Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:1815 
 
Datum uitspraak:01-04-2026
Datum gepubliceerd:01-04-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202305143/1/R1
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 31 maart 2021, gewijzigd bij besluit van 8 april 2021, heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan [appellante sub 1A] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfspand met kantoor ten behoeve van de vestiging van een waspeencentrum op de locatie [locatie 1] in Noordwijk. [appellante sub 1] exploiteert een onderneming voor het wassen, polijsten en verpakken van waspenen. Omdat de huidige locatie van de onderneming op een bedrijventerrein in Rijnsburg beperkingen in de bedrijfsvoering kent en onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden heeft, heeft [appellante sub 1] op de locatie [locatie 1] grond gekocht. Het gaat om de kadastrale percelen 258 en 259. [appellante sub 1] is van plan om haar bedrijfsactiviteiten naar deze locatie te verplaatsen en uit te breiden. Het bouwplan voorziet in de bouw van een bedrijfspand met kantoor voor de vestiging van het waspeencentrum. De voorziene bebouwing heeft een oppervlakte van ongeveer 6.381 m², een goothoogte van 10,7 m en een bouwhoogte van 12,2 m.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
geurhinder
omgevingsvergunning
perceel
stikstofdepositie
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
202305143/1/R1.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], beide gevestigd in Katwijk ([appellante sub 1]),
2.       [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Noordwijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2023 in zaak nr. 21/3628 in het geding tussen:
[appellant sub 2] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2021, gewijzigd bij besluit van 8 april 2021, heeft het college aan [appellante sub 1A] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfspand met kantoor ten behoeve van de vestiging van een waspeencentrum op de locatie [locatie 1] in Noordwijk.
Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2021, zoals gewijzigd op 8 april 2021, vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellant sub 2] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat in Heerenveen, [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. J.J.M. van Lint, advocaat in Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Struik, bijgestaan door mr. C.H. Norde, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 oktober 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.       [appellante sub 1] exploiteert een onderneming voor het wassen, polijsten en verpakken van waspenen. Omdat de huidige locatie van de onderneming op een bedrijventerrein in Rijnsburg beperkingen in de bedrijfsvoering kent en onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden heeft, heeft [appellante sub 1] op de locatie [locatie 1] grond gekocht. Het gaat om de kadastrale percelen 258 en 259. [appellante sub 1] is van plan om haar bedrijfsactiviteiten naar deze locatie te verplaatsen en uit te breiden. Het bouwplan voorziet in de bouw van een bedrijfspand met kantoor voor de vestiging van het waspeencentrum. De voorziene bebouwing heeft een oppervlakte van ongeveer 6.381 m², een goothoogte van 10,7 m en een bouwhoogte van 12,2 m.
Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" rust op de percelen de enkelbestemming "Bedrijf-Agrarisch aanverwant", met de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4". Deze gronden zijn gelet op de enkelbestemming bestemd voor aan het bollencomplex verwante niet-agrarische bedrijven en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Niet ter discussie staat dat waspenen geen bollen zijn maar groenten. Ook staat niet ter discussie dat dat de verwerking of bewerking daarvan niet wordt beschouwd als "aan het bollencomplex verwante niet-agrarische bedrijven" als bedoeld in de enkelbestemming. Het bouwplan is daarom in strijd met deze bestemming en voldoet ook niet aan de in het bestemmingsplan opgenomen bouwregels. Om het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend.
[appellant sub 2] en anderen zijn eigenaar van aangrenzende percelen en een woning in de directe omgeving van het perceel. Zij verzetten zich tegen de verleende omgevingsvergunning.
4.       De rechtbank heeft in het aangevoerde geen grond gezien voor het oordeel dat de vergunde activiteiten in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de afwijking van het bestemmingsplan kunnen vergunnen. Over de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo heeft de rechtbank geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 6.17 van de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019 en dat de vereiste ontheffing van het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland ontbreekt. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Toetsingskader
5.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Het hoger beroep van [appellante sub 1]
Welstand
6.       [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ten onrechte heeft volstaan met het terzijde schuiven van het negatieve welstandsadvies van de Welstandscommissie, zonder vervolgens zelf te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Volgens [appellante sub 1] heeft het college wel zelf een oordeel gevormd over de vraag of het bouwplan wat betreft omvang in het landschap inpasbaar is. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, zoals de voorzieningenrechter van de rechtbank ook heeft geoordeeld in de uitspraak van 8 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7063.
6.1.    De Welstandscommissie heeft onder verwijzing naar de Welstandsnota Noordwijk 2019 op 19 februari 2020 een negatief welstandsadvies over het bouwplan gegeven. In dit advies is, kort weergegeven, vermeld dat de schaalvergroting op het perceel een ongewenste aantasting van de landschappelijke kenmerken van het gebied oplevert. Het college is aan het negatieve advies van de welstandscommissie voorbij gegaan. Het heeft hierover in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning vermeld dat het negatief advies vooral is gebaseerd op stedenbouwkundige aspecten van het bouwplan, terwijl de stedenbouwkundigen van de gemeente zich op het standpunt hebben gesteld dat de voorziene bebouwing weliswaar fors van schaal is, maar landschappelijk inpasbaar is. Omdat de vakspecialisten het dus niet eens zijn over de landschappelijke inpassing van de voorziene bebouwing, kent het college doorslaggevende betekenis toe aan andere aspecten, zo staat in het besluit vermeld.
6.2.    De rechtbank heeft hierover overwogen dat in de omvang van de voorziene bebouwing in dit geval geen grond kan zijn gelegen voor een negatief welstandsoordeel en dat het college in zoverre dus voorbij heeft mogen gaan aan het advies van de Welstandscommissie. Maar het college moet dan nog wel zelf beoordelen of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Dat heeft het college niet gedaan. Voor zover het college heeft beoogd om met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo de omgevingsvergunning op grond van andere redenen te verlenen, heeft de rechtbank overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd en inzichtelijk heeft gemaakt dat die redenen zich voordoen.
6.3.    In wat [appellante sub 1] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich bij de toetsing van het bouwplan een oordeel heeft gevormd over de vraag of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De door [appellante sub 1] aangehaalde passages in de ruimtelijke onderbouwing en in de omgevingsvergunning gaan uitsluitend over de aanvaardbaarheid van de omvang van de voorziene bebouwing. Daaruit blijkt niet dat het college heeft beoordeeld of het bouwplan op andere onderdelen dan deze stedenbouwkundige aspecten al dan niet voldoet aan de criteria in de Welstandsnota. In het besluit heeft het college juist in het midden gelaten of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Voor zover [appellante sub 1] heeft gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2021, overweegt de Afdeling dat de rechtbank niet gebonden is aan dit voorlopig oordeel.
Het betoog slaagt niet.
De Omgevingsverordening Zuid-Holland
7.       [appellante sub 1] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 6.17 van de Omgevingsverordening en dat daarom een ontheffing van het college van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 6.29 van de Omgevingsverordening nodig is. Hierover heeft [appellante sub 1] aangevoerd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6.17, zesde of zevende lid, van de Omgevingsverordening. Vestiging van het voorziene waspeencentrum op deze locatie is daarom bij wijze van uitzondering mogelijk en is dus niet in strijd met de Omgevingsverordening. Dat het college van gedeputeerde staten geen beroep heeft ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning, ziet [appellante sub 1] als een bevestiging van de juistheid van zijn standpunt.
Volgens [appellante sub 1] heeft de rechtbank een te beperkte uitleg gegeven aan het zesde lid van artikel 6.17. [appellante sub 1] heeft er in dit verband op gewezen dat de vestiging van het waspeencentrum de ruimtelijke structuur en het woon- en leefklimaat zal verbeteren en daarnaast een bijdrage zal leveren aan de bollenteeltsector.
[appellante sub 1] heeft verder aangevoerd dat met toepassing van artikel 6.17, zevende lid, van de Omgevingsverordening niet uitsluitend een beperkte uitbreiding mogelijk is van bebouwing die niet ten dienste staat aan bollenteeltbedrijf, zoals de rechtbank heeft overwogen. Met verwijzing naar de hiervoor al vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter betoogt [appellante sub 1] dat het zevende lid zo moet worden gelezen dat dit zowel uitbreiding van bestaande bebouwing als een functiewijziging mogelijk maakt, waarbij voor de functiewijziging niet de beperking geldt dat de bebouwing slechts beperkt mag worden uitgebreid. Volgens [appellante sub 1] is het voor de toepasselijkheid van artikel 6.17, zevende lid, in dit geval dus uitsluitend van belang dat er geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Dat is volgens [appellante sub 1] niet het geval.
7.1.    De Afdeling stelt vast dat volgens de bij de Omgevingsverordening behorende kaart 11 het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als Bollenteeltgebied. In artikel 6.17, eerste lid, van de Omgevingsverordening is bepaald dat op deze gronden primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven zijn toegestaan. Het voorziene waspeencentrum is geen bollenteeltbedrijf in de zin van de Omgevingsverordening. Het bouwplan op deze locatie is dus in strijd met artikel 6.17, eerste lid, tenzij voldaan wordt aan de voorwaarden van het zesde of zevende lid van dit artikel.
Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 6.17, zesde lid, van de Omgevingsverordening. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, vereist deze bepaling dat met de komst van het waspeencentrum naar het perceel een zwaarwegend algemeen belang is gediend. Wat [appellante sub 1] in dit verband naar voren heeft gebracht, waaronder de op de zitting gestelde bedrijfsbelangen, kan niet worden aangemerkt als een zwaarwegend algemeen belang als bedoeld in het zesde lid. Dat betekent dat deze uitzonderingsmogelijkheid niet van toepassing is.
Wat [appellante sub 1] heeft aangevoerd over de toepasselijkheid van artikel 6.17, zevende lid, biedt ook geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat met artikel 6.17, zevende lid, naast bestaande bebouwing alleen een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing mogelijk wordt gemaakt. De Afdeling onderschrijft ook de onder 15.8 tot en met 15.10 opgenomen overwegingen in de uitspraak van de rechtbank, waarop dat oordeel is gebaseerd. Niet in geschil is dat het bouwplan niet voorziet in een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing in de zin van artikel 6.17, zevende lid, van de Omgevingsverordening.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande dan ook terecht overwogen dat de vestiging van het waspeencentrum op deze locatie in strijd is met artikel 6.17 van de Omgevingsverordening. Dat het college van gedeputeerde staten geen beroep heeft ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning, wat daarvan de reden ook is geweest, kan niet afdoen aan dit juridisch oordeel.
Het betoog slaagt niet.
8.       Ook slaagt het betoog van [appellante sub 1] dat de rechtbank toepassing had moeten geven aan artikel 8:51a van de Awb niet. De aan de rechtbank toegekende bevoegdheid om ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen is namelijk discretionair van aard. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank gehouden was een bestuurlijke lus toe te passen.
Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen
Intrekking beroepsgrond
9.       Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen het betoog dat toepassing van artikel 8:69a van de Awb bij de aangevoerde beroepsgrond over het onderzoek naar stikstofdepositie waarschijnlijk in strijd is met het Verdrag van Aarhus, ingetrokken.
Landschappelijke inpassing
10.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omvang van het voorziene bedrijfspand zo groot is, dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Volgens [appellant sub 2] en anderen zal een gebouw van deze omvang het open landschap ernstig aantasten en past het daarom niet op deze locatie. [appellant sub 2] en anderen hebben verder aangevoerd dat het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift om uitvoering te geven aan het "Beplantingsplan [locatie 2]" er niet toe zal leiden dat het gebouw aan het zicht wordt onttrokken. Verder vragen [appellant sub 2] en anderen zich af of de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (ISG).
10.1.  In de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning staat dat de bebouwing op het perceel met ongeveer 4.980 m² toe zal nemen ten opzichte van het bestaande vergunde bedrijfspand op het perceel. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is deze forse uitbreiding stedenbouwkundig gezien aanvaardbaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat het perceel solitair in het landelijk gebied ligt en dat de nieuwe bebouwing op afstand van de erfgrens en binnen het verlengde van de bestaande zijgevels van het bedrijfsgebouw zal liggen, waardoor de zichtlijnen naar het achterland vanaf de Leidsevaart niet zullen worden aangetast. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan met gebruikmaking van de juiste materialen en de verplichte aanleg van een groenvoorziening goed landschappelijk inpasbaar is. Daarom heeft het college als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat het ingediende "Beplantingsplan [locatie 2]" van 3 februari 2021 binnen één jaar na afronding van de bouw wordt uitgevoerd.
10.2.  De Afdeling ziet in de aangevoerde gronden geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd over de landschappelijke inpassing van het bouwplan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze gronden en in de onder 5.2 van de uitspraak opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.      De Afdeling voegt daar nog aan toe dat de rechtbank de vergroting van de voorziene bebouwing ten opzichte van de bestaande en planologisch toegestane bebouwing kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Wat betreft de groeninpassing heeft de rechtbank verder terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het vergunningvoorschrift over de uitvoering van het beplantingsplan niet concreet genoeg en daardoor niet handhaafbaar zou zijn. Ook heeft de rechtbank in de gestelde omstandigheid dat de in het beplantingsplan vermelde bomen niet wintergroen zijn en de houtsingel daardoor niet het gehele jaar gesloten zal zijn, geen grond hoeven zien voor het oordeel dat de landschappelijk inpassing als onvoldoende moet worden gekwalificeerd. Het beplantingsplan voorziet in de aanleg en het beheer van een redelijk dicht beplante houtsingel van minimaal 5 m breed, die de bebouwing ook zonder blad in de winter deels aan het zicht zal onttrekken.
Het betoog slaagt niet.
Stikstofberekening
11.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank de beoordeling van de aangevoerde beroepsgrond over het uitgevoerde onderzoek naar de stikstofdepositie in het nabij gelegen Natura-2000 gebied Kennemerland-Zuid ten onrechte achterwege heeft gelaten vanwege het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste. Zij hebben hierover aangevoerd dat de woning van [appellant sub 2] weliswaar op een afstand van 2,7 km van het Natura-2000 gebied ligt, maar dat [appellant sub 2B] en [appellant sub 2A] dichterbij op ongeveer 1,9 km van het gebied wonen in Noordwijkerhout, zodat de rechtbank wel aan een inhoudelijke bespreking van de gronden toe had moeten komen.
11.1.  Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
11.2.  Het betoog gaat over de stikstofgevolgen van het bouwplan voor de natuur. Het wettelijke kader hiervoor is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000‑gebied, zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Aangezien [appellant sub 2B] en [appellant sub 2A] op een afstand van ongeveer 1,9 km van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid wonen, maakt dit Natura 2000-gebied geen deel uit van hun directe leefomgeving. Er bestaat daarom geen verwevenheid tussen hun belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen.
Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt verder dat de bepalingen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van belangen van degene die eigendommen heeft buiten het betrokken Natura 2000‑gebied en die vreest dat hij in de bedrijfsvoering wordt beperkt. [appellant sub 2B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C] kunnen zich dus ook niet in hun hoedanigheid als eigenaar van aan het perceel grenzende bollengronden beroepen op de betrokken normen uit de Wnb.
Het voorgaande betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning op basis van deze beroepsgrond. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat rechtbank deze beroepsgrond had moeten beoordelen.
Het betoog slaagt niet.
Water
12.     [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in het geheel geen onderzoek heeft gedaan naar mogelijke negatieve gevolgen van de lozing van afvalwater voor omliggende bollengronden en dat het besluit daarom onzorgvuldig is voorbereid. Zij betwijfelen dat het afvalwater gelet op de hoeveelheid daarvan alleen op de riolering zal worden geloosd, zoals uit de melding Activiteitenbesluit van 12 december 2019 volgt. [appellant sub 2] en anderen hebben verder aangevoerd dat een watertoets bij de stukken ontbreekt en dat het hierdoor onduidelijk is of er vanwege de toename van oppervlakteverharding watercompensatie moet plaats vinden.
12.1.  Het college heeft aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat het voorziene waspeencentrum wat betreft onder meer de lozing van afvalwater moet voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat uit de op 12 december 2019 ontvangen melding Activiteitenbesluit volgt dat het afvalwater via een stelsel van reinigingstechnieken op de riolering geloosd zal worden, zal de lozing van afvalwater volgens het college geen negatieve gevolgen hebben voor de omringende bollengronden.
12.2.  In wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de lozing van afvalwater voor de omliggende percelen. Er zijn geen aanwijzingen dat het afvalwater niet op de riolering zal worden geloosd op de wijze zoals  in de melding Activiteitenbesluit is opgenomen. Gelet daarop bestaat er ook geen  reden om aan te nemen dat de omliggende percelen zullen vernatten door een hoge waterstand van de sloten.
Voor het oordeel dat er ten onrechte geen watertoets is uitgevoerd, heeft de rechtbank verder terecht geen grond gezien. Zoals de rechtbank in aanmerking heeft genomen, staan de resultaten van de op 3 oktober 2019 uitgevoerde watertoets in de aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing vermeld. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat er geen watercompensatie hoeft plaats te vinden, omdat het bestaande perceel al geheel verhard is en dat de verharding in de nieuwe situatie dus niet zal toenemen. Dat er wel sprake zou zijn van toename van oppervlakteverharding op het perceel, hebben [appellant sub 2] en anderen niet onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
13.     De in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond over het risico op verdroging van de omliggende bollengronden als het waspeencentrum oppervlaktewater gaat gebruiken voor het wassen van de waspenen, hebben [appellant sub 2] en anderen in beroep niet aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet in hoger beroep worden aangevoerd, als die beroepsgronden niet ook bij de rechtbank zijn aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich in dit geval niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Verkeersveiligheid
14.     [appellant sub 2] en anderen betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat het aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende onderzoek naar de gevolgen voor de verkeerssituatie ter plaatse niet voldoende is. Hierover hebben zij aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen van en naar het perceel. Volgens [appellant sub 2] en anderen is nu al sprake van een onveilige verkeerssituatie op de smalle Leidsevaart. Die zal door de verwachte toename van verkeer, waaronder ook zwaar vrachtverkeer, nog onveiliger worden, zo betogen [appellant sub 2] en anderen. Dat geldt ook voor de Leidsevaart ter hoogte van de woning van [appellant sub 2], aangezien het vrachtverkeer daar ook langs zal rijden, ondanks het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift over de aanrijroute naar het waspeencentrum. [appellant sub 2] en anderen hebben er verder op gewezen dat de door het college aangekondigde nieuwe provinciale weg, waarvan het verkeer voor het waspeencentrum volgens het college gebruik zou kunnen maken, nooit is gerealiseerd.
14.1.  In de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning staat dat per saldo in de nieuwe situatie geen sprake zal zijn van extra verkeersbewegingen ten opzichte van de nu bestaande situatie, die niet onveilig is. Het college heeft verder in de omgevingsvergunning vermeld dat er plannen zijn voor een nieuwe provinciale weg, de zogenoemde bypass. Het perceel zal met de vergunde extra in- en uitrit op deze bypass kunnen worden ontsloten, zodat de toekomstige verkeerssituatie een verbetering zal vormen ten opzichte van de bestaande situatie.
14.2.  Het college heeft op de zitting toegelicht dat het onduidelijk is wanneer de nieuwe provinciale weg nabij het perceel zal worden aangelegd. Gelet op deze onzekerheid kan het college bij het onderzoek naar de te verwachten gevolgen van de vestiging van het waspeencentrum voor de verkeerssituatie hierop niet vooruitlopen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:283, onder 5.4.
De in de ruimtelijke onderbouwing vermelde conclusie dat het waspeencentrum met een ontsluiting op de Leidsevaart niet zal leiden tot een ongewenste verkeerssituatie, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar geeft het aangevoerde geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat de bestaande situatie op de Leidsevaart verkeersveilig is, maar op basis van het uitgevoerde onderzoek is onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van het waspeencentrum zijn voor de verkeerssituatie ter plaatse. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aantal dagelijkse verkeersbewegingen in de ruimtelijke onderbouwing is vastgesteld op 3 voor zwaar verkeer, 1,4 voor middelzwaar verkeer en 40 voor licht verkeer. De Afdeling heeft op de zitting vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat daarmee is uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen, in het bijzonder met betrekking tot het (middel)zwaar verkeer, als gevolg van het waspeencentrum. Daarnaast volgt uit de verkeersborden, die zijn te zien op afbeeldingen van Google Streetview, en waarvan de aanwezigheid ook op de zitting is bevestigd, dat op het deel van de Leidsevaart waarover de verkeersbewegingen zullen worden afgewikkeld een verbod geldt voor voertuigen met een breedte van meer dan 2,2 m en voor voertuigen met een aslast van meer dan 2,4 ton. Aangezien het waspeencentrum ook gebruikmaakt van zware vrachtwagens heeft het college deze beperkingen in het weggebruik, die het college op de zitting niet heeft betwist, ten onrechte niet in het onderzoek betrokken. Gelet hierop heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of de Leidsevaart, die ter plaatse slechts 3 m breed is, de te verwachten verkeersstromen aankan zonder dat de verkeersveiligheid in het geding komt. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. De rechtbank heeft dat achteraf bezien niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Geluids- en geuroverlast
15.     [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden over de te verwachten geluids- en geuroverlast ten onrechte heeft verworpen. [appellant sub 2] en anderen vrezen dat de vestiging van het waspeencentrum vanwege de transportbewegingen en de bedrijfsgeluiden zal leiden tot geluidsoverlast voor [appellant sub 2]. Ook vrezen zij voor geuroverlast als gevolg van de restanten van de producten en het productieproces. Zij hebben aangevoerd dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de aspecten geluid en geur. Volgens [appellant sub 2] en anderen volstaat een verwijzing naar de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (VNG-brochure) niet bij een groot bedrijf zoals in dit geval is voorzien.
15.1.  Om te kunnen bepalen of ter plaatse van de woningen in de omgeving van het perceel milieuhinder is te verwachten van het de bedrijfsactiviteiten van het waspeencentrum, en dus of daar negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn te verwachten, zijn in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning de richtafstanden van de VNG-brochure toegepast. In de VNG-brochure worden richtafstanden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van onder meer geluid en geur uit te sluiten of in ieder geval tot een aanvaardbaar niveau te beperken, waarbij het omgevingstype mede bepalend is.
In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het perceel in gemengd gebied ligt en dat de richtafstand tussen het in milieucategorie 3.2 vallende waspeencentrum en een woning in dat geval 50 m is. Omdat de afstand tussen het perceel en de woning van [appellant sub 2] ongeveer 115 m is, stelt het college zich op het standpunt dat te verwachten is dat de bedrijfsactiviteiten van het waspeencentrum bij die woning niet tot onaanvaardbare geluid- of geurhinder zal leiden.
Niet in geschil is dat wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure voor - in dit geval - de aspecten geluid en geur. Omdat [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het waspeencentrum zo veel geluids- of geuroverlast zal veroorzaken dat niet van deze richtafstand kan worden uitgegaan, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college verdergaand onderzoek had moeten doen naar de aspecten geluid en geur. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zich, zonder nader onderzoek, op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is te verwachten dat de vestiging van het waspeencentrum vanwege geluids- of geuroverlast tot een onaanvaardbare inbreuk op het woongenot van [appellant sub 2] zal leiden.
Het betoog slaagt niet.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling en de ladder voor duurzame verstedelijking
16.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). [appellant sub 2] en anderen wijzen erop dat het waspeencentrum nu gevestigd is op een bedrijventerrein in Rijnsburg en dat er geen enkele noodzaak is dat het bedrijf met een enorme uitbreiding van de bedrijfscapaciteit verhuist naar het perceel midden in het bollenteeltgebied. Volgens [appellant sub 2] en anderen hoort het waspeencentrum thuis op een bedrijventerrein. Het college heeft verder onvoldoende onderbouwd dat er geen alternatieve locaties op een bedrijventerrein beschikbaar zijn. Een kort briefje van een makelaar is daarvoor volstrekt onvoldoende. Verder hebben [appellant sub 2] en anderen aangevoerd dat er geen enkele behoefte is aan een wortelverwerkingsbedrijf van deze omvang in de bollenstreek. Volgens hen zijn er al genoeg waspeencentra in de regio en is het bedrijf helemaal niet belangrijk voor de wisselteelt. Gelet op de voorziene omvang van de bebouwing vermoeden [appellant sub 2] en anderen verder dat niet alleen het waspeencentrum, maar ook andere voedselverwerkingsbedrijven zich daar zullen gaan vestigen. Ten slotte hebben [appellant sub 2] en anderen aangevoerd dat de gemeenteraad voorafgaand aan de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) niet op de hoogte was van het feit dat het bouwplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
16.1.  Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
16.2.  De Afdeling overweegt, zoals ook tussen partijen niet in geschil is, dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro van toepassing is. In de ruimtelijke onderbouwing van het besluit is een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Daarin is onder meer toegelicht waarom behoefte bestaat aan de vergunde ontwikkeling en waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het college heeft zich op basis daarvan op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onnodig ruimtebeslag en dat ook geen vrees bestaat voor leegstand ergens anders.
De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro stelt. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de ruimtelijke onderbouwing afdoende naar voren dat het college de noodzaak voor verplaatsing van het bedrijf, de behoefte aan het bedrijf op deze locatie en de geschiktheid van alternatieve locaties voldoende heeft onderzocht.
16.3.  De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen in hoger beroep hebben aangevoerd, geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling stelt voorop dat het college er bij de beoordeling van de aanvraag terecht vanuit is gegaan dat de beoogde bebouwing zal worden gebruikt op de wijze zoals dat in de aanvraag is omschreven, dus voor vestiging van het waspeencentrum. De enkele stelling van [appellant sub 2] en anderen dat de omvang van de bebouwing en de enorme investering doen vermoeden dat het gebouw uiteindelijk niet door het waspeencentrum maar door andere bedrijven zal worden gebruikt, biedt geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van wat is aangevraagd.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
16.4.  Op de zitting bij de rechtbank en de Afdeling heeft [appellante sub 1] toegelicht dat de huidige locatie in Rijnsburg niet meer geschikt is, omdat het waspeencentrum niet meer aan de voorschriften van de Wet milieubeheer kan voldoen en op deze locatie ook geen ruimte is voor bedrijfsuitbreiding. Er bestaat geen aanleiding om hieraan te twijfelen. In de ruimtelijke onderbouwing is een beschrijving gegeven van de behoefte aan uitbreiding van het waspeencentrum van [appellante sub 1]. Ook is ingegaan op de rol die het waspeencentrum vervult in de voor de bollensector noodzakelijke wisselteelt. Doordat [appellante sub 1] de waspenen deels zelf teelt op 80 ha grond die hij pacht van de bollenkwekers in de kuststreek van Katwijk en in gebieden ten noorden daarvan, levert het bedrijf een bijdrage aan de wisselteelt in de Duin- en Bollenstreek. Het ligt volgens het college in de rede om het wassen van de waspenen te laten plaats vinden in de nabijheid van de bollengronden waar de waspenen worden geteeld. In de ruimtelijke onderbouwing is verder ingegaan op het onderzoek van [appellante sub 1] naar een alternatieve geschikte bedrijfslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij is een verslag van een makelaar opgenomen waarin is vermeld dat gedurende een lange periode meerdere locaties zijn onderzocht maar dat er geen andere potentieel geschikte locatie voorhanden is. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat dit onderzoek naar alternatieven tekort schiet. Het aangevoerde biedt namelijk geen reden om aan te nemen dat bij het zoeken naar andere locaties van een te klein zoekgebied is uitgegaan of dat wel geschikte locaties binnen stedelijk gebied beschikbaar waren. Voorgaande leidt tot de conclusie dat het aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de eisen die artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro stelt.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
16.5.  Voor zover [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat de gemeenteraad er bij de beslissing over de afgifte van de vvgb niet van op de hoogte was dat het bouwplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, slaagt dat ook niet. In de Nota beantwoording zienswijzen staat dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dat de ladder door duurzame verstedelijking van toepassing is en dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt is aangepast. Aangezien deze Nota dateert van voor de afgifte van de vvgb, heeft de gemeenteraad hiervan kennis kunnen nemen.
Conclusie
17.     Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is gegrond. Maar dit leidt niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak, omdat het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen niet is gericht tegen de beslissing van de rechtbank, maar alleen tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen met verbetering van de gronden waarop deze rust. Het college moet een nieuw besluit nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, is overwogen.
18.     Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] en anderen vergoeden.
Judiciële lus
19.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit  alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] en [appellante sub 1B] ongegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen gegrond;
III.      bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV.      bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk te nemen besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;
V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan een van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan een van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
604
 
BIJLAGE
 
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:51a, eerste lid
De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Artikel 8:113, tweede lid
Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a.       het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c.       het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a.       indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.     met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.     in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.     in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.1.6, tweede lid
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Artikel 6.17 Bollenteeltgebied
1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II , laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen.
[…]
6. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.
7. In afwijking van het eerste lid, kan het bestemmingsplan bestaande bebouwing of functies toelaten, anders dan bedrijven als bedoeld in het eerste lid, alsmede beperkte uitbreiding daarvan of wijziging naar een andere functie, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied.
Artikel 6.29, eerste lid
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening, te verlenen van de bepalingen in Afdeling 6.2 van deze verordening.
Link naar deze uitspraak