Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:1498 
 
Datum uitspraak:05-02-2026
Datum gepubliceerd:13-03-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:C/02/443356 / FA RK 25-66 C/02/443356 / FA RK 25-66
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:verzoek 223 Rv voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
beschikking



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/443356 / FA RK 25-6650
Datum uitspraak: 5 februari 2026


beschikking ex. art. 223 Rv


in de zaak van



[de man]
,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers,

tegen



[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer,

over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] .





1Het procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 22 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. Van Reeven-Özer van 7 en 30 januari 2026;
- de brief van mr. Cuijpers van 29 januari 2026.





2De feiten


2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.



2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.



2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .



2.4

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.



2.5
Op 22 december 2025 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/443355 / FA RK 25-6649) over het hoofdverblijf van [minderjarige] , over vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf, over vervangende toestemming inschrijving huisartsenpraktijk en tandartsenpraktijk en over een vaststelling van een (definitieve) regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.





3Het verzoek


3.1
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorzieningen, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bepalen om [minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de man;

2. te bepalen om een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de man vast te stellen, in die zin dat:
- [minderjarige] voor een periode van 6 weken een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf tot zaterdagavond 18.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag van het kinderdagverblijf komt ophalen en op zaterdagavond de vrouw [minderjarige] bij de man komt ophalen;
- [minderjarige] aansluitend deze periode gedurende een periode van 6 weken een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf tot zondagochtend 12.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag van het kinderdagverblijf komt ophalen en op zaterdagavond de vrouw [minderjarige] bij de man komt ophalen;
- [minderjarige] aansluitend deze periode een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag van het kinderdagverblijf komt ophalen en op zondagavond de vrouw [minderjarige] bij de man komt ophalen;
- althans een zodanige voorlopige regeling in goede justitie te bepalen.





4De beoordeling


4.1.
Ingevolge artikel 223, eerste lid, Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld, kan pas worden gevorderd indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, terwijl de incidentele vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onderhavige incidentele vordering aan deze criteria wordt voldaan, zodat de man ontvankelijk is in zijn vordering.



4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.



4.3.
Uit de brieven van hun advocaten van 29 en 30 januari 2026 blijkt dat partijen alsnog tot overeenstemming zijn gekomen over een voorlopige regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen verzoeken thans om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat als voorlopige regeling, totdat in voormelde bodemzaak anders zal zijn beslist, [minderjarige] in de oneven weken een weekend bij de man verblijft en in de even weken op vrijdag bij de man verblijft, en wel via de volgende opbouwregeling:

- In de even weken: [minderjarige] verblijft vrijdag 16.00 uur tot 18.30 uur bij de man, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt, te beginnen op vrijdag 6 februari 2026;
- gedurende de eerste zes weken: [minderjarige] verblijft van vrijdag 13.00 uur tot zaterdag 18.00 uur bij de man, te beginnen op vrijdag 31 januari 2026, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag 13.00 uur van het kinderdagverblijf ophaalt en op zaterdag bij de vrouw terugbrengt;
- Vervolgens gedurende tien weken: [minderjarige] verblijft van vrijdag 13.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man, te beginnen op vrijdag 13 maart 2026, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag 13.00 uur van het kinderdagverblijf ophaalt en op zondag bij de vrouw terugbrengt;
- In situaties waarbij [minderjarige] bij aanvang van de zorgweekenden van de man hoge koorts heeft (koortsstuipen) zal de vrouw met de man overleg plegen over het al dan niet thuis houden van [minderjarige] en dat wanneer in onderling overleg wordt besloten om [minderjarige] thuis te houden de man de mogelijkheid heeft [minderjarige] in de thuissituatie te bezoeken;
- voor het overige in onderling overleg.



4.4.
Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming trekt de man zijn inleidende verzoek in. Partijen verzoeken de overeengekomen voorlopige regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de te geven beschikking op te nemen. Nu de rechtbank deze regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van de minderjarige [minderjarige] acht, zal zij dienovereenkomstig het verzoek van partijen beslissen.



4.5.
De rechtbank zal, gelet op de aard van het verzoek, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.



4.6.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.





5De beslissing

De rechtbank:


5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023 in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op de wijze zoals hiervoor onder 4.3. is overwogen;



5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



5.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.










Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.











































Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:


door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.


Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Link naar deze uitspraak