|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1199 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-03-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202403396/1/R1 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 20 camperplaatsen en het verplaatsen van een kantoorunit op het perceel [locatie] in Zuidoostbeemster. Het college heeft aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van 20 camperplaatsen en het verplaatsen van een kantoorunit op het perceel [locatie] in Zuidoostbeemster, voor de duur van 5 jaar. De omgevingsvergunning is al in gebruik genomen en geldt tot 28 oktober 2027. De stichting komt op voor de "groene kwaliteiten" in de regio Waterland. Volgens de stichting tast de plaatsing van 20 camperplaatsen de kernkwaliteiten van de UNESCO-werelderfgoederen Droogmakerij de Beemster en De Stelling van Amsterdam aan. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan mocht verlenen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | glastuinbouw | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | 202403396/1/R1.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Behoud Waterland, gevestigd in Broek in Waterland, gemeente Waterland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2024 in zaak nr. 23/3394 en 24/2104 in het geding tussen onder meer:
de stichting,
en
het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft het college aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 20 camperplaatsen en het verplaatsen van een kantoorunit op het perceel [locatie] in Zuidoostbeemster.
Bij besluit van 14 april 2023 heeft het college het door onder meer de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank het door onder meer de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De stichting heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.G. van der Eijk en S.J. van Dam, zijn verschenen. Ook is ter zitting [partij] gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft aan [partij] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van 20 camperplaatsen en het verplaatsen van een kantoorunit op het perceel [locatie] in Zuidoostbeemster, voor de duur van 5 jaar. De omgevingsvergunning is al in gebruik genomen en geldt tot 28 oktober 2027. De stichting komt op voor de "groene kwaliteiten" in de regio Waterland. Volgens de stichting tast de plaatsing van 20 camperplaatsen de kernkwaliteiten van de UNESCO-werelderfgoederen Droogmakerij de Beemster en De Stelling van Amsterdam aan.
3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021", waarin het perceel of een deel daarvan de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - Glastuinbouw", "Waarde - Cultuurhistorie", "Waterstaat - Waterkering" en "Waarde - Archeologie" met de functieaanduiding "specifieke vorm van waarde - 3" heeft. De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan. Volgens artikel 3.4.1, aanhef en onder c, van de planregels is het gebruik voor verblijfsrecreatie als strijdig gebruik aangemerkt, tenzij het perceel de aanduiding kampeerterrein heeft. Dat laatste is hier niet het geval. In artikel 3.5.3 van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag van artikel 3.4.1, aanhef en onder c, kan afwijken voor een kampeerterrein, mits de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster of van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam worden behouden en/of versterkt. Ook zijn daarin andere voorwaarden opgenomen.
4. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor). Artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor bepaalt dat ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar mogelijk is. In dit geval is de vergunning verleend voor de duur van 5 jaar.
Een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kan alleen worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op 21 oktober 2022 is er een ruimtelijke onderbouwing voor de aanvraag opgesteld, die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning.
Mocht het college de tijdelijke omgevingsvergunning verlenen?
5. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan mocht verlenen. Dat komt omdat de omgevingsvergunning in strijd is met de Omgevingsverordening NH 2020 vanwege de aantasting van de kernkwaliteiten van de UNESCO-werelderfgoederen Droogmakerij de Beemster en De Stelling van Amsterdam. Volgens de stichting wordt het open karakter van het landschap aangetast en zorgt de ontwikkeling voor een toename van geluid. De campers worden jaarrond geplaatst en zullen het hele jaar te zien zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties mag voor het gebied bestemd als "Agrarisch" worden afgeweken van het kampeerverbod uit het bestemmingsplan en die situatie doet zich hier volgens de stichting niet voor.
5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster en De Stelling van Amsterdam niet aantast. Daarbij heeft het college terecht aan artikel 6:49, derde lid, van de Omgevingsverordening NH 2020 getoetst. Daarin is namelijk bepaald dat alleen toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor als de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster en De Stelling van Amsterdam niet worden aangetast. In dit geval gaat het vooral over de relatief grote openheid van het gebied, inclusief de openheid rondom het Fort Benoorden Purmerend, en de groene en relatief stille ring rond Amsterdam. De omgevingsvergunning is verleend voor verrijdbare campers die niet jaarrond gelijktijdig worden geplaatst. Daarmee gaat het niet om bouwwerken die permanent aanwezig zijn en heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de zichtlijnen niet worden doorbroken. In dat verband heeft het college op de zitting toegelicht dat het perceel lager ligt dan de naastgelegen dijk. Verder gaat het hier om een kleinschalige ontwikkeling, waarbij de nieuwe ontwikkeling de huidige functie van dit deel van het perceel vervangt. In dat verband ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze ontwikkeling zorgt voor een aantasting van de relatief stille omgeving.
5.2. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Het college mocht de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verlenen, zoals het heeft gedaan. Het bestemmingsplan biedt namelijk op zichzelf de mogelijkheid om af te wijken voor kleinschalig kamperen. Dit initiatief is in overeenstemming met dat uitgangspunt. Daarbij komt dat het initiatief de kernwaarden van het gebied niet aantast en het om een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan gaat. Wat de stichting aanvoert over een lopende procedure over het bestemmingsplan, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel, alleen al omdat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid niet is toegepast en het hier gaat om een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
672-1185 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|