Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9142 
 
Datum uitspraak:21-09-2026
Datum gepubliceerd:28-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 24/1497
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende heeft verzocht om de toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17c van de Wet IB 2001 in verband met de schenking van aandelen in een BV. De inspecteur heeft het verzoek gedeeltelijk afgewezen en heeft in verband hiermee een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tussen partijen is in geschil welk deel van de overdrachtsprijs van de aandelen toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. Naar het oordeel van de rechtbank moet één vermogensbestanddeel alsnog tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Met betrekking tot de overige in geschil zijnde vermogensbestanddelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ondernemingsvermogen. De navorderingsaanslag en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking worden daarom verminderd.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
agrarisch
bedrijfswoning
belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
landbouwbedrijf
perceel
schenking
varkenshouderij
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1497


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 september 2026 in de zaak tussen



de erven van [erflaatster], laatste wonende te [plaats 1] , belanghebbenden
(gemachtigden: [gemachtigde 1] MSc RB en [gemachtigde 2] MSc RB),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023.


1.1.
De inspecteur heeft aan wijlen [erflaatster] (hierna: erflaatster) voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.762 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 340.936 (de navorderingsaanslag).



1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur erflaatster € 4.940 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van erflaatster ongegrond verklaard.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting – gelijktijdig met het beroep van [echtgenoot] , met zaaknummer 24/1496 – behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbenden, [echtgenoot] , zijn [dochter] en de gemachtigden en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .




Feiten

2. Erflaatster en haar echtgenoot, [echtgenoot] ( [echtgenoot] ), bezaten op 1 januari 2020 alle aandelen in [b.v. 1] . Erflaatster bezat 1/3e deel van de aandelen en haar echtgenoot 2/3e deel.


2.1.

[b.v. 1] bezit 45% van de aandelen in [b.v. 2] .



2.2.
Volgens de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van [b.v. 2] uit het volgende:


"Landschapsinrichting en -verzorging, alsmede het verlenen van adviezen en consultancywerkzaamheden; Het exploiteren van een landbouwbedrijf en een agrarisch ondersteunend hulpbedrijf; Het verhuren van bouwmachines, werktuigen, transportmiddelen en overig materiaal."




[naam]





2.3.
In 2012 heeft [b.v. 2] een onroerende zaak aangeschaft in het centrum van [plaats 2] ( [naam] ). Na een verbouwing is [naam] opgedeeld in afzonderlijk te verhuren bedrijfsruimtes. Eén van de bedrijfsruimtes wordt per 1 mei 2015 gehuurd door een exploitant van een restaurant.



2.4.
In [naam] is een beheerder werkzaam en een interieurverzorger. Verder wordt een persoon ingehuurd voor marketingwerkzaamheden, bestaande uit onder andere het maken van reclame voor [naam] via een website en social media. Met de beheerder is overeengekomen dat hij voor zijn werkzaamheden 50% van het rendement van [naam] ontvangt.


De woning




2.5.
In 2015 heeft [b.v. 2] een woning gekocht aan [adres 1] (de woning). De woning is gekocht voor € 300.000. In de akte van koop en levering is onder andere het volgende opgenomen:


”Artikel 2


Koper is voornemens het gekochte te gebruiken als woonhuis.


(…)


Artikel 11


(…)


4. Verkoper heeft met de gemeente Oirschot een Anterieure overeenkomst inzake [adres 2] en [adres 1] gesloten, van welke overeenkomst de voorwaarden en bepalingen woordelijk luiden als volgt:


In aanmerking nemende dat:


-Onderhavige overeenkomst betrekking heeft op de percelen plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats 3] en [adres 1] , beide gelegen in [plaats 3] , kadastraal bekend gemeente Oost-, West- en Middelbeers, [sectie] , [nummer 1] respectievelijk gemeente Oost-, West- en Middelbeers, [sectie] , [nummer 2] , hierna tezamen te noemen "het exploitatiegebied";


-Initiatiefnemer op 31 augustus 2011 een verzoek heeft ingediend voor de ontwikkeling van het exploitatiegebied;


-Initiatiefnemer het voornemen heeft om het exploitatiegebied als volgt te ontwikkelen:


1. het uitbreiden van het bouwblok aan de [adres 2] te [plaats 3] naar 1,5 hectare inclusief één bedrijfswoning en inclusief landschappelijke inpassing van minimaal 10% (0.15 hectare) binnen dit blouwblok;


2. het realiseren van 4 woningen op locatie aan de [adres 1] in [plaats 3] ; (…)


- Het college van burgemeester en wethouders op 26 juni 2012 heeft besloten om in principe medewerking te verlenen aan het ‘Masterplan Verplaatsing varkenshouderij en ontwikkeling [adres 1] [plaats 3] ’ (…)




2.6.
De woning was op het moment van aankoop verhuurd en wordt in 2020 nog steeds verhuurd.


Liquide middelen




2.7.
In de notulen van de vergadering van [b.v. 2] van september 2019 is onder andere het volgende opgenomen:


“Vergadering [b.v. 2] van .. . september 2019



Aanwezig: [voorzitter] ( [b.v. 1] /voorzitter), [persoon 1] ( [b.v. 3] ) en [persoon 2] ( [b.v. 4] /notulist).



Aanleiding: Signalen van de [b.v. 5] over onderhoud en samenstelling


machinepark




[directeur b.v. 5] , directeur bij [b.v. 5] (hierna te noemen) : [b.v. 5] ) heeft aangegeven dat bij aanbestedingen van overheidsprojecten steeds meer eisen worden gesteld over duurzame inzet van machines. [b.v. 5] huurt vaak machines van [b.v. 2] ( hierna te noemen: [b.v. 2] ), maar dat kan in de toekomst niet meer voor alle projecten. Het machinepark van [b.v. 2] voldoet namelijk niet aan de eisen voor duurzaamheid die de overheid eist. Dit is wel een belangrijk signaal.


(…)



[persoon 1] geeft aan dat vorige week de tussentijdse jaarstukken 2019 van [b.v. 2] besproken. Het viel hem op dat zijn BV en de BV van [persoon 2] een grote vordering van ongeveer € 600.000 hebben op [b.v. 2] . [b.v. 1] had eind 2018 ook een vordering, maar die heeft geld onttrokken en nu een schuld aan [b.v. 2] van ruim € 300.000. Hij vindt dit niet correct, maar heeft het bij de bespreking niet meteen aan de orde willen stellen. Hij vindt dat [b.v. 1] de schuld moet aflossen en ook een bedrag van ongeveer € 600.000 moet lenen aan [b.v. 2] . Dit bedrag kan benut worden voor vervangingsinvesteringen. Nu lopen hij en [persoon 2] risico en [voorzitter] niet. [voorzitter] geeft aan dat hij dit van plan is, maar dat dit niet dit jaar kan gebeuren.(…)”




2.8.
Op 15 september 2020 is [b.v. 1] juridisch afgesplitst waarbij een nieuwe BV is ontstaan: [b.v. 6] . Per 31 december 2019 was in [b.v. 1] een bedrag aan liquide middelen aanwezig van € 1.677.526. Na de splitsing bestaat het vermogen van [b.v. 1] uit een 45% deelneming in [b.v. 2] en een bedrag aan liquide middelen van € 700.000.


Schenking van aandelen




2.9.
Eveneens op 15 september 2000 zijn de aandelen in [b.v. 1] door erflaatster en haar echtgenoot geschonken aan de dochter van erflaatster.


2.10.
Erflaatster heeft op 23 november 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan. In deze aangifte is geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. De aanslag is vastgesteld met dagtekening10 december 2021 overeenkomstig de ingediende aangifte.



2.11.
Op 27 januari 2022 heeft erflaatster verzocht om toepassing van de zogenoemde doorschuifregeling van artikel 4.17c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in verband met de schenking van de aandelen in 2020. De inspecteur heeft het verzoek gedeeltelijk afgewezen en heeft de navorderingsaanslag opgelegd.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of bij de schenking van de aandelen in [b.v. 1] aan de dochter van erflaatster, de doorschuifregeling van artikel 4.17c van de Wet IB 2001 juist is toegepast. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of het vermogen in [b.v. 1] dat betrekking heeft op [naam] (zie 2.3 en 2.4), de woning (zie 2.5 en 0) en het bedrag van € 700.000 aan liquide middelen (zie 2.8) behoren tot het door te schuiven ondernemingsvermogen zoals bedoeld in artikel 4.17c Wet IB 2001. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.


3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het vermogen dat betrekking heeft op [naam] en de woning niet behoren tot het door te schuiven ondernemingsvermogen. Voor de liquide middelen kan de doorschuifregeling naar het oordeel van de rechtbank wel worden toegepast. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Motivering

4. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren onder meer de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen. Bij schenking is inkomstenbelasting verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van die geschonken aandelen. In de doorschuifregeling is een uitzondering opgenomen bij schenking van aandelen. Onder een aantal voorwaarden wordt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben, niet als vervreemdingsvoordeel aangemerkt.


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de voorwaarden van artikel 4.17c, eerste lid, van de Wet IB 2001 is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag welk deel van de overdrachtsprijs toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap, zoals bedoeld in artikel 4.17c, tweede lid, van de Wet IB 2001.



4.2.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbenden, die zich op toepassing van de doorschuifregeling beroepen, de feiten dienen te stellen en bij betwisting aannemelijk dienen te maken dat de betreffende vermogensbestanddelen onderdeel zijn van het ondernemingsvermogen van de vennootschap.



4.3.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat van het drijven van een onderneming sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om winst te behalen. ‘Arbeid’ in de terminologie ‘organisatie van kapitaal en arbeid’ betekent niet hetzelfde als de arbeid die is gemoeid met het (enkele) beheren van vermogen. Zou dat anders zijn, dan zou elk vermogensbeheer van duurzame aard een materiële onderneming vormen en dat is niet het geval. Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt immers dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien de arbeid naar aard en omvang meer omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer (de zogenaamde arbeid-plus) en deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat (rendement-plus).
Hierna zal de rechtbank de in geschil zijnde vermogensbestanddelen achtereenvolgens behandelen.



[naam]





4.4.
Niet in geschil is dat de activiteiten in de onderneming van [b.v. 2] die zien op de machineverhuur, een materiële onderneming vormen. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de activiteiten die plaatsvinden voor [naam] een zodanige verwevenheid tonen met deze materiële onderneming dat er sprake is van één onderneming. Dit brengt mee dat de rechtbank zal beoordelen of de activiteiten die betrekking hebben op [naam] op zichzelf zijn aan te merken als het drijven van een materiële onderneming in voormelde zin. Daarvoor is van belang of voldaan is aan de arbeid-plus toets en de rendement-plus toets op het moment van schenking. Niet (meer) in geschil is dat het gedeelte van [naam] dat betrekking heeft op het restaurant geen ondernemingsvermogen vormt.


Arbeid-plus




4.5.
Het concept binnen [naam] betreft de verhuur van werkplekken en vergaderruimtes. De inhuur en aanwezigheid van een beheerder in dat kader is naar het oordeel van de rechtbank gebruikelijk bij normaal vermogensbeheer, evenals die van een interieurverzorger. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de beheerder niet fulltime aanwezig is maar op afroep beschikbaar is. Belanghebbenden sommen verder verschillende werkzaamheden op die voor [naam] worden gedaan. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat deze werkzaamheden allemaal worden verricht en de arbeidsuren van genoemde werkzaamheden gemiddeld 15 uur per week in beslag nemen – zoals belanghebbenden hebben gesteld, maar de inspecteur betwist –, dan nog hebben belanghebbenden niet aannemelijk gemaakt dat deze arbeid naar aard en omvang meer omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden zijn ook bij normaal vermogensbeheer van een dergelijk object gebruikelijk. Naar het oordeel van de rechtbank wordt op het moment van schenking niet voldaan aan de arbeids-plus toets.


Rendement-plus




4.6.
Belanghebbenden hebben een berekening overgelegd waaruit volgens belanghebbenden volgt dat sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer het geval zou zijn. De inspecteur heeft bij deze berekening verschillende kanttekeningen geplaatst en is tot de conclusie gekomen dat het rendement beduidend lager was dan belanghebbenden hebben gesteld. Zo heeft de inspecteur onder meer opgemerkt dat geen rekening is gehouden met de financieringslasten, dat belanghebbenden in de berekening ten onrechte zijn uitgegaan van de WOZ-waarde van het pand in plaats van de werkelijke waarde en dat ten onrechte het inkomen uit het restaurantgedeelte is meegenomen in de winstberekening. Ook heeft de inspecteur gesteld dat de panden waarmee wordt vergeleken voor de hoogte van de huur niet vergelijkbaar zijn vanwege de minder goede ligging, namelijk op een bedrijventerrein in plaats van in het centrum van [plaats 2] . Belanghebbenden hebben enkele van deze kanttekeningen beaamd en de overige niet weerlegd. Ter zitting heeft gemachtigde tevens verklaard dat de beheerder voor zijn werkzaamheden 50% van het rendement ontvangt. Gelet op het voorgaande in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat op het moment van schenking wordt voldaan aan de rendement-plus toets.



4.7.
De rechtbank concludeert dat het vermogen dat betrekking heeft op [naam] niet kwalificeert als ondernemingsvermogen voor de doorschuifregeling.


De woning




4.8.
De rechtbank stelt voorop dat niet aannemelijk is geworden dat de activiteiten die plaatsvinden met betrekking tot de woning een zodanige verwevenheid tonen met de materiële onderneming in [b.v. 2] dat er sprake is van één onderneming. Dit brengt mee dat de rechtbank zal beoordelen of de activiteiten die betrekking hebben op de woning op zichzelf zijn aan te merken als het drijven van een materiële onderneming in voormelde zin.



4.9.
Belanghebbenden hebben gesteld dat het bij de woning altijd de bedoeling is geweest om tot projectontwikkeling te komen. Belanghebbenden hebben gesteld dat [b.v. 2] daarvoor afhankelijk was van de buurman van erflaatster, omdat zijn stuk grond nodig was voor de uitrit binnen de diverse bouwplannen. Volgens belanghebbenden was een uitrit aan de kant van [adres 1] voor de gemeente niet mogelijk. Aangezien de buurman in 2022 andere plannen heeft gemaakt met het stuk grond, is de projectontwikkeling niet doorgegaan. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van ondernemingsvermogen.



4.10.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de verkoopakte van de woning volgt dat de verkoper plannen had tot projectontwikkeling. De woning is door [b.v. 2] vanaf de aanschaf verhuurd. Met hetgeen belanghebbenden hebben gesteld, overgelegd en ter zitting hebben verklaard, acht de rechtbank aannemelijk dat [b.v. 2] bij de aanschaf in 2015 tevens plannen had tot projectontwikkeling. Echter, belanghebbenden hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat [b.v. 2] zich actief heeft ingezet om tot projectontwikkeling te kunnen overgaan en daarvoor ook daadwerkelijk arbeid is verricht. De arbeid die is verricht, is enkel gedaan door de buurman. [echtgenoot] had de hoop dat de buurman de voorbereidingen en noodzakelijke stappen zou treffen en daarna uitvoering zou geven aan plannen tot projectontwikkeling op een zodanige wijze dat [b.v. 2] daarvan kon profiteren en vervolgens ook tot ontwikkeling van het perceel van de woning kon overgaan. Feitelijk speculeerde Van Beers op een voor haar goede afloop en toekomstige mogelijkheid tot projectontwikkeling. [b.v. 2] was van de buurman afhankelijk en heeft zelf geen actieve (ondernemings)activiteiten verricht. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de schenking geen sprake was van het drijven van een materiële onderneming met betrekking tot de woning. De woning kwalificeert daardoor niet als ondernemingsvermogen voor de doorschuifregeling.


Liquide middelen




4.11.
Partijen houdt verdeeld de vraag of de liquide middelen die achtergebleven zijn bij de splitsing van [b.v. 1] in [b.v. 6] dienstbaar zijn aan de materiële onderneming in [b.v. 2] . Belanghebbenden hebben gesteld dat bij de splitsing alle liquide middelen abusievelijk zijn overgegaan naar [b.v. 6] . Om deze fout te herstellen is op de balans van [b.v. 1] een vordering ontstaan op [b.v. 6] . In de jaarrekening 2020 van [b.v. 1] is het bedrag aan € 700.000 opgenomen als “overige vordering”. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan deze verklaring.



4.12.
Ter onderbouwing van het bedrag van € 700.000 hebben belanghebbenden verwezen naar de notulen zoals opgenomen onder 2.7. Volgens belanghebbenden moest [b.v. 1] een bedrag reserveren voor komende vervangingsinvesteringen in [b.v. 2] . Belanghebbenden hebben een overzicht uit de administratie van [b.v. 2] overgelegd waaruit in de periode 2020 tot en met 2023 zeer omvangrijke investeringen volgen. Belanghebbenden hebben tevens gesteld dat het deel dat [b.v. 1] moest bijdragen aan deze investeringen, is voldaan door [b.v. 6] , waardoor de vordering van [b.v. 1] op [b.v. 6] is verrekend. Belanghebbenden hebben geen stukken overgelegd waaruit deze betalingen volgen. Wel hebben belanghebbenden verwezen naar de jaarrekening van [b.v. 1] van het jaar 2022, waarin de vordering van € 700.000 niet meer onder “overige vorderingen” is opgenomen en een vordering op de deelneming [b.v. 2] resteert van € 712.250.



4.13.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden hiermee aannemelijk hebben gemaakt dat het bedrag van € 700.000 ten tijde van de schenking niet duurzaam overtollig waren. De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbenden wisselend hebben verklaard over de bestemming van het bedrag van € 700.000. Zo zou het bedrag ook worden gebruikt voor de woning. De rechtbank is van oordeel dat ook al zou ten tijde van de schenking een gedeelte van het bedrag bestemd zijn geweest voor de projectontwikkeling van de woning, dit niet meebrengt dat dan sprake is van beleggingsvermogen. Indien de projectontwikkeling van start zou gaan, kan immers sprake zijn van een materiële onderneming. Gelet op de omvangrijke investeringen die zijn gedaan, de notulen en de boekhoudkundige verwerking, acht de rechtbank echter aannemelijk dat het bedrag van € 700.000 (uiteindelijk) is bedoeld en aangewend voor de materiële onderneming in [b.v. 6] . Dit betekent dat het bedrag van € 700.000 kwalificeert als ondernemingsvermogen voor de doorschuifregeling.


Tussenconclusie navorderingsaanslag




4.14.
De inspecteur heeft alleen de liquide middelen ten onrechte niet aangemerkt als ondernemingsvermogen. De rechtbank zal dat alsnog doen. Partijen hebben ter zitting verklaard dat voor de berekening van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang, kan worden uitgegaan van de bedragen zoals door de inspecteur zijn gebruikt in de vooraankondiging van de navorderingsaanslag (pagina 8 en 9 van bijlage 10 bij het verweerschrift). De rechtbank gaat van die berekeningsmethode uit en berekent het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor belanghebbenden op € 96.207. De berekening kan als volgt worden gespecificeerd:













Oude bedragen:




Nieuwe bedragen:






Verdeling vermogen balans [b.v. 1] .











Beleggingsvermogen toerekenbaar aan [b.v. 2] .


€ 373.181


€ 373.181




Overige vorderingen (liquide middelen)



€ 700.000




-





Beleggingsvermogen [b.v. 1] .


€ 1.073.181


€ 373.181




Ondernemingsvermogen [b.v. 1] .



€ 624.377




€ 1.324.377





Balanstotaal [b.v. 1] .


€ 1.697.558


€ 1.697.558
















Verdeling intrinsieke waarde [b.v. 1] .











Beleggingsvermogen


€ 1.071.993


€ 372.768




Ondernemingsvermogen



€ 623.685




€ 1.322.910





Intrinsieke waarde [b.v. 1] .


€ 1.695.678


€ 1.695.678
















Verhoging ondernemingsvermogen met 5%











Beleggingsvermogen


€ 1.040.808


€ 306.622




Ondernemingsvermogen



€ 654.870




€ 1.389.056





Intrinsieke waarde [b.v. 1] .


€ 1.695.678


€ 1.695.678
















Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang











Belang belanghebbenden in beleggingsvermogen [b.v. 1] . (33,33%)


€ 346.936


€ 102.207




Verkrijgingsprijs aandelen [b.v. 1] .



€ 6.000




€ 6.000





Vervreemdingsvoordeel schenking aandelen [b.v. 1] .


€ 340.936


€ 96.207








4.15.
De rechtbank zal de navorderingsaanslag verminderen tot een berekend naar een (ongewijzigd) belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.762 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 96.207.


Belastingrente




4.16.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbenden hebben de gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente op de zitting ingetrokken. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende navorderingsaanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.


5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Erflaatster heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. In verband met de samenhang met de gelijktijdig ter zitting behandelde zaak met zaaknummer BRE 24/1496, wordt de vergoeding vastgesteld op € 1.600.



Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.762 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 96.207;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbenden moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbenden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.













griffier


voorzitter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Vgl. onder meer Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:633 en Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:952.


Dit bedrag is ongewijzigd gebleven, omdat zowel [naam] als de woning terecht zijn aangemerkt als beleggingsvermogen.
Link naar deze uitspraak