Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9128 
 
Datum uitspraak:21-09-2026
Datum gepubliceerd:29-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/4611 BRP VV
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Afgewezen. Onvoldoende spoed.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4611

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats] (België), verzoeker

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (college), verweerder.




Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot het besluit van het college van 12 augustus 2026 (bestreden besluit). Met dit besluit heeft het college besloten om verzoeker uit te schrijven als inwoner van Nederland en om zijn persoonslijst op te nemen in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI).


1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan in beginsel alleen een voorlopige voorziening treffen als degene die om een voorlopige voorziening verzoekt een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat staat in artikel 8:81 van de Awb. Een voorlopige voorziening is een tijdelijke maatregel die wordt genomen als de uitkomst van de bodemzaak, in dit geval de bezwaarschriftprocedure, niet kan worden afgewacht.


2.1.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat de registratie zijn actuele rechtspositie raakt. Hij heeft een vaste baan in Nederland, is verwikkeld in gemeentelijke huisvestings- en ondersteuningsprocedures en stelt dat de uitschrijving concrete gevolgen heeft of kan hebben voor voorzieningen, huisvesting, inkomen, verzekeringen en andere lopende procedures. Verzoeker meldt per gevolg objectief bewijs toe te voegen. Daarnaast verwacht verzoeker binnenkort de geboorte van zijn zoontje. Het is voor verzoeker van groot belang dat hij hem zonder onnodige administratieve belemmeringen op reguliere wijze bij de gemeente kan erkennen en dat hij zijn burgerlijke en administratieve zaken correct en tijdig kan blijven regelen.



2.2.
De griffier heeft bij brief van 7 september 2026 verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening toe te lichten. Daarbij is gevraagd om concreet aan te geven welke gevolgen zich al hebben voorgedaan of op korte termijn voor zullen doen waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Geconstateerd is dat de objectieve bewijzen die verzoeker bij zijn verzoekschrift zou hebben gevoegd, ontbreken. De griffier heeft verzoeker daarom gevraagd deze alsnog over te leggen.



2.3.
Verzoeker heeft op 15 september 2026 gereageerd op de brief van de griffier. Verzoeker heeft gesteld dat de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP) en de registratie als niet-ingezetene niet alleen een administratieve vermelding raakt, maar ook zijn feitelijke bereikbaarheid, toegang tot voorzieningen, inkomen, verzekeringen, huisvesting en zijn mogelijkheid om lopende procedures normaal te voeren. Volgens verzoeker is de schade dus nu al concreet en loopt deze door zolang geen tijdelijke voorziening wordt getroffen. Verzoekers situatie is bijzonder kwetsbaar omdat hij na een woningontruiming op 16 juni 2026 geen stabiel woonadres meer had. Verzoeker zou het college op 30 juni 2026 uitdrukkelijk hebben gemeld dat hij dakloos was, maar toch is in het latere voornemen vermeld dat er geen reactie was ontvangen. Dit is naar verzoekers mening een concreet voorbeeld waarom de gevolgen van de uitschrijving niet veilig kunnen worden afgewezen: een feitelijk onjuiste en onvolledige verwerking van zijn reactie kan direct leiden tot verlies van registratie en daarna tot verdere problemen met instanties. Een tweede concreet gevolg is volgens verzoeker zijn post en bereikbaarheid. Belangrijke brieven en betalingsstukken worden naar adressen gestuurd waar verzoeker ze niet of niet tijdig kan openen en lezen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoeker een e-mail van Syncasso/CAK van 4 september 2026 overgelegd, waarin staat vermeld dat er derdenbeslag is gelegd.



2.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker gegeven toelichting niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarprocedure noodzakelijk maakt. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker, ondanks uitdrukkelijk verzoek, zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd; ook niet met de na 15 september 2026 nog door hem ingediende stukken. Verzoeker heeft nagelaten om aan te geven welke gevolgen zich concreet hebben voorgedaan of zich op korte termijn concreet zullen voordoen, waardoor het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk moet worden geacht. De e-mail van Syncasso/CAK acht de voorzieningenrechter in dit verband onvoldoende. Weliswaar blijkt daaruit dat verzoeker een betalingsachterstand bij het Centraal Administratiekantoor (CAK) heeft, maar niet dat deze achterstand is ontstaan als gevolg van de uitschrijving door het college. Tot slot blijkt uit verzoekers reactie dat de brief van de griffier hem op zijn adres in België heeft bereikt en dat het dus – in het kader van deze procedure – voor hem mogelijk was om schriftelijk te communiceren.



2.5.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.




Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 21 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.















voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak