|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:7867 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | C/10/666545 / HA ZA 23-85 C/10/666545 / HA ZA 23-85 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Schadestaatprocedure. Tankstation. Erfpacht en opstal. Betaling canon. Overtreding concurrentiebeding. Schade. Eindvonnis na tussenvonnis. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Rotterdam
Zaaknummer: C/10/666545 / HA ZA 23-858
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. W.A.J. Hagen,
tegen
KUWAIT PETROLEUM (NEDERLAND) B.V.,
te Den Haag,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.A. Jacobs.
Eisers zullen hierna gezamenlijk [eiser 1] c.s. en afzonderlijk respectievelijk [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden. Gedaagde zal hierna Kuwait genoemd worden.
De zaak in het kort
Een grondeigenaar/wasstraatexploitant spreekt een oliemaatschappij aan die in het verleden een tankstation op zijn grond exploiteerde. Hij vordert verklaringen voor recht en schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht en het doorgeven van foutieve gegevens, waardoor hij te weinig canon heeft ontvangen en het tankstation bij verkoop te weinig heeft opgebracht. De rechtbank wijst de vorderingen ten dele toe. Verwijzing naar de schadestaat.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de producties 27 en 28, van [eiser 1] c.s.;
- de brief van mr. Jacobs d.d. 21 oktober 2025, met twee bijlagen;
- de brief van mr. Hagen d.d. 28 oktober 2025
- de brief van de rechtbank d.d. 3 november 2025;
- de mondelinge behandeling, gehouden op 5 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
Stand van de procedure
2.1.
Kuwait exploiteerde een tankstation, genaamd [naam tankstation 1] , op een perceel grond van [eiser 1] c.s. Deze zaak betreft de vorderingen van [eiser 1] c.s. jegens Kuwait uit hoofde van een daarover tussen partijen gesloten overeenkomst van erfpacht en opstal van 8 mei 2002 (hierna: de overeenkomst).
2.2.
Het geschil ziet op (a) overtreding van het in de overeenkomst opgenomen concurrentiebeding door Kuwait, waardoor Kuwait schade stelt te hebben geleden en (b) de (na)betaling van de variabele (erfpacht)canon aan Kuwait en de verkoop van [naam tankstation 1] tegen een te lage verkoopprijs, waardoor [eiser 1] stelt schade te hebben geleden..
2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank voor wat betreft het concurrentiebeding geoordeeld dat Kuwait dit beding heeft overtreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij wat betreft de literaantallen/volumecijfers uit zal gaan van de schatting van [eiser 1] c.s..
2.4.
Kuwait heeft per brief van 21 oktober 2025 de rechtbank verzocht het tussenvonnis te heroverwegen. [eiser 1] c.s. heeft per brief van 28 oktober 2025 op dat verzoek gereageerd. De rechtbank heeft per brief van 3 november 2025 het verzoek van Kuwait afgewezen.
2.5.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis een mondelinge behandeling gelast, mede om te bezien of partijen op basis van de gegeven oordelen tot een schikking konden komen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 5 november 2025 geen schikking bereikt.
2.6.
Op de mondelinge behandeling heeft Kuwait aangegeven dat haar op twee punten (r.o. 5.10 en r.o. 5.21) niet duidelijk is wat de rechtbank precies heeft overwogen. De rechtbank heeft de volgende toelichting op het tussenvonnis gegeven:
- Onder 5.10 heeft de rechtbank overwogen: "Vordering III is niet toewijsbaar, omdat de omvang van de schade is betwist en [eiser 1] c.s. zijn stellingen omtrent de schade die hij ten gevolge van de wanprestatie heeft geleden niet behoorlijk heeft uitgewerkt en onderbouwd."
Dit moet gelezen worden als:
"Vordering III is op dit moment nog niet toewijsbaar, omdat de omvang van de schade is betwist en [eiser 1] c.s. zijn stellingen omtrent de schade die hij ten gevolge van de wanprestatie heeft geleden niet behoorlijk heeft uitgewerkt en onderbouwd."
- Onder 5.21 heeft de rechtbank overwogen: “De rechtbank zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van de schattingen van [eiser 1] c.s.” De schattingen waarover het hier gaat zijn de schattingen van de volumecijfers, dus de hoeveelheid verkochte liters brandstof.
Over de toewijsbaarheid van de schade die [eiser 1] c.s. stelt te hebben geleden door verkoop voor een te lage prijs van tankstation [naam tankstation 1] aan Trap Vastgoed B.V. heeft de rechtbank nog geen oordeel gegeven.
2.7.
Aan de orde is nog de schade die [eiser 1] c.s./ [eiser 1] stelt te hebben geleden.
Schade(staat)
a. concurrentiebeding (Vordering I en II)
2.8.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank, als gezegd, geoordeeld dat Kuwait het concurrentiebeding heeft overtreden.
2.9.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid van schade (als gevolg hiervan) aannemelijk is. Het is niet mogelijk de schade in dit vonnis reeds te begroten. De rechtbank zal de zaak dus naar de schadestaat verwijzen.
2.10.
De gevorderde verklaringen voor recht (vorderingen I en II) zijn toewijsbaar op de hierna te melden wijze.
b. canon en verkoop aan Trap Vastgoed B.V. (Vordering III)
- canon
2.11.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank, zoals gezegd, geoordeeld dat zij wat betreft de volumecijfers uit zal gaan van de schattingen van [eiser 1] . De variabele canon die [eiser 1] is misgelopen doordat Kuwait bij het berekenen van de canon is uitgegaan van een lager volume dan op basis van de schattingen van [eiser 1] voor juist gehouden moet worden, heeft [eiser 1] berekend als het product van het verschil in liters en de overeengekomen canon per liter. [eiser 1] heeft de gemiste variabele canon begroot op een bedrag van € 722.102,=. [eiser 1] c.s. heeft als productie 19 een berekening van dit bedrag in het geding gebracht. Kuwait heeft de juistheid van de berekeningen betwist.
2.12.
De rechtbank stelt vast dat artikel 10 van de overeenkomst in die zin duidelijk is dat de variabele canon per jaar berekend moet worden als het product van het in enig jaar verkochte aantal liters en een canon per liter van € 0,0091. Partijen verschillen hierover niet van mening. [eiser 1] c.s. heeft de gemiste canon dan ook op goede gronden berekend als het verschil tussen de door Kuwait opgegeven aantal liters per jaar en de schatting van [eiser 1] c.s. van het daadwerkelijk verkochte aantal liters per jaar x € 0,0091. [eiser 1] c.s. heeft deze berekening steeds per kwartaal gemaakt, hetgeen in lijn is met artikel 13 van de overeenkomst, waarin staat dat de variabele canon steeds achteraf per kwartaal moet worden betaald. [eiser 1] c.s. heeft het bedrag van € 0,0091 per liter vanaf het vierde kwartaal van 2002 elk kwartaal aangepast aan de inflatie door het bedrag met een prijsindexcijfer te vermenigvuldigen. In het derde kwartaal van 2022, het laatste kwartaal dat [eiser 1] c.s. in de berekening heeft betrokken, is de canon aldus gegroeid van € 0,0091 per liter naar € 0,0126 per liter (0,0091 x 1,38). Ook voor deze indexatie is in de overeenkomst een basis te vinden, namelijk in artikel 14. [eiser 1] c.s. heeft in zijn berekening van de gemiste canon in enig kwartaal het bedrag van € 0,0091 steeds met hetzelfde indexcijfer geïndexeerd dat ook Kuwait had toegepast bij haar berekening van de canon over het desbetreffende kwartaal. Dit volgt uit het feit dat zowel het bedrag dat Kuwait daadwerkelijk heeft betaald (kolom 5) als het bedrag dat Kuwait had moeten betalen (kolom 7) is gebaseerd op dezelfde geïndexeerde canon per liter. Kuwait heeft niet betwist dat het bedrag dat zij volgens de berekening van [eiser 1] c.s. daadwerkelijk heeft betaald juist is en heeft daarmee ook niet de toegepaste indexatie bestreden. Daarmee staat voldoende vast dat [eiser 1] c.s. het bedrag aan gemiste canon op dezelfde uitgangspunten heeft gebaseerd als eerder door Kuwait zijn gehanteerd, daargelaten uiteraard het verschil in het aantal verkochte liters. Vordering III is daarom tot een hoofdsom van € 722.102,= toewijsbaar.
2.13.
Kuwait is in verzuim en is daarom over de hoofdsom wettelijke rente verschuldigd Over de hoofdsom is de wettelijke handelsrente verschuldigd, nu de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW).
2.14.
Kuwait heeft de datum (20 juli 2023) van het intreden van verzuim niet betwist, zodat de gevorderde wettelijke rente vanaf die datum toewijsbaar is.
- verkoop aan Trap Vastgoed B.V.
2.15.
[eiser 1] heeft daarnaast vergoeding gevorderd van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van wanprestatie althans onrechtmatige daad doordat hij tankstation [naam tankstation 1] tegen een te lage prijs heeft verkocht aan Trap Vastgoed B.V. [eiser 1] heeft gesteld dat die verkoopprijs mede was gebaseerd op de hoeveelheid verkochte brandstof volgens de opgaven van Kuwait. Doordat die opgaven te laag zijn geweest (de fout/tekortkoming van Kuwait), is ook de koopprijs te laag geweest, aldus [eiser 1] . Het verschil tussen de koopprijs die is gerealiseerd en de koopprijs die gerealiseerd had kunnen worden als was uitgegaan van de correcte literaantallen bedraagt € 860.000,=. Dit betreft de door [eiser 1] geleden schade, aldus [eiser 1] .
2.16.
De fout van Kuwait (het doorgeven van onjuiste literaantallen) staat vast. Noodzakelijk voor toewijzing van dit deel van de vordering is echter ook dat deze fout de gevorderde schade heeft veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste causaal verband tussen deze fout en de gestelde schade ontbreekt. Daartoe is immers niet alleen een sine qua non verband vereist, maar de schade moet ook aan Kuwait toerekenbaar zijn. De schade staat echter in een te ver verwijderd verband tot de fout om haar aan Kuwait te kunnen toerekenen. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
2.17.
De door Kuwait aan te leveren literaantallen/volumecijfers zagen op het vaststellen van het aan Kuwait te betalen bedrag aan variabele erfpachtcanon. Kuwait hoefde er geen rekening mee te houden dat deze literaantallen ook een rol, laat staan een zo grote rol als [eiser 1] nu stelt, zouden spelen bij de verkoop van [naam tankstation 1] na afloop van de overeenkomst. Dat spreekt, anders dan [eiser 1] kennelijk aanneemt, niet voor zich, en daaromtrent heeft [eiser 1] verder geen concrete stellingen betrokken. Daarbij is nog buiten beschouwing gelaten dat het in dit geval gaat om een verkoop aan een vennootschap, Trap Vastgoed, waarin [eiser 1] (indirect) alle aandelen houdt, zo dat wat [eiser 1] te weinig aan koopprijs heeft ontvangen door Trap Vastgoed werd bespaard, terwijl die besparing uiteindelijk [eiser 1] , als houder van alle aandelen in Trap Vastgoed, weer ten goede komt.
Bovendien is niet gebleken van bijkomende omstandigheden, zoals dat Kuwait opzettelijk onjuiste literaantallen/volumecijfers heeft doorgegeven.
2.18.
Omdat de gestelde schade niet aan (de tekortkoming van) Kuwait kan worden toegerekend, zal de vordering tot vergoeding van die schade worden afgewezen.
Proceskosten (vordering IV)
2.19.
Kuwait is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 132,42
- griffierecht € 5.737,00
- salaris advocaat € 13.893,00 (3* punten x tarief € 4.631,00)
- nakosten € 189,00
Totaal € 19.951,42
* dagvaarding (1), mondelinge behandelingen (2)
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat Kuwait vanaf de opening van het [naam tankstation 2] aan de [adres] te [plaats 3] het concurrentiebeding uit de overeenkomst heeft overtreden,
3.2.
verklaart voor recht dat Kuwait aansprakelijk is voor de als gevolg van de onder 3.1 bedoelde overtreding van het concurrentiebeding door [eiser 1] en [eiser 2] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
3.3.
veroordeelt Kuwait om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 722.102,=, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 20 juli 2023 tot de dag der algehele betaling,
3.4.
veroordeelt Kuwait in de proceskosten van € 19.951,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kuwait niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
bepaalt dat Kuwait over de kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd wordt indien deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en daartoe strekkend verzoek van [eiser 1] c.s. is betaald,
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. A.C. Rop en mr. P.D. Olden en, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
[2111/106/2819/3669] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|