|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:7694 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/439827 FA RK 25-4727 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vaststelling kinderalimentatie. Bij de berekening van de man wordt geen rekening gehouden met de gestelde inkomensdaling. Stelling is onvoldoende onderbouwd met stukken. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | arbeidskorting | | | biologisch | | | heffingskorting | | | inkomstenbelasting | | | levensonderhoud | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/439827 FA RK 25-4727
datum uitspraak: 21 juli 2026
beschikking betreffende gezag, zorg-/omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann,
en
[de man]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.M. van der Marel.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 16 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 15 december 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlage;
- het op 22 januari 2026 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. Edelmann van 10 februari 2026 met bijlage, 27 mei 2026 met bijlagen en 1 juli 2026 met bijlage.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
2De feiten
2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;
- [minderjarige] is door de man erkend;
- de vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht over de omgang en op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige moet voldoen.
2.2
De man heeft tegelijkertijd met zijn zelfstandig verzoek in de onderhavige procedure een provisioneel verzoek ingediend tot vaststelling van een (voorlopige) omgangsregeling. Dat verzoek is afgesplitst van deze procedure. Het provisionele verzoek is in een aparte procedure, met zaaknummer C/02/443282 FA RK 25-6606, behandeld op de zitting van 11 februari 2026. De rechtbank zag zich in die procedure op dat moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de man tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling. De rechtbank heeft daarom de Raad verzocht een onderzoek in te stellen, ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige komt het meest tegemoet
aan de belangen van de minderjarige?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en
op welke termijn?
- Welke overige opmerkingen acht de Raad van belang?
De rechtbank heeft de Raad verzocht om het rapport in te dienen in de onderhavige bodemprocedure vóór 8 september 2026.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- vaststelling van een door de man ten behoeve van de minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage van € 343,= per maand, met ingang van 1 september 2025;
- de Raad op te dragen een onderzoek in te stellen naar een vorm van contactregeling tussen de man en [minderjarige] .
3.2
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- bepaling dat aan hem en de vrouw voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zal toekomen;
- vaststelling van de volgende zorg- dan wel omgangsregeling:
- [minderjarige] verblijft om de week bij de man, waarbij de man [minderjarige] op donderdag ophaalt op school en hem op maandagochtend weer naar school brengt;
- [minderjarige] verblijft de helft van de vakanties en feestdagen bij de man;
althans een in goede justitie te bepalen regeling.
4De beoordeling
Gezag en omgang
Onderbouwing verzoeken van de man
4.1
De man legt aan zijn verzoek met betrekking tot het gezag het volgende ten grondslag. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk gezag hebben. Volgens de man is er geen sprake van een van de wettelijke afwijzingsgronden. De communicatie tussen partijen verloopt weliswaar niet goed, maar het ontbreken van een goede communicatie brengt niet zonder meer mee dat er geen gezamenlijk gezag kan bestaan. De man wil als juridisch en biologisch vader zo nauw mogelijk betrokken worden bij het leven van [minderjarige] . Het is voor hem van groot belang dat hij inspraak heeft in belangrijke beslissingen. De man acht gezamenlijk gezag ook in het belang van [minderjarige] . Beide ouders dienen dan beslissingen te nemen, zodat hierin is gewaarborgd dat de beste beslissing wordt genomen. De man betwist dat hij zich na beëindiging van de relatie gewelddadig of agressief heeft gedragen richting de vrouw. Ook betwist hij dat hij bedreigende berichten naar de vrouw stuurt. Verder ontkent hij verslaafd te zijn.
4.2
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot vaststelling van een contactregeling voert de man het volgende aan. Wettelijk uitgangspunt is dat een kind recht heeft op contact met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang. De man is van mening dat er geen gronden zijn om hem het recht op omgang of contact met [minderjarige] te ontzeggen. Sinds het beëindigen van de relatie verhindert de vrouw omgang tussen hem en [minderjarige] . De man erkent dat de vrouw heeft aangeboden om [minderjarige] via videobellen te spreken, maar vanwege de taal- en spraakachterstand van [minderjarige] is het niet mogelijk om op die manier een normale communicatie met [minderjarige] tot stand te brengen.
Verweer van de vrouw
4.3
De vrouw verzet zich tegen het verzoek van de man om samen het gezag uit te gaan oefenen. Partijen zijn niet in staat om met elkaar te communiceren. De man stelt enkel eisen en heeft geen oog voor de belangen van [minderjarige] . Gezien de houding van de man, zal [minderjarige] klem en verloren raken tussen zijn ouders, omdat waarschijnlijk nooit overeenstemming over beslissingen kan worden bereikt. De man reageert niet op vragen die hem worden gesteld, hij geeft enkel zijn eisenpakket. Hij laat niet zien dat hij de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op zich kan nemen. Het is volgens de vrouw juist in het belang van [minderjarige] als alleen zijn moeder het gezag blijft houden.
4.4
De vrouw wil graag komen tot een omgangsregeling, maar door alles wat er in het verleden is gebeurd moet die heel voorzichtig worden opgestart. De relatie tussen partijen is met veel geweld en agressie van de zijde van de man geëindigd. Hij stuurt nog steeds bedreigingen en stalkt haar. De vrouw is bang voor de veiligheid van [minderjarige] en haarzelf. De vrouw heeft aangifte bij de politie gedaan en Veilig Thuis is betrokken. Daarom heeft zij zich steeds terughoudender opgesteld. Daarnaast is de man verslaafd en niet betrouwbaar gebleken. Zo reageert hij niet op haar pogingen om via Facetime een begin van contact tot stand te brengen.
Overwegingen rechtbank
4.5
De rechtbank overweegt wat betreft de omgangsregeling als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat het raadsonderzoek dat in het kader van de provisionele voorziening is gelast nog niet is aangevangen. Verder is gebleken dat de omstandigheden sinds voormelde zitting van 11 februari 2026 ongewijzigd zijn. Er is nog steeds geen contact tussen de man en [minderjarige] en partijen zijn het niet met elkaar eens over de manier waarop het contactherstel plaats zou kunnen gaan vinden. Daarnaast is de hulpverlening voor [minderjarige] , vanwege wachtlijsten, nog niet gestart. Ook houdt ieder van partijen nog steeds vast aan diens eigen versie van hetgeen er tijdens en na het verbreken van hun relatie is voorgevallen en communiceren zij niet met elkaar. Het voorgaande betekent dat de rechtbank zich ook op dit moment nog onvoldoende geïnformeerd acht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. Zoals ook besproken met partijen ter zitting, zal de rechtbank de beslissing op dit verzoek van de man dan ook aanhouden tot na te melden pro forma datum, in afwachting van de uitkomst van het (eerder al verzochte) raadsonderzoek. Beide partijen hebben tijdens de zitting ingestemd met deze aanhouding. Verder heeft de Raad aangegeven dat het onderzoek zo spoedig mogelijk zal worden gestart.
4.6
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er nu wel al een beslissing kan worden genomen op het verzoek van de man over het gezag. De man verzet zich hiertegen en stelt dat de beslissing moet worden aangehouden in afwachting van het raadsonderzoek.
4.7
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om het raadsonderzoek uit te breiden, zodat de Raad ook onderzoek kan doen naar het (gezamenlijk) gezag. Op dit moment heeft de Raad nog te weinig informatie om de rechtbank op dit punt te kunnen adviseren. Dit zou betekenen dat ook de beslissing op dit verzoek van de man moet worden aangehouden.
4.8
De rechtbank volgt het advies van de Raad. Zij ziet zich onvoldoende geïnformeerd om nu al een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de man tot bepaling dat hij, samen met de vrouw, wordt belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om het raadsonderzoek uit te breiden en, naast het al ingestelde onderzoek ter beantwoording van de vragen die in het kader van de provisionele voorziening al zijn voorgelegd, ook onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vraag:
- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders, en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
4.9
In afwachting van de uitkomst van het onderzoek houdt de rechtbank de beslissing op het verzoek van de man over het gezag aan tot de hierna vermelde pro forma datum.
Kinderalimentatie
4.10
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
4.11
De man voert verweer. Hij stelt dat hij niet over de draagkracht beschikt om de verzochte bijdrage te betalen.
Ingangsdatum
4.12
De vrouw verzoekt de onderhoudsbijdrage vast te stellen met ingang van 1 september 2025. Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij op het moment dat de vrouw de procedure aanhangig maakte al bekend was met zijn onderhoudsverplichting. Aangezien de man wist van zijn onderhoudsverplichting en het verzoek in september 2025 is ingediend, had hij er rekening mee kunnen en moeten houden dat hij vanaf de verzochte datum de onderhoudsbijdrage zou moeten gaan betalen. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de hierna te bepalen bijdrage daarom, zoals verzocht, laten ingaan op 1 september 2025.
Behoefte van de minderjarige
4.13
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.14
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De vrouw heeft een berekening gemaakt van het NBGI van partijen in 2025, uitkomend op een bedrag van € 4.531,= per maand. Aan de zijde van de man is zij voor zijn inkomen uitgegaan van een loon van € 784,= bruto per week (als servicemonteur) vermeerderd met vakantietoeslag, uitkomend op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.982,= per maand. Aan haar zijde is uitgegaan van een WIA-uitkering van € 1.820,48 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag, uitkomend op een NBI van € 1.518,= per maand. Daarbij is rekening gehouden met een kind gebonden budget van € 31,= per maand.
4.15
Uit die berekening volgt dat de behoefte van [minderjarige] € 519,= per maand bedraagt in 2025. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat hij het eens is met de gehanteerde (inkomens-)gegevens in die berekening en de uitkomst daarvan. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] daarom vast op € 519,= per maand (in 2025).
Aandeel ouders in behoefte
4.16
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zodat de behoefte van [minderjarige] tussen ouders wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
4.17
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw in het kader van de draagkracht gaat de rechtbank uit van het volgende.
4.18
De vrouw heeft volgens de WIA-uitkeringsspecificaties van augustus 2025 een inkomen van € 1.820,48 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
4.19
Ter zitting heeft de man de stelling ingenomen dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet benut. Volgens de man kan de vrouw, ondanks dat ze een WIA-uitkering ontvangt, wel werken. De vrouw heeft dit betwist.
4.20
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw ontvangt een WIA-uitkering. Een dergelijke uitkering wordt alleen toegekend als iemand geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Door de vrouw is gesteld dat zij voor 100% arbeidsongeschikt is verklaard en dus niet in staat is om te werken. Door de man is onvoldoende gemotiveerd betwist dat de vrouw volledig arbeidsongeschikt is. De enkele stelling van de man dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet benut, zonder die te onderbouwen en te concretiseren, is in dit licht onvoldoende. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling en houdt bij de berekening van de draagkracht van vrouw rekening met het inkomen dat zij feitelijk ontvangt.
4.21
De vrouw heeft een berekening van haar draagkracht overgelegd (productie 4 bij haar verzoekschrift) op basis van voormelde uitkeringsspecificaties. Door de man is tegen deze berekening, behalve op het punt van het inkomen, geen verweer gevoerd. De rechtbank neemt deze berekening, mede gelet op de ingangsdatum, dan ook tot uitgangspunt bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw. Uit die berekening blijkt een NBI van de vrouw van € 2.218,= per maand en een draagkracht van € 170,= per maand (in 2025). De rechtbank stelt de draagkracht van de vrouw aldus vast op dit bedrag.
Draagkracht man
4.22
Voor de vaststelling van het NBI van de man in het kader van de draagkracht gaat de rechtbank uit van het volgende.
4.23
De vrouw voert aan dat de man tijdens de relatie veertig uur per week werkte als servicemonteur. De man heeft bij zijn verweerschrift echter zonder toelichting een WW-uitkeringsspecificatie (september 2025) overgelegd. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat als de man werkloos is hij zijn werk als servicemonteur weer kan hervatten, al dan niet bij een ander bedrijf. Voor zijn draagkracht moet daarom worden uitgegaan van zijn loon als servicemonteur van € 784,= bruto per week, dat ook ten grondslag ligt aan het NBGI waarop de behoefte van [minderjarige] is gebaseerd. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat ook al zou bij de berekening van de draagkracht van de man ervan worden uitgegaan dat hij een WW-uitkering krijgt, hij ook dan in staat is om een onderhoudsbijdrage te betalen. De vrouw betwist ten slotte de door de man tijdens de zitting naar voren gebrachte stelling dat hij een ZW-uitkering zal gaan ontvangen.
4.24
De man stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies. Hij stelt dat hij niet meer in staat was én is om zijn werk uit te voeren vanwege spanningsklachten. Er is dus geen reden om uit te gaan van zijn oude inkomen als servicemonteur. Aanvankelijk kreeg de man nadat hij was uitgevallen een WW-uitkering, maar de dag voor de zitting heeft hij te horen gekregen dat hij een ZW-uitkering zal gaan krijgen. Aangezien hij hiervan nog geen stukken heeft ontvangen, stelt hij zich op het standpunt dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een inkomen ter hoogte van het inkomen dat de vrouw heeft.
4.25
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de man toen partijen uit elkaar gingen werkzaam was als servicemonteur en een inkomen had van € 784,= bruto per week. De man heeft ter zitting immers erkend dat hij als zodanig werkzaam was en dat bij de berekening van het NBGI aan zijn zijde kan worden uitgegaan van dit inkomen. De man stelt zich nu op het standpunt dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een lager inkomen, omdat hij niet meer in staat is om te werken.
4.26
De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij niet meer in staat is om te werken. De man heeft slechts ter zitting verklaard dat hij vanwege spanningsklachten zijn werk niet meer kan uitvoeren. De man heeft in het geheel geen stukken overgelegd die deze stelling kunnen onderbouwen. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat de man een lager inkomen heeft dan toen partijen uit elkaar gingen. Hij heeft in dit verband slechts één WW-uitkeringsspecificatie overgelegd, van september 2025. Dit alleen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de man daadwerkelijk een lager inkomen heeft (gehad). De man had zijn standpunt over (de daling van) zijn inkomen nader kunnen onderbouwen door bijvoorbeeld de jaaropgaven over 2025 en de Aangifte Inkomstenbelasting 2025 over te leggen. Dit heeft hij echter nagelaten, hoewel dit wel op zijn weg had gelegen, zeker gelet op het standpunt van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de man, tot aan heden, alleen een WW-uitkering ontvangen heeft, of naast zijn uitkering ook werkzaamheden heeft verricht om zodoende voldoende inkomsten te verwerven. Ook is daardoor niet inzichtelijk of de man na september 2025 weer in loondienst is gaan werken of anderszins, al dan niet als servicemonteur, tegen eenzelfde inkomen als ten tijde van het uiteengaan van partijen. Tot slot heeft de man zijn ter zitting voor het eerst naar voren gebrachte, door de vrouw betwiste, stelling dat hij binnenkort een ZW-uitkering zal gaan krijgen evenmin onderbouwd met enig stuk. Dit betekent dat de man niet heeft aangetoond dat zijn inkomen is gedaald en niet heeft aangetoond dat (voor zover een inkomensdaling zou worden aangenomen) hij redelijkerwijs niet in staat is om zijn oude inkomen te verwerven en dit ook niet van hem kan worden gevergd. Dat de man heeft nagelaten om zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen, dient voor zijn rekening en risico te komen, zeker gelet op zijn zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens [minderjarige] . Gelet hierop gaat de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man uit van hetzelfde inkomen als hiervoor in het kader van de behoefte is komen vast te staan van € 2.982,= bruto per maand.
4.27
Naast voormeld inkomen, houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.982,= per maand.
4.28
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het woonbudget moet worden verlaagd en dat een percentage van 10% dient te worden toegepast in plaats van 30%. Zij legt aan haar standpunt ten grondslag dat de man inwoont bij familie en geen woonlasten heeft. De man heeft dit betwist en stelt een woonlast te hebben van € 715,= per maand.
4.29
Uitgangspunt bij het volgens de aanbevelingen toe te passen forfaitaire systeem voor de berekening van kinderalimentatie, is dat voor de woonlasten in beginsel rekening wordt gehouden met een woonbudget ter hoogte van 30% van het NBI van de onderhoudsplichtige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van voormeld uitgangspunt.
4.30
De draagkracht van de man is op basis van voormelde uitgangspunten volgens de formule € 544,= per maand (in 2025).
Draagkracht vergelijking
4.31
De verdeling van de kosten van de minderjarige over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 544 / € 714 x € 519 = € 395,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 170 / € 714 x € 519 = € 124,=
Totaal: € 519,=.
Zorgkorting
4.32
De man maakt primair aanspraak op een zorgkorting van 25%, gelet op de zorgregeling die hij wenst. Subsidiair stemt hij in met toepassing van een zorgkorting van 10% waarmee de vrouw rekening houdt.
4.33
Op dit moment is er al geruime tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] . Als het contact weer wordt hersteld, zal dit rustig opgebouwd moeten worden. Een zorgkorting van 25% acht de rechtbank daarom op dit moment niet reëel. Vast staat wel dat beide partijen voor ogen hebben dat er weer contact moet zijn, maar dat eerst de uitkomst van het raadsonderzoek moet worden afgewacht om te bezien per wanneer en op welke manier er contact zal kunnen zijn. Vooralsnog is er echter geen contact. Uit voormelde aanbevelingen volgt dat onder deze omstandigheden een zorgkorting van 5% kan worden toegepast. Nu de vrouw een zorgkorting toepast van 10% en de man hier (subsidiair) mee instemt, zal de rechtbank dit volgen en ook een percentage van 10 toepassen. Mocht er een definitieve contactregeling tot stand komen die toepassing van een ander percentage rechtvaardigt, dan kunnen (de advocaten van) partijen de vastgestelde kinderbijdrage daarop aanpassen.
4.34
De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 519,= per maand (in 2025). De zorgkorting beloopt dan een bedrag van (afgerond) € 52,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 343,= per maand. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen.
Berekeningen
4.35
De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 september 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 343,= (driehonderddrieënveertig euro) per maand;
5.2
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, om in aanvulling op het onderzoek dat is verzocht in de beschikking provisionele voorzieningen van 20 februari 2026 in de procedure met kenmerk C/02/443282 FA RK 25-6606 een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 4.8. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hierover door de Raad voor de Kinderbescherming op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend vóór 26 januari 2027;
5.3
houdt in afwachting van het raadsonderzoek de beslissing op de verzoeken van de man over het gezag en de contactregeling aan tot 26 januari 2027 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en in tegenwoordigheid van de mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|