Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:4921 
 
Datum uitspraak:17-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/9470 ROT 24/11776
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), private schulden. Beroep ongegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat overname of compensatie van schulden niet mogelijk is, omdat het informele schulden betreft en niet is voldaan aan het vereiste van een notariële akte. De minister heeft in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing kunnen laten.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 24/9470, ROT 24/11776
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen



[eiseres]
, uit Vlaardingen, eiseres
(gemachtigde: [naam 1]),

en


de minister van Financiën,
(gemachtigde: mr. A van der Spoel).


Samenvatting

1. De minister heeft de aanvragen van eiseres om overname van een schuld en om compensatie voor een al betaalde schuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat overname of compensatie van schulden niet mogelijk is, omdat het informele schulden betreft en niet is voldaan aan het vereiste van een notariële akte. De minister heeft in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing kunnen laten.



Procesverloop

2.

2.1.
Met besluiten van 8 mei 2024 en 16 juli 2024 heeft de minister de aanvragen van eiseres om compensatie van een al betaalde geldschuld en om overname van een geldschuld op grond van de Wht afgewezen.



2.2.
Met een besluit van 5 september 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 mei 2024 ongegrond verklaard (ROT 24/9470). Met een besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 juli 2024 ongegrond verklaard (ROT 24/11776).



2.3.
Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 december 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


De bestreden besluiten

3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft aanvragen gedaan om compensatie voor een al betaalde geldschuld aan ALM Groep B.V. (ALM Groep) van € 12.300,- en om overname van een schuld aan de vader van eiseres, [naam 2], van € 51.540,-. De minister heeft deze aanvragen afgewezen.


Wettelijk kader


4.1.
De minister neemt op aanvraag een schuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De schulden die worden overgenomen, zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.



4.2.
De minister verleent compensatie voor een afgeloste schuld die op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld die is voldaan na ontvangst van het bedrag op grond van een herstelmaatregel zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.



4.3.
Schulden die zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen. Informele schulden, die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte die is opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijken uit een rechterlijke uitspraak. De hoofdsom van een lening wordt niet overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden.



4.4.
De minister kan afwijken van een bepaling over de overname of compensatie van schulden voor zover toepassing van de desbetreffende bepaling, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.



4.5.
De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister de aanvragen terecht heeft afgewezen.


Schuld aan ALM Groep

5.


5.1.
Volgens een door eiseres overgelegde rekening-courantovereenkomst van 1 juni 2015 heeft ALM Groep aan eiseres een krediet verstrekt van maximaal € 60.000,-. In de overeenkomst is vermeld dat de kredietfaciliteit is bedoeld om opgebouwde schulden af te betalen. Eiseres was destijds werkzaam als bestuurder bij ALM Groep. Volgens eiseres heeft zij de compensatie die zij heeft ontvangen op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, gebruikt om haar schuld te betalen. Dit heeft zij gedaan door overboekingen van € 5.000,- op 30 november 2021 en van € 7.300,- op 22 december 2022. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie van deze al betaalde geldschulden.



5.2.
De minister heeft eiseres voor de al betaalde schuld aan ALM Groep niet gecompenseerd omdat het volgens de minister een informele schuld betreft die niet is vastgelegd in een notariële akte. Het verstrekken van kredieten behoort volgens de minister niet tot de normale uitoefening van het bedrijf van ALM Groep. Ook heeft ALM Groep voor het verstrekken van kredieten geen vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De minister heeft er verder op gewezen dat Muratovic Holding B.V. (de holding van eiseres) sinds 30 januari 2020 enig aandeelhouder van ALM Groep is. Daarom stuit compensatie voor deze schuld volgens de minister ook af op artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder d, van de Wht.



5.3.
Eiseres betoogt dat de schuld wel is ontstaan door een in de normale uitoefening van het bedrijf van ALM Groep verrichte rechtshandeling. Uit de statuten van ALM Groep blijkt dat de besloten vennootschap mede als doel heeft “het financieren voor schulden van anderen”. Het is gebruikelijk dat vennootschappen kredieten verstrekken aan werknemers. Voor het verstrekken van financieringen aan personen die betrokken zijn bij de vennootschap, is geen vergunning nodig van de AFM, aldus eiseres.



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de schuld niet ontstaan door een in de normale uitoefening van het bedrijf van ALM Groep verrichte rechtshandeling. Het feit dat ALM Groep volgens de statuten mede als doel heeft het “financieren voor schulden van anderen”, betekent nog niet dat het verstrekken van financieringen behoort tot de normale uitoefening van het bedrijf. De normale bedrijfsuitoefening van ALM Groep is niet het verstrekken van kredieten maar het verlenen van juridische en financiële diensten. Dit komt overeen met de verklaring van eiseres op de zitting dat ALM Groep geen leningen verstrekt aan iedereen, maar alleen aan personen die betrokken zijn bij de vennootschap. Omdat sprake is van een informele schuld, geldt het vereiste dat de schuld moet zijn vastgelegd in een notariële akte. Aan dit vereiste is niet voldaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


Hardheidsclausule



5.5.
Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Zij voert daartoe aan dat er voldoende bewijs is voor het bestaan van de schuld. Een accountant heeft vastgesteld dat de bedragen kloppen en er zijn aangiften gedaan bij de Belastingdienst waardoor het bestaan van de schuld is komen vast te staan.



5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing kunnen laten. Weliswaar is het mogelijk dat zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte onbillijk is (namelijk als aan het bestaan van een informele schuld en de gemaakte betalingsafspraken op grond van andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen), maar zo’n situatie doet zich hier niet voor. Eiseres heeft de rekening-courantovereenkomst uit 2015 en bankafschriften van de betalingen aan ALM Groep uit 2021 en 2022 overgelegd. Over het ter beschikking stellen van het krediet aan eiseres is in de overgelegde stukken echter in het geheel geen informatie te vinden. Alleen al hierom bestaat er te veel onzekerheid over het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken om de eis van de notariële akte los te laten. De beroepsgrond slaagt niet.


Schuld aan de vader van eiseres

6.


6.1.
Volgens eiseres heeft haar vader € 28.840,- voorgeschoten voor kosten van dagelijks levensonderhoud, een lening verstrekt van € 6.500,- voor het afbetalen van een schuld aan de Dienst Toeslagen en leningen verstrekt van € 1.200,- en € 15.000,- voor het afbetalen van overige schulden. De schuld bedraagt in totaal € 51.540,- en is op 24 maart 2020 vastgelegd in een leenovereenkomst. Hieruit volgt volgens eiseres dat de schuld op 24 maart 2021 in zijn geheel moet zijn afgelost. De leenovereenkomst is op 22 december 2023 vastgelegd in een notariële akte.



6.2.
Niet in geschil is dat de schuld aan de vader van eiseres een informele schuld betreft die niet is vastgelegd in een notariële akte die is opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. De schuld kan daarom in beginsel niet worden overgenomen.


Hardheidsclausule



6.3.
Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Zij voert daartoe aan dat de schuld aan alle voorwaarden voor overname voldoet, behalve aan het vereiste dat de notariële akte moet zijn opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Er is sprake van een uitzonderlijke situatie omdat de schuld is ontstaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag waar zij al sinds 2008 mee te maken heeft. Eiseres kan geen nieuwe start maken zolang deze schuld bestaat omdat het haar nog jaren zal kosten om deze schuld af te betalen.



6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de hardheidsclausule in redelijkheid buiten toepassing kunnen laten. Zoals hiervoor al is overwogen, is het mogelijk dat zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte onbillijk is, namelijk als aan het bestaan van een informele schuld en de gemaakte betalingsafspraken op grond van andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Zo’n situatie doet zich ook bij deze schuld niet voor. Eiseres heeft weliswaar een schriftelijke leenovereenkomst overgelegd, maar deze biedt onvoldoende zekerheid over het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken. Hierbij is van belang dat de schuld is ontstaan in de periode van 2011 tot en met 2016, terwijl deze pas op 24 maart 2020 in een leenovereenkomst is vastgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.


Hoorplicht

7.


7.1.
Eiseres betoogt tot slot dat de minister ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden gehoord te worden voordat er een beslissing werd genomen op haar bezwaarschrift.



7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de hoorplicht niet geschonden. De minister heeft een brief van 23 mei 2024 overgelegd waarin aan eiseres de gelegenheid is geboden om kenbaar te maken of zij gehoord wil worden. De minister heeft gesteld dat zij daarop niet heeft gereageerd. Eiseres heeft dit niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzitter, en mr. R.J.P. Ferwerda en mr. C.A. Hage, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.












griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.


Artikel 4.3, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.


Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.


Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.


Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.


Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.


ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 r.o. 22.


Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Link naar deze uitspraak