|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9388 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/212 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/212
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 januari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 4 september 2026 afgemeld. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 28 juli 2026, 10:04 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 28 juli 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Feiten
2. De auto met [kenteken] stond op 5 augustus 2024 omstreeks 18:20 uur stil aan de Speelhuislaan te Breda. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,15, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2024 van de gemeente Breda (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een (motor)voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
4.1.
De Speelhuislaan in Breda is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
4.2.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat geen sprake was van een parkeeractie, maar van kortstondig laden en/of lossen. Voorts stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar een omgekeerde bewijslast hanteert, en dat de door de heffingsambtenaar aangeleverde foto’s de naheffingsaanslag niet voldoende onderbouwen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de heffingsambtenaar is om feiten te stellen en – bij betwisting daarvan – aannemelijk te maken dat de auto van belanghebbende heef stilgestaan op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. Als de belanghebbende, zoals in dit geval, zich erop beroept dat geen parkeerbelasting is verschuldigd omdat sprake was van het laden en lossen van goederen, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de daarvoor benodigde feiten op die belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in zijn bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe het volgende. Niet in geschil is dat de auto stilstond in een parkeervak aan de Speelhuislaan en dat geen parkeerbelasting was voldaan. Op de door de scanauto gemaakte foto’s van de auto zijn geen bijzondere activiteiten waarneembaar, zoals openstaande deuren, personen, en/of goederen. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende stelt, de auto slechts korte tijd zou hebben stilgestaan, maakt niet dat geen sprake is van parkeren. Dit volgt onder meer uit uitspraken van gerechtshof Den Haag, waarin is geoordeeld dat het gedurende korte tijd stilzetten van een auto op een parkeerplaats om te telefoneren of om op een briefje de route te bekijken dient te worden aangemerkt als parkeren.
4.4.
De rechtbank overweegt dat van laden en lossen sprake is bij het doen of laten staan van een voertuig voor het voortdurend in- en/of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet daarbij gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Indien de belanghebbende zich erop beroept dat sprake is geweest van laden en lossen, zal vastgesteld moeten worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het laden en lossen.
4.5.
Nu belanghebbende stelt dat sprake is van laden en lossen van goederen, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hiervan sprake was. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet in zijn bewijslast is geslaagd. De foto’s waarnaar belanghebbende in de bezwaarprocedure verwijst, zijn gemaakt op een andere datum – namelijk op
21 augustus 2024 – en tonen bovendien dat de auto op een andere locatie stilstond dan de locatie waar de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd. Verder heeft belanghebbende zijn stelling niet nader toegelicht en onderbouwd.
4.6.
Het voorgaande betekent dat sprake was van parkeren en dat belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd was. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.7.
Belanghebbende heeft schriftelijk geklaagd over de lange duur van de procedure. De rechtbank heeft deze klacht opgevat als een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.8.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 3 september 2024. De rechtbank doet uitspraak op 28 september 2026, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond één maand.
4.9.
In belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden wordt - behoudens bijzondere omstandigheden - verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Een bijzondere omstandigheid is het geval dat het financiële belang van belanghebbende bij de procedure lager dan € 1.000 is en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Deze bijzondere omstandigheid is in onderhavige situatie aan de orde. De rechtbank kent in dit geval daarom geen vergoeding van immateriële schade toe, maar volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8 van de Verordening gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2024.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90, r.o. 4.4.
Gerechtshof Den Haag 18 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:56.
Gerechtshof Den Haag 12 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2380.
Hoge Raad 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|