|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:2442 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | FT RK 25/1821 | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Verzoek WSNP afgewezen. Er is sprake van een hoge fraudevordering en recente strafrechtelijke veroordelingen. De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk dat de verplichtingen naar behoren zullen worden nagekomen. Artikel 284 Faillissementswet. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 21 januari 2026
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1De procedure
Verzoeker heeft op 6 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 13 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] , partner van verzoeker;
mevrouw [persoon B] en mevrouw [persoon C] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).
2De feiten
Verzoeker heeft geen betaalde dienstbetrekking en heeft derhalve geen inkomsten uit arbeid. Bovendien kan hij ook geen bijstandsuitkering aanvragen. Verzoeker heeft de Belgische nationaliteit en moet daarom eerst drie maanden betaalde arbeid hebben verricht. Dit is hem tot op heden nog niet gelukt waardoor hij ook geen inkomsten uit een uitkering ontvangt. Verzoeker is gehuwd in gemeenschap van goederen. De (gezamenlijke) schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 28.579,78. De fraudevordering van CZ ter hoogte van € 69.163,28 is daar niet bij inbegrepen.
3De beoordeling
Goede trouw
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Dat verzoeker aan deze eis voldoet, is niet gebleken.
Fraudevordering
Gebleken is dat er vrij recent een schuld aan CZ is ontstaan van € 69.163,28. De schuld is ontstaan in de periode van april 2024 tot en met april 2025. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze schuld is ontstaan doordat verzoeker fraude heeft gepleegd door valse facturen te declareren bij de verzekeraar. Verzoeker heeft ter zitting erkend dat hij fraude heeft gepleegd. Het geld wat hij heeft ontvangen is gedeeltelijk uitgegeven aan zijn verslaving aan lachgas. Het is niet duidelijk wat er met het restant van het bedrag is gebeurd. Deze schuld is te kwader trouw ontstaan en staat aan toelating in de weg.
Nakoming verplichtingen en strafrechtelijke veroordelingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Uit de opgave van het CJIB van 29 december 2025 blijkt dat verzoeker in 2024 en in 2025 strafrechtelijk is veroordeeld. In beide zaken loopt er nog een proeftijd van enkele jaren en zijn er voorwaarden opgelegd, waaronder verplichte behandeling. Hierover heeft verzoeker niet uit eigen beweging openheid van zaken gegeven. Ook ter zitting is slechts summier informatie gedeeld. Verzoeker leek verbaasd dat er twee parketnummers waren en kon zich na doorvragen alleen een huiselijk geweldzaak herinneren. Deze gang van zaken – tezamen met het feit dat er kennelijk een verplicht behandelingstraject als voorwaarde is gesteld – maakt dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat verzoeker in de Wsnp zijn verplichtingen zal nakomen. In combinatie met de recente fraude die verzoeker heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een saneringsgezinde houding van verzoeker.
Voorts heeft verzoeker, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek, geen sollicitaties overgelegd. De rechtbank acht het daardoor ook niet aannemelijk dat verzoeker de inspanningsplicht naar behoren zal nakomen.
Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat verzoeker de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst om de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te kunnen naleven. Op grond van het bepaalde in de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsanering dient ook deze omstandigheid bij de beoordeling van het verzoek te worden betrokken.
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient af te wijzen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|