|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1371 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-03-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202204580/1/R4 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 2 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Nunspeet het bestemmingsplan "Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoenarbeiders e.a." vastgesteld. Het parapluplan voorziet in regels over twee verschillende onderwerpen. Ten eerste heeft de raad regels gesteld voor onzelfstandige bewoning binnen woonbestemmingen. Ten tweede heeft de raad regels gesteld voor logies voor arbeidsmigranten en seizoenarbeiders. Tegen dat laatste komt [appellant] op. [appellant] woont aan de [locatie] in Nunspeet, naast Landgoed De Grote Bunte. Op het landgoed worden arbeidsmigranten gehuisvest en [appellant] ondervindt daar overlast van. Hij komt op tegen het parapluplan, omdat het plan volgens hem mogelijk maakt dat zonder meer grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten wordt toegestaan op het landgoed. Volgens [appellant] past de huisvesting niet en kan dat ook niet worden ingepast vanwege de ligging in de bebouwde kom, ingeklemd tussen twee woonwijken. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | planschade | | | varkens | | | | Uitspraak | 202204580/1/R4.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B] ([appellant]), wonend in Nunspeet,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Nunspeet,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoenarbeiders e.a." vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en Landgoed De Grote Bunte B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 202403599/1/R4 en 202403875/1/R4 op een zitting behandeld op 31 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, rechtsbijstandsverlener in Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat in Arnhem, en mr. E. Bouma, zijn verschenen. Verder is op zitting Landgoed De Grote Bunte B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 26 januari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het parapluplan voorziet in regels over twee verschillende onderwerpen. Ten eerste heeft de raad regels gesteld voor onzelfstandige bewoning binnen woonbestemmingen. Ten tweede heeft de raad regels gesteld voor logies voor arbeidsmigranten en seizoenarbeiders. Tegen dat laatste komt [appellant] op.
[appellant] woont aan de [locatie] in Nunspeet, naast Landgoed De Grote Bunte. Op het landgoed worden arbeidsmigranten gehuisvest en [appellant] ondervindt daar overlast van. Hij komt op tegen het parapluplan, omdat het plan volgens hem mogelijk maakt dat zonder meer grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten wordt toegestaan op het landgoed. Volgens [appellant] past de huisvesting niet en kan dat ook niet worden ingepast vanwege de ligging in de bebouwde kom, ingeklemd tussen twee woonwijken.
Ontvankelijkheid
3. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het hele parapluplan, maar alleen voor zover het plan ziet op het landgoed.
3.1. Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Maar bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.
De Afdeling stelt vast dat een ieder zienswijzen naar voren kon brengen over het ontwerpparapluplan. [appellant] heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding om te beoordelen of [appellant] belanghebbende is bij het hele parapluplan.
Toetsingskader bestemmingsplannen
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Motivering maxima
5. [appellant] betoogt dat artikel 4.2.2 van de planregels onvoldoende gemotiveerd is. Volgens [appellant] heeft de raad niet onderbouwd waarom in het ene geval logies aan maximaal 50 arbeidsmigranten kan worden toegestaan en in het andere geval maximaal 70. Ook is volgens hem niet onderbouwd waarom in het ene geval het logies voor maximaal 3 jaar mag worden vergund en in het andere geval voor maximaal 10 jaar.
5.1. Artikel 4.2.2 van de planregels bevat, kort samengevat, de voorwaarden waaronder het college van burgemeester en wethouders een tijdelijke omgevingsvergunning kan verlenen voor de huisvesting van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders in bestaande gebouwen. Voor te herontwikkelen gebouwen binnen de bebouwde kom kan het college die vergunning verlenen voor logies aan maximaal 50 personen voor de duur van maximaal 3 jaar met de mogelijkheid tot verlenging. Voor voormalige recreatieparken kan het college dat voor logies aan maximaal 70 personen voor maximaal 3 jaar met de mogelijkheid tot verlenging. Artikel 4.2.4 bevat de voorwaarden waaronder een tijdelijke omgevingsvergunning kan worden verleend voor het plaatsen van woonunits of andere bouwwerken en gebouwen voor het bieden van logies aan arbeidsmigranten/seizoenarbeiders. Daarin is bepaald dat dat voor maximaal 10 jaar kan, waarbij het mogelijk is die periode te verlengen.
5.2. De raad heeft in de reactie op de zienswijze van [appellant] toegelicht dat zowel voor het maximaal aantal personen van 50 als voor de maximale duur van 3 jaar aansluiting is gezocht bij de maxima die omliggende gemeenten hanteren. Gezien het aantal inwoners dat Nunspeet heeft heeft de raad gekozen voor het laagste maximum van 50 personen voor bestaande gebouwen in de bebouwde kom. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat ook het maximum van 70 personen voor voormalige recreatieparken is ontleend aan wat omliggende gemeenten hanteren. Verder heeft de raad toegelicht dat uit eerdere ervaring met recreatieparken is gebleken dat maximaal 70 personen aanvaardbaar is.
In zijn reactie op de zienswijze van [appellant] en in het verweerschrift heeft de raad verder toegelicht dat voor wat betreft de termijn van 10 jaar is aangesloten bij de termijn voor een tijdelijke vergunning die kan worden verleend op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Gelet op deze toelichting heeft de raad wel een onderbouwing gegeven voor de maxima van 50 en 70 personen en van 3 en 10 jaar in de artikelen 4.2.2 en 4.2.4 van de planregels. Voor het overige heeft [appellant] niet met concrete argumenten betoogd dat deze onderbouwing onjuist of ontoereikend is.
Het betoog slaagt niet.
Rechtszekerheid
6. [appellant] betoogt dat de woorden "in hoofdzaak" in artikel 4.2.3, derde lid, van de planregels onduidelijk zijn. Daarin staat dat aangetoond dient te worden dat de arbeidsmigranten/seizoenarbeiders (in hoofdzaak) werkzaam zijn in de gemeente Nunspeet. Het is [appellant] niet duidelijk of daarmee bedoeld wordt dat de arbeidsmigranten en seizoenarbeiders tenminste 51% van de tijd werkzaam moeten zijn in de gemeente Nunspeet, of dat het begrip "in hoofdzaak" bijvoorbeeld is gekoppeld aan de duur van het verblijf. Volgens [appellant] is deze planregel daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
6.1. Met de woorden "in hoofdzaak" is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat aangetoond moet worden dat de arbeidsmigranten en seizoenarbeiders voor het grootste deel in de gemeente Nunspeet werkzaam moeten zijn. Dat kan door aan te tonen dat het grootste deel, oftewel meer dan 50%, van de arbeidsmigranten en seizoenarbeiders werkzaam is in de gemeente Nunspeet of door aan te tonen dat de arbeidsmigranten en seizoenarbeiders meer dan 50% van hun werkzaamheden verrichten in de gemeente Nunspeet. Dat op verschillende manieren kan worden aangetoond dat de arbeidsmigranten en seizoenarbeiders in hoofdzaak in de gemeente Nunspeet werkzaam zijn, maakt het begrip "in hoofdzaak" nog niet rechtsonzeker. De Afdeling ziet dan ook geen reden om te oordelen dat artikel 4.2.3, derde lid, van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid.
Het betoog slaagt niet.
Ingetrokken betoog
7. Op de zitting heeft [appellant] zijn betoog over het risico dat planschade vergoed moet worden, ingetrokken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kors
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
687-1069 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|