Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8420 
 
Datum uitspraak:31-08-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:25/3680
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Weigering uitkering Wet WIA.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van het UWV om eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Eiser is het niet eens met die weigering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juni 2025 (bestreden besluit).


2.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en [persoon 1] , en mr. N. Regragui namens het UWV.




Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als fulltime medewerker tapafdeling. Voor dat werk is hij in oktober 2021 uitgevallen naar aanleiding van een bedrijfsongeval. Aan eiser is een WW-uitkering toegekend.


3.1.
Eiser heeft op 28 juli 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 1 februari 2024 (primaire besluit) heeft het UWV geweigerd om aan eiser met ingang van 10 oktober 2023 een WIA-uitkering toe te kennen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.



3.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Zijn de beperkingen juist vastgesteld?


4. Over eiser is achtereenvolgens gerapporteerd door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.



4.1.
Verzekeringsarts [persoon 2] heeft het dossier bestudeerd en eiser gesproken tijdens het spreekuur op 9 januari 2024. In de primaire rapportage is vermeld dat de klachten van eiser plausibel zijn, objectiveerbaar bij onderzoek, en dat met beperkingen in arbeid rekening is te houden. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 januari 2024.



4.2.
In bezwaar heeft verzekeringsarts b&b [persoon 3] eveneens het dossier bestudeerd en deelgenomen aan de hoorzitting op 10 februari 2025. Verzekeringsarts [persoon 2] heeft volgens verzekeringsarts b&b [persoon 3] terecht benutbare mogelijkheden aangenomen. In bezwaar komen grotere beperkingen met betrekking tot de rechter schouder/-arm naar voren. Gezien de chronische schouderklachten rechts is er reden om de belasting op de rechter schouder iets aan te passen, met name wat de trilbelasting betreft. Verzekeringsarts b&b [persoon 3] heeft de functionele mogelijkheden van eiser gewijzigd en op 4 maart 2025 een nieuwe FML opgesteld.



4.3.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zijn beperkingen, hoewel aangescherpt, zijn onderschat. Volgens eiser is onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische klachten. De verzekeringsarts is er onterecht van uitgegaan dat er geen psychische klachten meer waren. Weliswaar is in het huisartsenjournaal terug te lezen dat ‘het beter gaat met [eiser]’, maar dat impliceert niet dat er in zijn geheel geen klachten meer zijn/waren. De psychische ondersteuning is gedurende lange tijd aan de orde geweest, en ook weer opnieuw aan de orde gekomen.



4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij bekend waren met de door eiser gestelde klachten, waaronder zijn psychische klachten. Deze klachten zijn bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsartsen hebben hierin echter geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn opgenomen. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Hij heeft wel verschillende stukken ingediend, waaronder een verklaring van een psycholoog [persoon 4], maar niet toegelicht wat deze stukken betekenen voor de in de FML opgenomen beperkingen. Deze verklaring dateert bovendien van ruim na het bestreden besluit. Voor zover daaruit blijkt dat de psychische klachten van eiser zijn toegenomen, volgt daaruit niet dat op de datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML van 4 maart 2025.



4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?


5. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de in bezwaar vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: lader/losser (SBC-code 111220), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten, SBC-code 111180), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), medewerker binderij en grafisch nabewerker (SBC-code 268030).



5.1.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser, voor wat betreft de functie lader/losser (SBC-code 111220) aangevoerd dat dit een belastende functie is voor iemand met schouder- en rugklachten. Dit zit met name in de combinatie van verschillende belastende aspecten: veel reiken. Voor de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten, SBC-code 111180) voert eiser aan dat ook sprake is van een cumulatie van verschillende fors belastende functieaspecten (én knijpkracht nodig, én schroefbewegingen, én reiken, én duwen en trekken), waarbij ook de belasting wordt overschreden op verschillende aspecten. Daarnaast wordt in de functie 60 minuten achtereen gezeten, hetgeen zich niet lijkt te verhouden tot de rugproblematiek van eiser. Voor de functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) voert eiser dezelfde gronden aan. Schoonmaakwerk vraagt grote kracht. Er moet veel getild worden, schroefbewegingen met de hand en erg veel reiken, ook relatief grote afstanden, en er is een overschrijding van enkele aspecten.



5.2.
Deze beroepsgronden geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege zijn medische klachten niet in staat is deze functies te verrichten, gaat hij daarbij uit van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn opgenomen. Het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 4.4 heeft geoordeeld, bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML vastgestelde belastbaarheid. Voor zover eiser daarnaast heeft aangevoerd dat de belasting in de geselecteerde functies de in de FML opgenomen belastbaarheid overschrijdt, overweegt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de in het Resultaat functiebeoordeling gesignaleerde belastingen heeft beoordeeld en gemotiveerd waarom deze binnen de belastbaarheid van eiser blijven. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan die toelichting te twijfelen.



5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?


6. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.



6.1.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 10 oktober 2023.


Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn?


7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Voor een procedure die bestaat uit bezwaar en beroep geldt als uitgangspunt een totale behandelingsduur van maximaal twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt als uitgangspunt een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.



7.1.
De te beoordelen periode is begonnen op 14 maart 2024, de datum waarop het UWV het bezwaarschrift heeft ontvangen, en eindigt met deze uitspraak. De procedure heeft daarmee in totaal ongeveer twee jaar en vijf maanden geduurd. Er zijn geen omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen. De redelijke termijn is dus met ongeveer vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.



7.2.
De behandeling van het bezwaar heeft vanaf 14 maart 2024 tot het besluit op bezwaar van 11 juni 2025 ongeveer een jaar en drie maanden geduurd. Daarmee is de voor de bezwaarfase geldende termijn van een half jaar overschreden. De behandeling van het beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 23 juli 2025 tot deze uitspraak ongeveer een jaar en een maand geduurd en is daarmee binnen de voor de beroepsfase geldende termijn van anderhalf jaar gebleven. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig aan het UWV toe te rekenen. Het UWV moet eiser een schadevergoeding van € 500,- betalen.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Omdat eiser terecht heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die samenhangen met dat verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).








Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt het UWV tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-;


veroordeelt het UWV tot betaling aan eiser van een bedrag van € 467,- aan proceskosten.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 31 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.






Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen



Artikel 4. Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, eerste lid


1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.


Artikel 5. Definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt


Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.







ECLI:NL:RVS:2025:5294
Link naar deze uitspraak