Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:7860 
 
Datum uitspraak:19-06-2026
Datum gepubliceerd:03-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/4323
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingswet. Vovo hangende beroep. Last onder bestuursdwang opgelegd aan wegens het overnemen en in bezit hebben van twee kraagpapegaaien waarvan de legale herkomst niet is aangetoond. De voorzieningenrechter heeft als uitgangspunt genomen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 waarin op het verzoek om voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure is beslist (ECLI:NL:RBROT:2025:14639). De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in het standpunt dat verzoeker met de nadien overgelegde documentatie nog steeds niet de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond en dat er dus sprake is van een overtreding van artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening en artikel 11.96, tweede lid van het Bal. Verzoeker heeft ook geen bijzondere omstandigheden gesteld die zodanig onevenredig zijn dat van handhavend optreden moet worden afgezien. Verzoek afgewezen.
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
vrijstelling
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4323

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen



[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),

en


de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens deze de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (de staatssecretaris)
(gemachtigden: [naam gemachtigde 2] , [naam gemachtigde 3] en mr. P.J. Kooiman).



Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de opgelegde last onder bestuursdwang wegens het overnemen en het in bezit hebben van twee kraagpapegaaien met een microchiptransponder, te weten nummer [nummer X] (man) en nummer [nummer Y] (vrouwelijke vogel: pop ).


1.1.
Met het besluit van 30 september 2025 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd. De staatssecretaris heeft het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit met het bestreden besluit van 9 februari 2026 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de staatssecretaris vergezeld door mr. N. Hoek.


Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Verzoeker houdt verschillende soorten papegaaien. Op 12 en 26 mei 2025 is een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA) langs geweest voor een inspectie naar aanleiding van een door het CITES management Autoriteit afgewezen aanvraag voor een vervangend EU-certificaat voor een roodwangara. Naar aanleiding van de inspectie heeft de inspecteur op 15 augustus 2025 verzoeker gevraagd om documentatie aan te leveren om de legale herkomst van onder meer het koppel kraagpapegaaien aan te tonen. De kraagpapegaaien zijn zonder merkteken en er zijn geen gegevens bekend over de kweker. Verzoeker heeft toegelicht dat hij de kraagpapegaaien enkele jaren geleden heeft overgenomen van een bekende, [persoon A] . [persoon A] heeft bevestigd dat hij begin 2020 de kraagpapegaaien heeft overgedragen aan verzoeker. Hij had ze zelf in 2013 of 2014 overgenomen van een oudere man waarmee hij via internet in contact was gekomen. De RVO heeft geen contactgegevens van deze persoon ontvangen. Op 25 augustus 2025 heeft verzoeker meegedeeld dat hij de kraagpapegaaien wil verkopen aan een vriend in Italië en dat hij de vogels daarom naar een dierenarts heeft gebracht om ze te laten voorzien van een microchiptransponder. De man bleek al een microchiptransponder te hebben met nummer [nummer X] . De dierenarts heeft de pop (geboren op 2 juni 2010) met pootring (knijpring) met nummer [nummer Z] voorzien van een microchiptransponder met nummer [nummer Y] .



2.1.
Volgens de staatssecretaris bieden zowel het microchiptranspondernummer van de man als het nummer van de knijpring van de pop geen aanknopingspunten die de kweekstatus en herkomst van de kraagpapegaaien kunnen aantonen. De staatssecretaris heeft daarom met het primaire besluit een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, die bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Verzoeker is gelast om de onrechtmatige situatie binnen de begunstigingstermijn te herstellen door de legale herkomst van de twee kraagpapegaaien aan te tonen. Als verzoeker hieraan niet voldoet, dan worden de twee kraagpapegaaien meegevoerd en opgeslagen op kosten van verzoeker.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker, als volgt af.


3.1.
De voorzieningenrechter zal niet onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verzoeker heeft toegelicht dat hij kort voor de zitting stukken heeft ontvangen, die hij in de beroepsprocedure wil overleggen.


Toetsingskader

4. Dier- en plantsoorten in het wild die door handel worden bedreigd met uitsterven, hebben een beschermde status gekregen in The Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (het CITES-verdrag). Dit verdrag is in de Europese Unie uitgewerkt in Verordening (EG) nr. 338/97 (de CITES-basisverordening) en Verordening (EG) nr. 865/2006 (de CITES-uitvoeringsverordening). In de bijlagen A tot en met D bij de CITES-basisverordening zijn de dier- en plantsoorten aangewezen die Europees zijn beschermd. De kraagpapegaai (Deroptyus accipitrinus) is genoemd in Bijlage B van de CITES-basisverordening.



4.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Sindsdien is de CITES-regelgeving door de Nederlandse wetgever opgenomen in de Ow en uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), meer specifiek in artikel 4.3, tweede lid, onder a, van de Ow, gelezen in combinatie met paragraaf 11.2.9 van het Bal.



4.2.
Vóór 1 januari 2024, ten tijde van het verkrijgen van de specimens door verzoeker, was de CITES-regelgeving opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb) en verder uitgewerkt in het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb). Deze wet- en regelgeving is met de inwerkingtreding van de Ow ingetrokken.



4.3.
Op grond van artikel 2.9, vierde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is oud recht (alleen) van toepassing op handhavingszaken wanneer voor de inwerkingtreding van de Ow een overtreding plaatsvond, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding van het bepaalde bij en krachtens de Wnb klaarblijkelijk dreigde, en voor die overtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd of een schriftelijk voornemen daartoe is verzonden aan een belanghebbende.



4.4.
De RVO heeft op 17 september 2025, dus na 1 januari 2024, het voornemen kenbaar gemaakt om de last onder bestuursdwang op te leggen. Dat betekent dat het huidige recht van toepassing is op de last onder bestuursdwang en het bestreden besluit.


Is er sprake van een overtreding?

5. Verzoeker stelt dat er geen sprake is van een overtreding omdat hij de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond met documentatie zoals de importvergunning en de verklaringen van de eerdere eigenaren van de kraagpapegaaien. Volgens verzoeker was de staatssecretaris in het verleden minder strikt met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. Zo was een gesloten administratie die correspondeerde met de dieren die werden gehouden, al voldoende.



5.1.
Op grond van artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van onder meer de kraagpapegaai verboden. Dit verbod geldt niet indien ten genoegen van de staatssecretaris is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. De staatssecretaris komt bij het toezicht op de naleving van dit verbod beoordelingsruimte toe die hij in overeenstemming met de verordeningen en de bedoelingen daarvan moet invullen. Aan de tekst van artikel 8, eerste en vijfde lid van de Basisverordening in combinatie met artikel 54 van de Uitvoeringsverordening kan verder worden ontleend dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat de vogels een legale herkomst hebben. De Europese Commissie heeft Richtsnoeren geformuleerd over bewijs van legale verwerving voor levende dieren van in bijlage B genoemde diersoorten (Pb EU 2019/C 107/2, de Richtsnoeren).



5.2.
Artikel 11.93, eerste lid, van het Bal verbiedt onder meer het handelen in strijd met artikel 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid van de CITES-basisverordening. Verder is het verboden om een kraagpapegaai in bezit te hebben (artikel 11.96, tweede lid, van het Bal). Van dit verbod wordt vrijstelling verleend als sprake is van een aantoonbaar gefokte vogel (artikel 11.97, eerste lid, onder b, van het Bal). Op grond van artikel 11.97, derde lid, onder c, van het Bal geldt deze vrijstelling alleen als de kraagpapegaai aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen en is voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 11.103 van het Bal in samenhang met artikel 4.32 van de Omgevingsregeling. Op deze administratieplicht gelden een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld voor gefokte vogels die zijn voorzien van een gesloten pootring (artikel 11.103, eerste lid, onder c, van het Bal).



5.3.
De voorzieningenrechter neem als uitgangspunt de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 waarin op het verzoek om voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure is beslist (ECLI:NL:RBROT:2025:14639). Ook dat eerdere verzoek is afgewezen omdat de voorzieningenrechter toen vond dat de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker de legale herkomst van de kraagpapegaaien niet heeft aangetoond. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris in het standpunt dat verzoeker met de nadien overgelegde documentatie nog steeds niet de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond en dat er dus sprake is van een overtreding van artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening en artikel 11.96, tweede lid, van het Bal. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de importvergunning, de verklaringen van eerdere eigenaren en zowel het nummer van de pootring van de pop als het microchiptranspondernummer van de man geen aanknopingspunten geven voor het aantonen van de legale herkomst van de kraagpapegaaien. Verzoeker heeft ook geen documentatie overgelegd waaruit de herkomst van de ouderdieren van de gekweekte pop volgt. De voorzieningenrechter vindt de overgelegde documentatie van verzoeker ook niet op alle punten consistent. Zo heeft de pootring van de pop de codering E96, wat wijst op productiejaar 1996, terwijl de pop in 2010 zou zijn geboren. Verzoeker heeft z’n best gedaan om met diverse stukken de legale herkomst van de beide dieren aan te tonen maar het komt er kort gezegd op neer dat de bewijskracht van die stukken onvoldoende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker verder niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris in het verleden minder strikt was met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. In wat verzoeker verder heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Gelet op het voorgaande was de staatssecretaris dus in zoverre bevoegd om te handhaven.


Beginselplicht tot handhaving

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie.


Bijzondere omstandigheden

7. Verzoeker voert aan dat handhaving onevenredig is, omdat het verplaatsen van de kraagpapegaaien een impact heeft op hun welzijn.


7.1.
De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker gestelde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Het door verzoeker gestelde belang van het dierenwelzijn weegt in dit geval niet op tegen het belang van handhaving. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de staatssecretaris wil voorkomen dat er gekweekt wordt met de kraagpapegaaien en dat hiermee de overtreding wordt voortgezet. Er is namelijk al een nakweekdier van de vogels. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat het dierenwelzijn altijd in ogenschouw wordt genomen en geborgd. Daarbij had verzoeker eerder juist te kennen gegeven dat hij de kraagpapegaaien wilde verkopen aan een vriend in Italië, terwijl op de zitting pas duidelijk is geworden dat verzoeker dit niet meer van plan is.

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.




Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de staatssecretaris door kan gaan met handhaven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.




De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.










griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Link naar deze uitspraak