Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8716 
 
Datum uitspraak:30-06-2026
Datum gepubliceerd:28-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/1216 V
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:verzet en beroep NO.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1216 V

uitspraak van 30 juni 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van


Dienst Toeslagen, opposant, tevens verweerder,

en uitspraak in de beroepszaak tussen


[geopposeerde] te [plaats] , geopposeerde, tevens eiseres
(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),

en

opposant, tevens verweerder.



Procesverloop
1. In de uitspraak van 6 maart 2025 is geoordeeld dat opposant uiterlijk 11 september moet beslissen op het bezwaar van geopposeerde tegen de integrale herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008, 2009 en 2012 tot en met 2018 van 2 juli 2014. Geopposeerde heeft op 20 februari 2026 beroep ingesteld omdat opposant dat volgens haar niet heeft gedaan.


1.1.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond verklaard.



1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.



1.3.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.




Inleiding
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard.


2.1.
In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.





Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er ten tijde van de uitspraak geen procesbelang meer bestond. Tijdens de beroepsprocedure is er namelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten op 2 maart 2026. Gelet hierop was geopposeerde niet langer in afwachting van een beslissing van opposant.


3.1.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 10 april 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was. Dat er een vaststellingsovereenkomst is gesloten is reeds in het verweerschrift kenbaar gemaakt. De vaststellingsovereenkomst is tevens door opposant met het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.


Conclusie over het verzet

4. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.




Beoordeling door de rechtbank van het beroep

5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.


Is het beroep ontvankelijk?

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres voldoet aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiseres rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.


6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres vanwege de overeengekomen
vaststellingsovereenkomst geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke uitspraak in deze beroepszaak over het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Zij is immers met verweerder tot overeenstemming gekomen over de compensatie. In de overeenkomst is onder andere opgenomen dat de integrale beoordeling hiermee volledig wordt afgerond. Verder verklaren partijen over en weer dat zij geen civielrechtelijke vorderingen en bestuursrechtelijke aanspraken meer op elkaar hebben in het kader van de integrale beoordeling, meer specifiek de compensatie en tegemoetkoming zoals gesteld in de artikelen 2.1 en 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Ook is overeengekomen dat eiseres alle lopende bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedures in het kader van de integrale beoordeling intrekt en dat de vaststellingsovereenkomst kwalificeert als een schriftelijke intrekking.



6.2.
In de overeenkomst ligt besloten dat verweerder niet meer hoeft te beslissen op het bezwaar van eiseres. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarop is daarom niet-ontvankelijk.


6.3.
Omdat eiseres het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden





Beslissing
De rechtbank:


verklaart het verzet gegrond;


verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van

I. Ambachtsheer, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak voor zover betrekking hebbend op het verzet, staat geen rechtsmiddel open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.



Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


BRE 25/288, ECLI:NL:RBZWB:2025:1408.


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Link naar deze uitspraak