Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:6400 
 
Datum uitspraak:14-07-2026
Datum gepubliceerd:24-07-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/3651
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Tussenuitspraak naar aanleiding van een beroep tegen een afschotvergunning voor damherten op grond van de Omgevingswet. Het college moet beter motiveren waarom: 1. Het uitgaat van de door de Faunabeheereenheid overgelegde gegevens en niet van de eigen, recentere, natuurdoelanalyses en 2. hoe het is gekomen tot de gekozen doelstanden. Mogelijk moet het besluit naar aanleiding hiervan ook inhoudelijk worden aangepast.
Trefwoorden:gewassen
landbouw
omgevingsvergunning
stikstofdepositie
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3651
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen


Stichting Fauna4Life, uit Amstelveen en de Stichting Animal Rights, uit Den Haag, eisers
(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Faunabeheer Eenheid Zeeland uit Goes.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor populatiebeheer damhert met het geweer aan de Stichting Faunabeheer Eenheid Zeeland (de Faunabeheereenheid). Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de vergunning heeft verleend.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende zorgvuldig tot vergunningverlening is overgegaan. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 18 oktober 2024 vraagt de Faunabeheereenheid een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het doden van damhert met het geweer aan. Het college heeft de omgevingsvergunning na toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) met het besluit van 10 juni 2025 verleend. De UOV is toegepast met instemming van de Faunabeheereenheid. Dat kan op grond van artikel 16.65 van de Omgevingswet. Bij toepassing van de UOV-procedure moet direct beroep worden ingesteld en wordt de bezwaarfase overgeslagen.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De Faunabeheereenheid heeft ook schriftelijk gereageerd.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [vertegenwoordiger] namens eisers, met hun gemachtigde mr. D.D. Delibes-Vermeulen, namens het college [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en namens de Faunabeheereenheid [gemachtigde 3] en [persoon 1] als deskundige.
Tevens waren [persoon 2] in persoon en als bestuurder van Stichting Pro Medio Ambiente en [persoon 3] aanwezig, omdat hun zaken tegen de goedkeuring van het Faunabeheerplan gelijktijdig met deze beroepszaak tegen de omgevingsvergunning werden behandeld.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 18 oktober 2024 heeft de Faunabeheereenheid, tegelijkertijd met het verzoek om goedkeuring van het Faunabeheerplan (hierna: FBP) een omgevingsvergunning voor – kort samengevat – afschot van damherten aangevraagd. De aanvraag ziet ook op het gebruik van een geluidsdemper en op tijdstippen voor zonsopkomst en na zonsondergang.


3.1.
Op 26 maart 2025 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waarin het voornemen wordt geuit om de omgevingsvergunning te verlenen, onder een aantal voorwaarden en voorschriften.



3.2.
Nadat verschillende partijen, waaronder eisers, zienswijzen hebben ingediend tegen het FBP en de omgevingsvergunning heeft het college de omgevingsvergunning aan de Faunabeheereenheid verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de periode 1 september 2025 tot en met 31 augustus 2031 en ziet op drie leefgebieden van het damhert: [locatie 1] , de [locatie 2] en de [locatie 3] .


Inhoudelijke beoordeling



Toetsingskader


4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te oefenen in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Het doden van damherten is als een dergelijke activiteit aangewezen. Artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt voor welke doelen de vergunning kan worden verleend. Dat mag alleen als er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het door het college aan de vergunningverlening verbonden doel is het belang van bescherming van wilde flora of fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats.



4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Zijn er andere bevredigende oplossingen?


5. Het college heeft volgens eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geen diervriendelijkere manieren zijn om de doelen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend te bereiken. Als het college al kan onderbouwen dat de doelen niet met andere oplossingen gehaald kunnen worden, moet het in ieder geval kijken in hoeverre dat wel kan en mag alleen voor het resterende deel afschot worden toegestaan. Dat anticonceptie niet haalbaar is, is ten onrechte niet specifiek voor deze Natura2000 gebieden gemotiveerd. Volgens een rapport is anticonceptie juist wel een werkende methode, mits maatwerk wordt toegepast.
Ten onrechte zijn ook opties als het tijdelijk plaatsen van hekken, het planten van prikkelstruiken om kwetsbare plantensoorten heen, het tijdelijk inzetten van geurstoffen en het verbinden van versnipperde natuur via ecoducten en tunnels niet onderzocht.



5.1.
Het college motiveert dat de door eisers genoemde andere bevredigende oplossingen niet effectief zijn. Het toepassen van anticonceptie is in de praktijk onuitvoerbaar. Dieren vluchten, zodat praktisch gezien maar bij een klein aantal dieren anticonceptie toegepast kan worden. Bovendien is er risico op permanente onvruchtbaarheid, doordat dieren niet gemerkt kunnen worden en daardoor vaker anticonceptie toegediend kunnen krijgen. Tijdelijk hekken plaatsen wordt wel gedaan bij aanplant van jonge boompjes. Andere beplanting wordt hiermee niet beschermd. Dit werkt ook alleen als de hekken hoog genoeg zijn en belemmert ook andere diersoorten. Dit is ook een dure oplossing. Prikkelstruiken kunnen juist andere gewenste beplanting overwoekeren. Geurstoffen spoelen weg bij regen en zijn daarom niet effectief. Er is ook geen sprake van versnipperde natuur die verbonden moet worden.



5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting is uitgebreid toegelicht waarom alternatieven en met name anticonceptie geen bevredigende oplossingen zijn. De motivering van het college is aangevuld door uit te leggen dat herten eerst verdoofd moeten worden alvorens anticonceptie kan worden toegediend. De verdoving moet op een kortere afstand worden toegediend dan een normaal schot. Zodra één van de vrouwtjes wordt beschoten met een verdovingspijl, vlucht de rest van de damherten. Dat is een probleem omdat minimaal 75% van de vrouwtjes moet worden behandeld om de groei van de populatie te voorkomen. Het veronderstelde risico op dubbele behandeling wat permanente onvruchtbaarheid in de hand zou werken, is er overigens naar het oordeel van de rechtbank niet. Toegelicht is immers dat eerst wordt verdoofd, waarna kan worden geïnspecteerd of een vrouwtje al gemerkt is na een eerdere toediening.
De streekeigen prikkelstruiken, zoals duindoorn, helpen niet om de herten te weren. Deze worden ook door de damherten opgegeten. Damherten wennen daarnaast heel snel aan geurpalen, zodat deze ook niet effectief zijn bij het bestrijden van schade door damherten. De Faunabeheereenheid en het college hebben daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn.


Is afschot van damherten een bevredigende oplossing?


6. Volgens eisers is afschot geen effectief middel. Op de [locatie 3] heeft dit weliswaar gewerkt, in andere gebieden is van daadwerkelijk reductie geen sprake, ondanks dat afschot al jaren wordt toegepast.



6.1.
Het college erkent dat afschot in [locatie 1] en de [locatie 2] minder effectief is door de recreatieve druk, maar ondanks dat is er in de [locatie 2] wel degelijk sprake van een afname. Nadat in 2024 een vergunning is afgegeven voor nachtafschot in [locatie 1] is ook daar het aantal dieren afgenomen.



6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat afschot bijdraagt aan populatiebeheer. Het heeft daarbij laten zien dat dit zeker op de [locatie 3] , maar ook op de [locatie 2] effect heeft gehad. Bovendien heeft het college gemotiveerd aangegeven dat afschot met nachtafschot ook in [locatie 1] effectiever zal zijn.


Is het belang van bescherming van de wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats voldoende aangetoond?


7. Eisers stellen dat het belang van de bescherming van wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats onvoldoende is aangetoond. Dit is niet met voldoende feitelijke documenten als bedoeld in artikel 7.197r, tweede lid van de Omgevingsregeling onderbouwd.
Zo is in [locatie 1] habitattype ‘Grijze duinen kalkarm’ juist erg gevoelig voor vergrassing en kan begrazing dit juist voorkomen. Voor zover hier naar de instandhouding van een aantal vlindersoorten wordt verwezen, komen deze hier al decennia niet meer voor en behoren ze niet tot de aangewezen soorten die extra beschermd moeten worden. Het lage aantal tapuiten lijkt eerder veroorzaakt door het lage aantal konijnen dan het hoge aantal damherten. Ook deze koppeling klopt dus niet. De rietorchis komt algemeen voor in Zeeland en wordt niet bedreigd. De vogels het paapje en de wulp zijn nooit in het gebied waargenomen. Ook voor het overige geldt dat er geen harde onderbouwing is, maar vooral uitgegaan wordt van aannames, waarschijnlijkheden en mogelijke gecombineerde oorzaken. Uiteraard hebben grote grazers invloed op een gebied, maar niet is aangetoond dat reductie van het aantal grazers in de [locatie 1] noodzakelijk is.
Ook voor de [locatie 3] is niet wetenschappelijk aangetoond dat vermindering van het aantal damherten goed is voor de natuurwaarden. In het rapport waar het college naar verwijst staat letterlijk dat niet valt aan te geven vanaf welke dichtheid negatieve effecten op de natuurwaarden optreden. De noodzaak van afschot is dus ook voor de [locatie 3] niet aangetoond.
Ook voor de [locatie 2] voeren eisers aan dat niet aan artikel 7.197r, tweede lid van de Omgevingsregeling is voldaan.



7.1.
Het college verwijst naar een ander rapport waaruit blijkt dat begrazing door damherten een positieve invloed heeft op individuele soorten, maar alleen als die damherten in gematigde aantallen voorkomen. In de natuurdoelanalyses is wel degelijk aangegeven dat er schade is door de begrazingsdruk van damherten. Dit is wel degelijk onderbouwd.



7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De omgevingsvergunning is gebaseerd op het FBP. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft getoetst of de aannames die in het FBP zijn opgenomen correct zijn. Het college heeft zelf voor de gebieden [locatie 1] en de [locatie 2] natuurdoelanalyses laten opstellen. Dit is gebeurd in 2023. Deze analyses zijn bedoeld om inzicht te krijgen in de dynamiek van een gebied en om vast te stellen welke maatregelen bijdragen aan het behalen van de natuurdoelen. De aannames uit het FBP komen regelmatig niet overeen met wat uit de natuurdoelanalyses lijkt te volgen. Zo heeft de deskundige verklaard dat damherten eerst tweezaadlobbigen eten alvorens ze andere beplanting eten, terwijl dat niet zo uit de natuurdoelanalyse blijkt. Ook wordt in het FBP gesteld dat het terugdringen van de begrazingsdruk een maatregel is die al genomen kan worden vooruitlopend op het terugdringen van de stikstofdepositie, terwijl in de natuurdoelanalyses voor de Natura 2000-gebieden [locatie 1] en de [locatie 2] staat dat het terugdringen van de begrazingsdruk pas zin heeft als de stikstofdepositie is teruggebracht, omdat het anders zal leiden tot een snelle verruiging van het open duin en een afname van dynamiek. Bij verschillende habitattypen staat in de natuurdoelanalyses dat het onduidelijk is of begrazing een positief of negatief effect heeft. Deze conclusies zijn niet terug te vinden in het FBP, waarbij het FBP alleen uitgaat van een negatief effect van begrazing. Het college had in de afweging moeten laten zien dat getoetst is aan deze recente(re) natuurdoelanalyses en op welke wijze deze zijn meegewogen bij het besluit het FBP goed te keuren. Door deze omissie kan het FBP niet zonder meer ten grondslag worden gelegd aan het verlenen van de omgevingsvergunning.



7.3.
Het college zal voor alle drie de gebieden aannemelijk moeten maken dat de omgevingsvergunning verleend moet worden in het belang van de bescherming van wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats en hoe de belangen hiervan opwegen tegen de belangen van de damherten. Het zal daarbij onder meer in moeten gaan op argumenten van eisers dat gesteld wordt bepaalde soorten te beschermen, terwijl die niet aanwezig zijn in de gebieden. Anders dan eisers, is de rechtbank overigens van oordeel dat de Omgevingswet en de Omgevingsregeling niet vergen dat er een 100% sluitende wetenschappelijk onderbouwde motivering van het besluit wordt gegeven, maar de noodzaak moet wel zo goed mogelijk op basis van zo recent mogelijk wetenschappelijk onderzoek aannemelijk worden gemaakt.



7.4.
De rechtbank zal het college door middel van een bestuurlijke lus in de gelegenheid stellen het bestreden besluit alsnog goed te motiveren en waar nodig aan te passen. Uit proceseconomische redenen zal de rechtbank hierna de overige beroepsgronden bespreken, zodat het voor partijen duidelijk wordt op welke overige punten nog een nadere motivering of aanpassing van het besluit nodig is en waar de rechtbank van oordeel is dat het college van de juiste uitgangspunten is uitgegaan en in redelijkheid zijn afwegingen mocht maken zoals het college dat heeft gedaan.


Zijn de tellingen betrouwbaar?


8. Eisers stellen dat de tellingen met name door jagers worden uitgevoerd en dat die er belang bij hebben dat het aantal getelde dieren zo hoog mogelijk uitkomt, zodat ze meer mogen jagen. Het college mocht dus niet zomaar van de tellingen uitgaan.



8.1.
De Faunabeheereenheid heeft ter zitting toegelicht hoe er geteld wordt. Iedereen mag deelnemen aan de tellingen. Ook ambtenaren van de provincie zijn daarbij aanwezig. Desgewenst kunnen ook vertegenwoordigers of leden van natuur- en faunabeschermingsorganisaties daaraan deelnemen. Er zijn protocollen om te voorkomen dat dieren dubbel worden geteld. Al jarenlang wordt op dezelfde vastgestelde wijze geteld. Er is eerder sprake van onderrapportage dan overrapportage.



8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben niet met objectieve aanknopingspunten aannemelijk gemaakt dat de Faunabeheereenheid op een onjuiste of onzorgvuldige manier zou tellen. Het enkele feit dat de Faunabeheereenheid belang zou hebben bij overrapportage van het aantal dieren is, wat daar ook van zij, onvoldoende om uit te gaan van de onbetrouwbaarheid van deze tellingen. Daar staat namelijk tegenover dat de telwijze geprotocolleerd is en deelname aan de tellingen openstaat voor het algemene publiek.


Zijn de doelstanden realistisch vastgesteld?


9. Eisers stellen dat de doelstanden niet realistisch en te laag zijn. Deze zijn volgens het college gebaseerd op voedselaanbod. Zowel in [locatie 1] als de [locatie 2] zijn echter al veel meer damherten geteld dan de doelstanden, zonder dat er aanwijzingen waren dat er te weinig voedsel aanwezig was. Faunabeheer op basis van doelstanden is sowieso niet meer van deze tijd. Adaptief beheer is effectiever. Dat blijkt uit een onderzoek van BIJ12.



9.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Voor alle drie de gebieden is de doelstand op een andere wijze tot stand gekomen, zonder uitleg waarom dit verschillend is bepaald.
In [locatie 1] is uitgegaan van het voedselaanbod en de optimale dichtheid voor soortendiversiteit. Daarbij wordt uitgegaan van 80-90 dieren. Partijen zijn het erover eens dat het daadwerkelijke aantal damherten al vele jaren hoger is.
Op de [locatie 2] is zonder nadere onderbouwing gekozen voor de minimale populatiegrootte voor een gunstige staat van instandhouding. Dat is 325. Er is niet gekeken of dit hoger kan op basis van voedselaanbod.
Bij de [locatie 3] is juist het toeristische belang van de damherten en de publieke opinie over afschot meegewogen en wordt een doelstand van 150 dieren aangehouden, ondanks dat de minimale grootte op 40-50 dieren is bepaald en op basis van het voedselaanbod van 83 dieren uitgegaan zou kunnen worden. Het college heeft niet uitgelegd waarom er ondanks de streefstand van 150 damherten een afschotvergunning is afgegeven waarbij het aantal damherten teruggebracht mag worden tot 83.



9.2.
Het college zal alsnog op basis van wetenschappelijke gegevens moeten onderbouwen wat de doelstand zou moeten zijn. Het mag daarbij in redelijkheid uit blijven gaan van doelstanden en hoeft niet over te stappen op adaptief beheer. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dat een betere vorm van populatiebeheer is.


Zijn de vergunde activiteiten onuitvoerbaar?


10. Eisers stellen dat afschot op de [locatie 3] niet haalbaar is. De [locatie 3] ligt in het Natura200 gebied [locatie 4] en daar is het gebruik van geweren niet toegestaan omdat dit foeragerende en rustende vogels verstoort. Alleen beperkte jacht op konijnen is toegestaan. Dit had volgens een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland wel expliciet getoetst moeten worden. Ook voor de [locatie 2] is de vergunning onuitvoerbaar.



10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij de rechtspraak over de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen. Dat houdt in dat in deze procedure alleen de vraag aan de orde is of het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen indien en voor zover het op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het gebiedsbeschermingsregime in de Omgevingswet aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg zou staan. Ter zitting hebben de Faunabeheereenheid en het college aangegeven dat de afgelopen jaren een voortoets is gedaan waaruit blijkt dat geen omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit nodig is. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin het zo duidelijk is dat geen gebruik kan worden gemaakt van de omgevingsvergunning dat het college deze niet mocht verlenen.




Bestuurlijke lus

11. Zoals hiervoor is overwogen onder 7 en 9 is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet het college op basis van zo goed mogelijk wetenschappelijk onderzoek onderbouwen waarom het verlenen van de omgevingsvergunning noodzakelijk is met het oog op het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats. Daarnaast moet het college op basis van dezelfde uitgangspunten de doelstanden goed onderbouwen. Als deze nadere onderbouwing op basis van recent wetenschappelijk onderzoek tot gewijzigde inzichten leidt, zal het college dat mee moeten nemen in de besluitvorming en mogelijk een gewijzigd besluit moeten nemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak.


11.1.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.



11.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.



11.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.




Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. T. Peters, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 14 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Omgevingswet


Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
[.]
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: [.]
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Artikel 5.2. (afbakening vergunningplicht artikel 5.1)
1. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1 worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:


een omgevingsplanactiviteit,


een ontgrondingsactiviteit,


een milieubelastende activiteit,


een lozingsactiviteit op:


1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,
een wateronttrekkingsactiviteit,
een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,
een Natura 2000-activiteit,
een flora- en fauna-activiteit,
een jachtgeweeractiviteit,
gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.

2. [.]

3. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:


een Natura 2000-activiteit,


een flora- en fauna-activiteit,


een jachtgeweeractiviteit,


een valkeniersactiviteit,


gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.


Besluit activiteiten leefomgeving


Artikel 11.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; [.]

Het damhert staat op in Bijlage IX onder A.


Besluit kwaliteit leefomgeving


Artikel 8.74l. (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:


a.er geen andere bevredigende oplossing bestaat;


b.de activiteit nodig is:


1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
2. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
7. voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
8. voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
9. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
10. in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
11. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
12. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of
13. in het algemeen belang; en
de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, genoemd in dat onderdeel onder 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 13°, in aanmerking genomen.
3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.


Omgevingsregeling


Artikel 7.197r (flora- en fauna-activiteit: schadelijke handelingen andere soorten)
1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen of kevers, het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren of het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met f, verstrekt.
2. Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een onderbouwing waarom de activiteit nodig is:


in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;


ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;


in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;


voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;


om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;


in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;


voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;


voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;


voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;


in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;


in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;


in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of


in het algemeen belang.


3. Het tweede lid, onder d, e, f, h, j en k is niet van toepassing als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van de soorten als bedoeld in het eerste lid.
4. Als het gaat om beperking van de omvang van een populatie en het bestrijden van schadeveroorzakende soorten als bedoeld in het eerste lid door grondgebruikers:


is artikel 7.197j, eerste lid, onder d, onder 3°, 5°, 6°, en 7°, onder e en f niet van toepassing; en


wordt een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen en de verspreiding van de soorten verstrekt.




Artikel 3:10 en verder van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).


Artikel 7:1, eerste lid onder d van de Awb.


Zaaknummers 25/3525 en 25/2589.


Artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet.


Artikel 11.54,eerste lid onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving.


Artikel 8.74l. eerste lid, sub b onder 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.


Prof.dr. [persoon 4] , Universiteit van Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde, Vetscience. “Wij hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat deze dieren niet verhongeren”. Nr. 7, april 2020, p. 37.


Wageningen Environmental Research rapport 2829, “Damherten op de [locatie 3] in [locatie 4] ”.


[persoon 5] , D., [persoon 6] , B. en [persoon 7] (20022), “Fallow deer foraging alone does not preserve the vegetation of traditionally sheep-grazed calcareous grasslands. Journal of Applied Ecology”, 59(10), p. 2520-2530.


BIJ12, Adaptief populatiebeheer goed alternatief voor huidig faunabeheer, december 2022.


Rechtbank Midden-Nederland, 3 oktober 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5167


De rechtbank ziet bevestiging hiervoor in de uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1603, waarin de Afdeling in vergelijkbare zin heeft geoordeeld over de uitvoerbaarheid van een projectplan op grond van de Waterwet.


Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.
Link naar deze uitspraak