-10 C/10/727770 / KG ZA 26-10 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Opheffing beslag. Toewijzing. Niet is gebleken van summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering, maar een belangenafweging leidt tot opheffing. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij (spoedeisend) belang heeft bij de opheffing van het beslag. Er zijn voldoende andere vermogensbestanddelen om beslag op te leggen en ook is door de man aangeboden zekerheid te stellen voor de vordering van de vrouw. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | koopovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/727770 / KG ZA 26-1092
Vonnis in kort geding van 23 oktober 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P. Kloppenburg,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.M. Dezfouli.
1De zaak in het kort
1.1.
De man en de vrouw zijn getrouwd geweest en inmiddels gescheiden. Gedurende het huwelijk heeft de man een bedrijfspand aangekocht. De vrouw is van mening dat zij bij de verdeling van het huwelijksvermogen recht heeft op (een deel van) de waarde van het bedrijfspand. De vrouw heeft daarom conservatoir beslag gelegd op een aan de man toebehorende geldsom bij een notaris en is een bodemprocedure tegen de man gestart. De man vordert opheffing van het beslag, omdat hij het geld bij de notaris op korte termijn nodig heeft voor de aankoop van een woning en anders boetes zal verbeuren. De voorzieningenrechter heft het beslag op.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;- de mondelinge behandeling van 21 oktober 2026;- de pleitnota van de vrouw.
3De feiten
3.1.
Partijen zijn getrouwd op 30 maart 1995. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 4 juli 2022 (hierna: de beschikking) de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is ingeschreven op 31 maart 2023. In de beschikking staat:
“2.6. Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht (…)
2.6.2.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. (…)
2.6.9.
Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht met ingang van 2005 het Nederlands recht van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime (wagonstelsel).
2.6.10
Het voorgaande betekent dat met betrekking tot het toepasselijk recht drie periodes moeten worden onderscheiden, te weten:
- vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking tot 2002 is oud Turks recht van toepassing, waarin partijen buiten iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap met elkaar gehuwd waren;
- van 2002 tot 2005 is het nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek van toepassing, waarin partijen buiten iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap met elkaar gehuwd waren met een deelgenootschap in vermogensopbouw;
-vanaf 30 maart 2005 is Nederlands recht van toepassing, vanaf dat moment geldt dat partijen gehuwd zijn in gemeenschap van goederen.”
3.2.
De man heeft in 2000 een bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand) gekocht.
3.3.
De man heeft in 2025 een procedure tot verdeling van de gemeenschap gestart. Het bedrijfspand was onderdeel van die procedure. De man en de vrouw hebben toen een minnelijke regeling gesloten, vastgelegd bij proces-verbaal van 11 augustus 2025, waarin staat:
“1. Partijen constateren dat zij van mening blijven verschillen over (de verdeling van) het bedrijfspand (…). Partijen wensen de onderhavige procedure te beëindigen, maar [de vrouw] behoudt zich ter zake van (de verdeling van) dat pand alle rechten voor.”
3.4.
Bij notariële akte van 15 september 2026 is de (voormalige) echtelijke woning toebedeeld en geleverd aan de vrouw. Volgens de akte van verdeling had de man recht op een bedrag van € 108.641,- vanwege onderbedeling.
3.5.
Bij deurwaardersexploot van 16 september 2026 heeft de vrouw op grond van een verlof van 11 september 2026 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam beslag op het onder 3.4 bedoelde bedrag gelegd onder de notaris voor een bedrag van
€ 102.000,-.
3.6.
De man heeft in september 2026 een koopovereenkomst voor een woning in [woonplaats 1] gesloten, op grond waarvan hij gehouden is om uiterlijk op 26 oktober 2026 een bankgarantie te stellen of een waarborgsom te storten.
4Het geschil
4.1.
De man vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis primair het op 16 september 2026 onder de notaris gelegde beslag opheft en subsidiair dat het beslag wordt opgeheven na zekerheidstelling door de man, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
4.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader opheffing conservatoir beslag
5.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
5.2.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
Het beslag wordt opgeheven
5.3.
De man voert aan dat de vordering van de vrouw ondeugdelijk is vanwege het volgende. De man heeft in 2000 het bedrijfspand aangekocht. Toen gold ten aanzien van het huwelijksvermogen het oude Turks Burgerlijk Wetboek, waarbij sprake is van een algehele scheiding van goederen. Gelet op het zgn. “wagonstelsel” van artikel 7 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) heeft de invoering van het nieuwe Turks Burgerlijk Wetboek hier geen invloed op en dat geldt eveneens voor het sinds 2005 tussen partijen geldende Nederlands recht. De vrouw heeft gelet daarop geen aanspraak op verdeling van het bedrijfspand en daarom is haar vordering ondeugdelijk.
5.4.
De vrouw voert primair aan dat Nederlands recht van toepassing is en subsidiair dat zij recht heeft op (tenminste) de waardevermeerdering van het bedrijfspand, ongeacht welk recht van toepassing zou zijn.
5.5.
De voorzieningenrechter sluit aan bij de vaststelling uit de beschikking op het punt van het op het huwelijksvermogen toepasselijke recht, de toepasselijkheid van het wagonstelsel uit het Verdrag en het recht dat van toepassing is in de drie periodes van het huwelijk (zie 3.1.).
5.6.
Gelet op de omstandigheid dat het wagonstelsel van toepassing is, is (oud) Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogen ten tijde van de aankoop van het bedrijfspand. Een wijziging in het toepasselijk recht heeft op grond van artikel 8 van het Verdrag immers enkel gevolg voor de toekomst en deze wijzigingen hebben zich enkel voorgedaan nadat het bedrijfspand in 2000 was aangekocht. Hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het bedrijfspand valt onder de algehele scheiding van goederen onder (oud) Turks recht, waardoor het bedrijfspand geen onderdeel is gaan uitmaken van de (latere) huwelijksgoederengemeenschap. In de jurisprudentie en literatuur bestaat echter, mede in aanmerking nemende het Nederlandse overgangsrecht, verschil van opvattingen over de vraag hoe moet worden omgegaan met de door beiden aangenomen waardevermeerdering van het bedrijfspand sinds 2005. In de opvatting waarop de vrouw zich beroept zou haar van de waardevermeerdering de helft toekomen. Haar vordering is voor het geval daarvan wordt uitgegaan in het beslagrekest niet nader geduid, genoemd is slechts dat er een overwaarde van ca. € 400.000 zou zijn.
In de andere opvatting bestaat de vordering niet.
Dat betekent, dat sprake is van een onzekere vordering van onduidelijke omvang, maar niet van summierlijke ondeugdelijkheid.
5.7.
Een belangenafweging leidt echter tot opheffing. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij groot en spoedeisend belang heeft bij de opheffing van het beslag, gelet op de noodzaak om de betreffende geldsom te gebruiken als waarborgsom voor de koop van zijn nieuwe woning. Hij heeft, tot het beslag, geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het hem toekomende bedrag niet zou kunnen worden besteed aan de waarborgsom en het is zeer de vraag of hij op de huidige korte termijn een bankgarantie zal kunnen stellen.
Het belang van de vrouw bij handhaving is zeer beperkt. Het is voldoende gebleken dat er meerdere andere vermogensbestanddelen zijn - zoals het bedrijfspand zelf - waarop de vrouw beslag zou kunnen leggen. Dat de man dat op korte termijn zou verkopen is niet aannemelijk geworden. Daarnaast kan ook op de nu door de man gekochte woning beslag worden gelegd en is een hypotheekrecht als zekerheid aangeboden. De redenen die de vrouw heeft gegeven om deze mogelijkheden onbenut te laten overtuigen niet.
5.8.
De man vordert dat dit vonnis in de plaats treedt van enige handelingen tot doorhaling en opheffing. Aangezien (enkel) beslag is gelegd onder de notaris is geen sprake van handelingen tot doorhaling en omdat de voorzieningenrechter het beslag opheft met dit vonnis zijn daar ook geen nadere handelingen voor nodig. Daarom wordt dit deel van de vordering afgewezen.
Geen behandeling subsidiaire vordering
5.9.
De primaire vordering wordt toegewezen, zodat de subsidiaire vordering niet wordt behandeld.
Proceskosten
5.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
heft op het op 16 september 2026 ten laste van de man onder de Besloten Vennootschap Notariskantoor Groenveld en van Houdt gelegde beslag,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
4049 / 106
HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|