|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9173 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 24/4065 en 24/4066 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de herroeping van een last onder dwangsom (LOD). Het college heeft bij zijn primaire besluit een LOD opgelegd en in het bestreden besluit deze last herroepen. Daarnaast heeft het college een tijdelijke gedoogverklaring aan eiseres verstrekt. Eisers en eiseres zijn het niet eens met de herroeping van de LOD. Eiseres is het ook niet eens met de gedoogverklaring. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de onevenredige gevolgen voor bewoonster heeft mogen afzien van handhavend optreden tegen bewoning van de woning. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | koopovereenkomst | | | landbouwgrond | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/4065 en 24/4066
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaken tussen
BRE 24/4065
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , te [plaats 1] ,
tezamen: eisers,
gemachtigde: mr. J. de Haas,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, het college,
Derde belanghebbende: [derde belanghebbende] , te [plaats 2] , bewoonster,
gemachtigde: mr. R.M. Königel.
BRE 24/4066
[derde belanghebbende] , te [plaats 2] , eiseres, gemachtigde: mr. R.M. Königel,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, het college,
Derde belanghebbenden: [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , te [plaats 1] , tezamen: betrokkenen,
gemachtigde: mr. J. de Haas.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herroeping van een last onder dwangsom (LOD). Het college heeft bij zijn primaire besluit een LOD opgelegd en in het bestreden besluit deze last herroepen. Daarnaast heeft het college een tijdelijke gedoogverklaring aan eiseres verstrekt. Eisers en eiseres zijn het niet eens met de herroeping van de LOD. Eiseres is het ook niet eens met de gedoogverklaring. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herroeping van de LOD.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de onevenredige gevolgen voor bewoonster heeft mogen afzien van handhavend optreden tegen bewoning van de woning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 20 juli 2023 heeft het college in reactie op een handhavingsverzoek van betrokkenen een LOD opgelegd aan bewoonster. Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 op de bezwaren van eiseres is LOD herroepen en daarnaast heeft het college een tijdelijke gedoogverklaring afgegeven.
2.1.
Eisers en eiseres hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, met dien verstande dat eiseres in haar beroepschrift ook opkomt tegen de gedoogverklaring. Het college heeft in beide beroepszaken een gezamenlijk verweerschrift ingediend. Eiseres heeft voor de mondelinge behandeling aangegeven dat zij een psychiater als deskundige meeneemt. Dit is dezelfde deskundige die in beroep ook een verklaring heeft opgemaakt.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [eiser 1] en [eiser 2] namens eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, [persoon 1] namens eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door deskundige dr. [deskundige] en [persoon 2] en [vertegenwoordiger college] namens het college. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek op de zitting gesloten.
2.3.
De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het onderzoek nog niet volledig was. Zij achtte het namelijk noodzakelijk dat een psychiater als deskundige onderzoek zou verrichten en daarvan schriftelijk verslag zou uitbrengen. In verband hiermee heeft de rechtbank op 24 april 2025 besloten om het onderzoek te heropenen, bepaald dat een psychiater als deskundige zou worden opgedragen onderzoek te verrichten en daarvan schriftelijk verslag uit te brengen en in beide beroepsprocedures verder iedere beslissing aangehouden. In de onderzoeksopdracht heeft de rechtbank vragen gesteld aan [psychiater] en haar verzocht bewoonster te onderzoeken, kennis te nemen van het dossier, zo nodig inlichtingen in te winnen en aan de hand van haar bevindingen haar vragen te beantwoorden.
2.4.
Op 11 februari 2026 heeft de rechtbank in de beslissing inzake toepassing van artikel 8:32 van de Awb bepaald dat kennisneming van de medische gegevens voorbehouden is aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel degene die daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen en de gemachtigde van het college bijzondere toestemming verleend om hiervan kennis te nemen. De gemachtigden van eisers en eiseres hebben de rechtbank laten weten dat een nadere zitting achterwege kon blijven. Van het college heeft de rechtbank binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen. De rechtbank sluit het onderzoek en doet hierna schriftelijk uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De partner van bewoonster exploiteerde op het perceel [adres] te [plaats 2] (perceel) een agrarisch bedrijf en op het perceel is de bedrijfswoning gebouwd. Bewoonster en hij woonden daar samen tot zijn overlijden en zij is zijn enige erfgenaam. Betrokkenen zijn de neven van de overleden partner van bewoonster. Partijen hebben op 17 mei 2022 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsgebouwen met ondergrond, erf, landbouwgrond en kavelpad, grenzend aan het perceel. Het verkochte is kadastraal geregistreerd als Gemeente Steenbergen , [sectie] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] .
3.1.
Bewoonster heeft het verkochte aan betrokkenen geleverd. Onderdeel van de verkoopovereenkomst is de vestiging van een erfdienstbaarheid ten gunste van bewoonster, uit hoofde waarvan de betrokkenen moeten dulden dat zij gebruik maakt van een strook grond om de voormalige bedrijfswoning van 4,5 meter en dat zij gebruik kan maken van de toegangsweg. Tevens is in de koopovereenkomst de verplichting van bewoonster opgenomen om de woning bij verkoop eerst aan betrokkenen aan te bieden. De voormalige bedrijfswoning blijft dus eigendom van bewoonster en de erfgrenzen zijn bij de overdracht van de gronden tussen partijen overeengekomen.
3.2.
Betrokkenen hebben het college bij brief van 28 december 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen bewoonster, omdat zij het gebruik van de bedrijfswoning door haar in strijd achten met het bestemmingsplan. Het college heeft hierna op 11 april 2023, 13 tot en met 15 juni 2023, 17 en 18 oktober 2023 en 8 en 16 november 2023 inspecties verricht. Hiervan is een rapportage opgemaakt. Strekking van de rapportage is dat bewoonster de bedrijfswoning bewoont en dat dit stuk van het perceel niet wordt gebruikt voor zakelijke en/of agrarische activiteiten. Verder is geconstateerd dat het bouwvlak sinds de kadastrale splitsing is verdeeld over twee percelen. Bij de controles is de door betrokkenen bij het handhavingsverzoek aangevoerde hinder niet geconstateerd en is in de rapportage aangegeven dat er op dat moment geen (zwaarwegende) reden bestond om tot handhaving over te gaan.
3.3.
Het college heeft bewoonster bij brief van 20 juni 2023 het voornemen kenbaar gemaakt om haar een LOD op te leggen. Bewoonster heeft op 14 juli 2023 een zienswijze tegen het voornemen ingediend. Bij besluit van 20 juli 2023 heeft het college aan bewoonster een LOD opgelegd vanwege het in strijd met het bestemmingsplan bewonen van de bedrijfswoning.
3.4.
Bewoonster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juli 2023. Betrokkenen hebben naar aanleiding van de inhoudelijke bezwaargronden een zienswijze in bezwaar ingediend. Bewoonster heeft op 27 oktober 2023 het college verzocht de begunstigingstermijn te verlengen tot vier weken na het nemen van het bestreden besluit. Bij besluit van 30 oktober 2023 heeft het college daarmee ingestemd. Op 13 december 2023 is een hoorzitting gehouden. De Commissie voor de behandeling van de bezwaarschriften (commissie) heeft in het advies van 18 december 2023 geadviseerd om het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond te verklaren. Bewoonster heeft in de bezwaargronden gewezen op medische omstandigheden die een ander licht werpen op de afweging om al dan niet bijzondere omstandigheden aan te nemen om niet tot handhaving over te gaan. De commissie achtte het op basis daarvan redelijk om tijdelijk van handhaving af te zien, maar kon niet overzien hoe lang die periode moet duren. De commissie heeft het college geadviseerd dit nader te onderzoeken en hiervoor bijvoorbeeld Stichting SAP in te schakelen.
3.5.
Het college heeft dat vervolgens ook gedaan. In de rapportage van de verzekeringsarts is gerapporteerd – naar aanleiding van de onderzoeksvraag of het voor de gezondheid van bewoonster noodzakelijk is om de bedrijfswoning te blijven wonen – dat zij dermate psychisch instabiel is dat een wijziging in haar woonsituatie haar volledig zal doen decompenseren. Het is voor haar gezondheid noodzakelijk om in de huidige woning te blijven wonen. Betrokkenen hebben op 26 februari 2024 een zienswijze tegen deze rapportage ingediend. Bewoonster had geen opmerkingen op de rapportage. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen. Het bezwaar van bewoonster tegen het besluit van 20 juli 2023 is gedeeltelijk gegrond verklaard: de opgelegde LOD is herroepen en het college heeft de overwegingen over het handelen in strijd met het bestemmingsplan gehandhaafd. Tegelijkertijd met het nemen van het bestreden besluit heeft het college ook een tijdelijke gedoogverklaring aan bewoonster verstuurd. Uit hoofde hiervan gedoogt het college tijdelijk de bewoning door bewoonster van de voormalige bedrijfswoning. Het college heeft hieraan de volgende voorwaarden verbonden: de gedoogverklaring is persoons- en objectgebonden en eindigde per 1 april 2026. Daarna zou de gezondheid van bewoonster worden geëvalueerd en beoordeeld of er alsnog tot handhaving overgegaan dient te worden. De gedoogverklaring zou vervallen als bewoonster de bewoning van de bedrijfswoning staakte of wanneer de voorwaarden overtreden werden.
Niet-ontvankelijkheid beroep eiseres (BRE 24/4066)
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen zowel het bestreden besluit als tegen de gedoogverklaring. De rechtbank is met het college van oordeel dat het beroep van eiseres tegen de gedoogverklaring niet-ontvankelijk is. Het college heeft naar haar oordeel in het verweerschrift terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 april 2019. In die uitspraak heeft de Afdeling, onder verwijzing naar een opgevraagde conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 16 januari 2019, geoordeeld dat er tegen een gedoogbeslissing geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. Een beslissing om niet tot handhaving over te gaan berust niet op een zelfstandige bevoegdheid, maar vloeit voort uit een wettelijk toegekende bevoegdheid tot het nemen van een handhavingsbesluit. De aan bewoonster verleende gedoogverklaring is daarom geen besluit en deze kan ook niet hiermee gelijkgesteld worden. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake van een zeer uitzonderlijk geval waardoor er van deze benadering moet worden afgeweken. Hiervan is niet gebleken, nu zij eerder bezwaar kon maken tegen de LOD en als derde-partij betrokken wordt in de beroepsprocedure van eisers tegen de herroeping hiervan. In hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ziet de rechtbank ook aanleiding om het beroepschrift tegen de gedoogbeschikking niet als bezwaarschrift naar het college door te zenden.
5. Verder stelt het college terecht dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit zelf ook niet-ontvankelijk is. Het college heeft bij het bestreden besluit namelijk de opgelegde LOD ingetrokken. Daarmee heeft eiseres wat zij beoogde te bereiken, namelijk het uitblijven van handhavend optreden tegen haar bewoning van de bedrijfswoning. Zij betwist ook niet dat het gebruik van die woning door haar in strijd is met het bestemmingsplan. Om die reden heeft eiseres geen procesbelang bij haar beroep tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank zal daarom het beroep van eiseres tegen zowel de gedoogbeslissing als het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren.
Omvang geschil
7. Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het bewonen van de bedrijfswoning op het perceel in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank beoordeelt daarom enkel of het college met het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden.
Wettelijk kader
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: de Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: de Iw Ow) in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 28 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd?
9. Eisers hebben aangevoerd dat het bestreden besluit getuigt van strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van Stichting SAP, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering en het aansluiten van de conclusies daarop. Daarmee is het bestreden besluit volgens hen onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak mag het college afgaan op een deskundigenadvies, zoals het advies van Stichting SAP, als het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Eisers kunnen concrete aanknopingspunten naar voren brengen die leiden tot twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de redenering en het aansluiten daarop van de conclusies. Als zij die aanknopingspunten naar voren hebben gebracht, mag het college niet zonder nadere motivering op het deskundigenadvies afgaan. Zo nodig moet het college de deskundige om een reactie vragen op wat eisers over een deskundigenadvies hebben aangevoerd.
9.2.
Tijdens de zitting is desgevraagd namens het college naar voren gebracht dat het bij het college niet bekend is welke medische stukken door de adviseur zijn betrokken, welke onderzoekshandelingen door hem zijn verricht en welke vragen hij aan bewoonster heeft gesteld. Het college is uitgegaan van de expertise van de adviseur op basis van de aan hem voorgelegde vraagstelling. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn vergewisplicht. De enkele stelling van het college op de zitting dat het de rapportage van Stichting SAP met de andere in het dossier aanwezige rapportages heeft vergeleken, maakt dat niet anders. Uit niets is namelijk komen vast te staan dat het college dit daadwerkelijk heeft gedaan en wat hier de uitkomst van was. Op de zitting heeft het college dit ook niet verder toegelicht of onderbouwd. Het college heeft verder gesteld dat eisers geen contra-rapportage hebben ingediend, maar dit was voor eisers zonder medewerking van bewoonster en inzage in haar medische dossier ook niet mogelijk. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt.
Benoeming deskundige
10. Eisers hebben de rechtbank mede in verband met het hiervoor genoemde gebrek verzocht om een deskundige aan te wijzen. In de uiteenlopende visies van partijen over de ernst van de klachten van bewoonster en de gevolgen van handhavend optreden tegen de bewoning van de woning op het perceel voor haar psychische gesteldheid heeft de rechtbank aanleiding gezien om de gevraagde deskundige in te schakelen. De door de rechtbank aangewezen psychiater heeft op 19 januari 2026 een rapportage uitgebracht. Door de benoeming van de deskundige in beroep is de door eisers gestelde ongelijke positie in bezwaar gecompenseerd. Het beroep van eisers op de uitspraak Korošec behoeft daarom geen verdere bespreking.
Mocht het college het handhavingsverzoek afwijzen?
11. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende medische omstandigheden zijn om onevenredigheid van handhavend optreden aan te nemen. De afhankelijkheid van het blijven bewonen van de agrarische bedrijfswoning door bewoonster is volgens hen onvoldoende aangetoond.
12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze geldt voor de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
13. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
14. De door de rechtbank ingeschakelde psychiater heeft geconcludeerd dat eiseres complexe en chronische psychische klachten heeft, in combinatie met een hoge crisisgevoeligheid en een minimale draagkracht. De deskundige acht de kans aanzienlijk dat eiseres psychisch ernstig decompenseert als zij de voormalige bedrijfswoning noodgedwongen moet verlaten. Volgens vaste rechtspraak geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het onderzoek door de deskundige is als zorgvuldig aan te merken. De deskundige heeft de aanwezige medische informatie in de beoordeling betrokken, waaronder diverse rapportages van de behandelend sector van eiseres in de periode vanaf 2010. De deskundige heeft in haar rapport de bevindingen van het onderzoek nauwkeurig weergegeven. Het rapport van de deskundige is inzichtelijk en consistent. Er is geen aanleiding het rapport en de hierin getrokken conclusies van de deskundige niet te volgen. De rechtbank ziet in de situatie van bewoonster daarom aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig, in het bijzonder onevenwichtig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep van eisers (BRE 24/4065) is gegrond gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 9. tot en met 9.2 is overwogen. Het college heeft het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in het advies van de door haar ingeschakelde deskundige aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat het college niet handhavend zal optreden tegen de bewoning door bewoonster van de bedrijfswoning op het perceel.
16. Omdat het beroep gegrond is moet het college wel het griffierecht van € 371,- aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding voor hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
17. Het beroep van eiseres (BRE 24/4066) is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiseres (BRE 24/4066) tegen het bestreden besluit en de gedoogbeschikking niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van eisers (BRE 24/4065) gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2024;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 23 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
ECLI:NL:RVS:2019:1356.
Conclusie advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:86.
Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:326, r.o. 5.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
Vgl. de uitspraak van de CRvB van 3 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1163. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|