Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8536 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/2084 en 25/2085
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:De bezwaren zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank neemt zelf een beslissing over de bezwaren en verklaart de bezwaren ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
forensenbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2084 en 25/2085

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaken tussen



[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en



de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 maart 2025. De beroepen zien op de aanslagen forensenbelasting over de jaren 2023 en 2024 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2].


1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, gemachtigde en namens de heffingsambtenaar mr. B. de Smit.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de heffingsambtenaar. Dit betekent dat de door belanghebbende aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en moet worden beoordeeld of de bezwaren wel of niet gegrond zijn. De rechtbank heeft deze beoordeling zelf gedaan en de zaak niet teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren ongegrond zijn. De rechtbank zal haar oordelen en de gevolgen daarvan hieronder nader uitleggen.
Zijn de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.


3.1.
De dagtekening van de aanslagen is 30 november 2023 (2023) en 31 oktober 2024 (2024). De heffingsambtenaar heeft de bezwaren op 3 april 2024 (2023) en 16 december 2024 (2024) ontvangen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zouden zijn ingediend.



3.2.
Belanghebbende heeft in de beroepsprocedure verzendbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de bezwaarschriften op 4 januari 2024 (2023) en 30 november 2024 (2024) met PostNL zijn verzonden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen. De bezwaren zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft dit standpunt in het verweerschrift ook ingenomen. De beroepen zijn gegrond. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren toekomt.


Zijn de bezwaren gegrond?

4. Belanghebbende is van mening dat de heffing van forensenbelasting in strijd is met het EVRM. Belanghebbende heeft dit standpunt ook ingenomen in de (hoger) beroepsprocedures bij de rechtbank en het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in het kader van de aanslagen 2021 en 2022, die zagen op dezelfde feiten en omstandigheden als deze procedure. Deze beroepen zijn ongegrond verklaard.



4.1.
De rechtbank heeft de gronden van belanghebbende beoordeeld en daarbij ook gekeken naar de uitspraak van het gerechtshof. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de uitspraak van 3 juni 2026 heeft gedaan. De rechtbank verklaart de bezwaren ongegrond.


Verzoek om immateriële schadevergoeding

5. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.



5.1.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaarschriften op 3 april 2024 (2023) en 16 december 2024 (2024) ontvangen. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn alleen is overschreden ten aanzien van het bezwaarschrift over de aanslag forensenbelasting 2023. De overschrijding van de termijn bedraagt vijf maanden. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500. De heffingsambtenaar heeft afgerond twaalf maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een besluit genomen, terwijl een redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar een half jaar bedraagt. De overschrijding is dus volledig toe te rekenen aan de heffingsambtenaar.


Overige verzoeken

6. Belanghebbende heeft verzocht om de heffingsambtenaar op te dragen toelichting te geven op alle betalingen en verrekeningen dan wel de directeur van SaBeWa Zeeland uit te nodigen om de toelichting in persoon te geven. De rechtbank begrijpt het verzoek van belanghebbende en dat zij behoefte heeft aan duidelijkheid, maar de rechtbank is hiertoe niet overgegaan omdat de betaling van aanslagen buiten de bevoegdheid van de belastingrechter valt.




Conclusie en gevolgen

7. De bezwaren zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar. De rechtbank neemt zelf een beslissing over de bezwaren en verklaart de bezwaren ongegrond.


7.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op belanghebbende niet de verplichting rust kosten voor verleende rechtsbijstand te voldoen, waardoor geen sprake is van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar;


verklaart de bezwaren ongegrond;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 500;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier.












griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:213.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 juni 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1452.


Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
Link naar deze uitspraak