Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:10036 
 
Datum uitspraak:15-10-2026
Datum gepubliceerd:02-11-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/1891
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:invordering dwangsom
Trefwoorden:agrarisch
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1891

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.D. Bos),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente] , het college
(gemachtigde: mr. S. Gelevert).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een verbeurde dwangsom wegens het niet verwijderen van een uitweg. Eiser is het niet eens met het besluit tot invordering. De rechtbank beoordeelt of het college in de door eiser gestelde omstandigheden terecht geen aanleiding heeft gezien om af te zien van de invordering van de verbeurde dwangsommen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser.


1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 20 maart 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Omdat niet tijdig aan de last onder dwangsom is voldaan heeft het college een vooraankondiging invordering toegezonden. Eiser heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens is het college overgegaan tot de invordering van de verbeurde dwangsom (primaire besluit).


2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit is het college bij het primaire besluit gebleven.


2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de rechtbank


De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is eigenaar van een perceel gelegen aan de [locatie] ongenummerd te [plaats] , kadastraal bekend als [gemeente] , [kadastraal nummer] . Eiser heeft een agrarisch bedrijf. Vanaf het perceel is een uitweg aangelegd naar de openbare weg. De uitweg bestaat uit een aarden dam en duiker. De aanleg van de uitweg is vergunningplichtig. Eiser heeft pas na de aanleg van de uitweg in 2018 bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan om de uitweg te legaliseren. De omgevingsvergunning voor de uitweg is door het college geweigerd. Eiser is tegen de weigering opgekomen. Uiteindelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft geweigerd.


3.1.
Omdat er voor de uitweg geen zicht meer op legalisatie was, heeft het college op 20 maart 2024 een last onder dwangsom opgelegd. In de last onder dwangsom heeft het college gelast dat eiser de uitweg binnen 4 maanden moest verwijderen en verwijderd moest houden. Anders was eiser een dwangsom van € 7.500,00 verschuldigd. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt, waardoor de last onder dwangsom onherroepelijk is geworden. Eiser heeft de uitweg uiteindelijk op 23 juli 2024 verwijderd. Dit was drie dagen na afloop van de begunstigingstermijn.



3.2.
Aangezien de uitweg niet tijdig was verwijderd, heeft het college eiser een vooraankondiging invordering verbeurde dwangsom toegezonden. Tegen dit voornemen heeft eiser zowel telefonisch als schriftelijk een zienswijze ingediend.



3.3.
In het besluit van 15 januari 2025 heeft het college besloten de van rechtswege verbeurde dwangsom van € 7.500,00 in te vorderen (primaire besluit). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.



3.4.
Op 9 juli 2025 heeft de adviescommissie voor de bezwaarschriften advies uitgebracht en geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren.



3.5.
Met het bestreden besluit van 27 januari 2026 heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Toetsingskader en wettelijke kader

4. Het college beslist op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb bij beschikking over de invordering van een dwangsom, voordat kan worden overgegaan tot de aanmaning van de dwangsom.



4.1.
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.


Wat voert eiser in beroep aan?

5. Eiser stelt dat het tijdens de begunstigingstermijn feitelijk onmogelijk was om aan de last onder dwangsom te voldoen. De uitweg viel in het bouwvlak voor de aanleg van stroomkabels van Enexis waarbinnen eiser geen werkzaamheden mocht verrichten. Ook maakte de hoge waterstand het onmogelijk om de uitweg te verwijderen. Er werd hiervoor een bronnering over de uitweg geplaatst. Verder vindt eiser dat de invordering van de dwangsom onevenredig is. Tot slot stelt eiser dat het college de afwijking van het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften onvoldoende heeft gemotiveerd.


Wat is de omvang van het geding?

6. Door eiser wordt niet betwist dat niet aan de last onder dwangsom is voldaan. Het geding gaat daarom enkel over de vraag of het college terecht is overgegaan tot de invordering van de verbeurde dwangsom.


Hoe dient de invordering van de verbeurde dwangsom beoordeeld te worden?

7. De rechtbank beoordeelt of het college terecht tot de invordering van de verbeurde dwangsom is overgegaan. Het uitgangspunt hierbij is dat het college op grond van de beginselplicht tot invordering overgaat. Een adequate handhaving vergt immers dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.


Zijn er bijzondere omstandigheden?

8. Eiser doet een beroep op overmacht. Door de beperkingen binnen het bouwvlak, de aanwezigheid van de bronbemaling en de hoge waterstand was het niet mogelijk om de werkzaamheden uit te voeren tijdens de begunstigingstermijn.



8.1.
Het college stelt dat er gedurende begunstigingtermijn wel momenten waren waarop de verwijderingswerkzaamheden uitgevoerd hadden kunnen worden. Daarnaast voert het college aan dat tijdelijke overmacht geen bijzondere omstandigheid kan opleveren om af te zien van invordering.



8.2.
Overmacht kan in de weg staan aan invordering van een verbeurde dwangsom. De rechtbank beoordeelt hiervoor of vaststaat dat de uitweg niet verwijderd kon worden gedurende de begunstigingstermijn.



8.3.
Eiser heeft een factuur van de aannemer inzake de bronbemaling ten behoeve van de kabelsleuf aan de [locatie] in [plaats] overgelegd. Deze factuur gaat enkel over de periode 3 juli tot 18 juli 2024. Verder verwijst eiser naar verklaringen van de uitvoerder van de werkzaamheden. Uit deze verklaringen kan enkel opgemaakt worden dat gedurende (een deel van de) begunstigingstermijn de bodem erg nat was en dat door werkzaamheden van de uitvoerder de verwijdering van de uitweg belemmerd werd. Eiser heeft met het vorenstaande niet aangetoond dat de verwijdering van de uitweg gedurende de begunstigingstermijn onmogelijk was. Daar staat ook tegenover dat de uitvoerder tegenover het college heeft verklaard dat vanaf 10 juli 2024 de bodem droog genoeg was om de uitweg met dam en duiker te verwijderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de last niet onuitvoerbaar was tijdens de begunstigingstermijn.



8.4.
De rechtbank merkt tot slot op dat het pas achteraf stellen van overmacht in beginsel te laat is. Indien eiser vond dat het onmogelijk was om aan de last te voldoen, dan had eiser het college moeten verzoeken de last op te heffen of op te schorten. Eiser heeft dit niet gedaan.


Is de invordering onevenredig?

9. Eiser doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Eiser stelt hiervoor dat het aannemelijk is dat, wanneer hij het verzoek op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb wel gedaan zou hebben, het college het verzoek zou hebben ingewilligd. Verder geeft eiser aan dat het college op de hoogte was van de werkzaamheden. Tot slot is er geen doel meer bij de invordering van de last, omdat de uitweg al is verwijderd.



9.1.
Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Vanwege het algemeen belang van handhaving, moet het college op grond van de beginselplicht tot handhaving overgaan tot invordering van een verbeurde dwangsom. Door de invordering van dwangsommen wordt de effectiviteit van de eerder opgelegde last onder dwangsom gewaarborgd. De invordering is daarvoor geschikt.



9.2
Eiser heeft daartegenover onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt. Uit de door eiser genoemde omstandigheden volgt daarom niet of de invordering van de dwangsom voor eiser onnodige nadelige gevolgen heeft en daarmee niet evenwichtig is. Het beroep op deze grond slaagt dus niet.


Is het college onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het advies?

10. Eiser voert aan dat het college ten onrechte stelt dat in het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften meerdere foutieve conclusies en onjuiste interpretaties en toepassingen van jurisprudentie staan. Eiser vindt dat het college zelf in de beslissing op bezwaar onjuistheden heeft opgenomen.



10.1.
Het college is bevoegd om af te wijken van het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften. Het is daarbij voldoende dat het college de afwijkingen van het advies motiveert. Eiser heeft niet gesteld op welke punten een motivering van het college over de afwijking van het advies ontbreekt. Het had op de weg van eiser gelegen specifiek te benoemen op welke afwijkingen een motivering tekortschiet. Deze grond slaagt daardoor niet.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.C. van der Ploeg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier op 15 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht



Artikel 5:31d

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.


Artikel 5:34

1. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.


Artikel 5:37

1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

2. Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.

3. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek.





ABRvS 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1125


ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678


Kamerstukken II 2003-04, 29 702, nr. 3, blz. 115


ABRvS 4 april 2018 (Conclusie Staatsraad Advocaat-GeneraalMr. P.J. Wattel) ECLI:NL:RVS:2018:1152. r.o. 7.2.17.


ABRvS 4 april 2018 (Conclusie Staatsraad Advocaat-GeneraalMr. P.J. Wattel) ECLI:NL:RVS:2018:1152. r.o. 7.2.18.


Artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)


ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (https://opmaat.sdu.nl/content/ECLI_NL_RVS_2022_285)


Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb
Link naar deze uitspraak