Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:1833 
 
Datum uitspraak:01-04-2026
Datum gepubliceerd:01-04-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202402910/1/R3
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Teylingen besloten het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2], Voorhout" (het bestemmingsplan) niet vast te stellen. Op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Voorhout staan meerdere kassen die zijn bestemd voor de glastuinbouw, maar daarvoor niet meer worden gebruikt. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Zowel [appellant] als de eigenaar van het perceel [locatie 2] hebben een principeverzoek ingediend, om onder meer de bedrijfswoning op het perceel met [locatie 2] om te zetten in een burgerwoning en om op het perceel met [locatie 1] een nieuwe greenportwoning te realiseren. Daarnaast ziet het verzoek op het slopen van alle bestaande agrarische bedrijfsbebouwing op beide percelen. [appellant] betoogt dat de raad de vermeende strijd met de ISG ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat het plan volgens [appellant] niet met de ISG in strijd is. Daarover voert hij aan dat de raad niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan bijdraagt aan de herstructureringsopgave die de ISG beschrijft, doordat met het plan incourante en ongewenste bebouwing wordt opgeruimd.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
buitengebied
gewassen
glastuinbouw
herstructurering
kwekerij
perceel
 
Uitspraak
202402910/1/R3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Voorhout, gemeente Teylingen,
appellant,
en
de raad van de gemeente Teylingen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2], Voorhout" (het bestemmingsplan) niet vast te stellen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. van Dam, advocaat in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A van de Spek en mr. C.H. Norde, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het ontwerpplan op 28 september 2023 ter inzage is gelegd, blijft in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Inleiding
2.       Op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Voorhout staan meerdere kassen die zijn bestemd voor de glastuinbouw, maar daarvoor niet meer worden gebruikt. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Zowel [appellant] als de eigenaar van het perceel [locatie 2] hebben een principeverzoek ingediend, om onder meer de bedrijfswoning op het perceel met [locatie 2] om te zetten in een burgerwoning en om op het perceel met [locatie 1] een nieuwe greenportwoning te realiseren. Daarnaast ziet het verzoek op het slopen van alle bestaande agrarische bedrijfsbebouwing op beide percelen.
3.       Het college van burgemeester en wethouders van Teylingen heeft in reactie op de principeverzoeken medegedeeld daaraan in principe medewerking te willen verlenen, door voor het initiatief één bestemmingsplan op te stellen. Met het ontwerpbestemmingsplan verdwijnt het gehele agrarische bouwvlak op beide percelen. Verder voorziet het ontwerp in een woonbestemming, inclusief twee bouwvlakken, en een tuinbestemming op gronden die nu een agrarische bestemming hebben. Tot slot heeft een deel van de gronden waarop nu nog kassen staan in het ontwerpplan de bestemming "Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 1", zodat een agrariër op afstand daar een agrarisch bedrijf zou kunnen uitoefenen.
4.       De raad heeft het bestemmingsplan niet vastgesteld. Aan dat besluit heeft de raad de volgende weigeringsgronden ten grondslag gelegd: a) het plan is in strijd met de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (ISG), b) de woonbestemming is niet verenigbaar met de bestemming van bollenteeltgronden direct daarnaast, c) er is onvoldoende aangetoond dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een afstand kleiner dan 50 m van de woonbestemming aanvaardbaar is, d) de woonbestemming belemmert de omliggende bedrijven en e) het ontwerpplan voorziet niet in de huidige maatschappelijke behoefte aan betaalbare woningen.
Toetsingskader
5.       Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Beroepsgronden
Geen strijd met de ISG
6.       [appellant] betoogt dat de raad de vermeende strijd met de ISG ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat het plan volgens [appellant] niet met de ISG in strijd is. Daarover voert hij aan dat de raad niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan bijdraagt aan de herstructureringsopgave die de ISG beschrijft, doordat met het plan incourante en ongewenste bebouwing wordt opgeruimd. Weliswaar blijkt uit de ISG niet expliciet wanneer sprake is van incourante en ongewenste bebouwing, maar het opruimen van kassen die niet meer in gebruik zijn valt daar volgens [appellant] blijkens de ISG in ieder geval onder. Bovendien zijn de kassen oud en vervallen, en bieden de percelen onvoldoende ruimte om een nieuwe kwekerij te beginnen.
Verder brengt [appellant] naar voren dat de raad ten onrechte een strenge toets hanteert. Hij voert daarover aan dat de raad de mogelijke vestiging van een nieuwe agrariër in de bedrijfsgebouwen in de toekomst, ten onrechte meeweegt in zijn beoordeling. Dat is volgens [appellant] in strijd met het centrale uitgangspunt van de ISG om de kwaliteit van het buitengebied te verbeteren.
Tot slot voert [appellant] aan dat de raad niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan een aanzienlijke verbetering van de openheid van het landschap oplevert. Op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Teylingen" is immers meer bebouwing toegestaan dan het voorliggende ontwerpbestemmingsplan toelaat. De bebouwing op de percelen neemt daardoor af.
6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van de ISG. De raad meent dat de in de ISG genoemde uitgangspunten over het tegengaan van verrommeling en het verbeteren van de openheid voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, waardoor de raad ruimte heeft een eigen afweging te maken. Over de verrommeling waarvan opruiming gewenst is, stelt de raad dat niet alleen van belang is of de feitelijk aanwezige bedrijfsbebouwing nog voldoet, maar ook of door sloop en nieuwbouw ter plaatse niet alsnog op rendabele wijze een agrarisch bedrijf te exploiteren is. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat eerst moet worden beoordeeld of er nog behoefte bestaat aan de planologische glastuinbouwgronden, voordat wordt gekeken naar de bebouwing die daarop staat. Volgens de raad is onvoldoende aangetoond dat die behoefte niet meer bestaat, terwijl behoud van locaties met een agrarische bestemming volgens de ISG het uitgangspunt hoort te zijn. Bovendien is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van verrommeling waarvan opruiming gewenst is, omdat niet met objectieve gegevens is aangetoond dat de bestaande kassen incourant zijn. Verder vindt de raad dat onvoldoende sprake is van een verbetering van de openheid. De raad erkent dat enige zichtlijnen ontstaan door het saneren van de kassen en het realiseren van twee vrijstaande woningen, maar vindt de omvang van de woningen dermate groot dat hij gelet op de afwegingsruimte die hem toekomt, redelijkerwijs heeft kunnen weigeren het plan vast te stellen.
6.2.    De ISG is een gezamenlijke structuurvisie van de zes Greenportgemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen. De ISG richt zich op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek in samenhang met verbetering van de natuurlijke, landschappelijke en recreatieve kwaliteiten. In paragraaf 5.1 van de ISG staat dat de greenportgemeenten met de vaststelling van de ISG een juridisch zelfbindend planologisch kader hebben vastgesteld voor de toekomstige ontwikkeling van het ISG-gebied. In die paragraaf staat dat kwaliteitsverbetering het centrale beleidsuitgangspunt met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van het ISG-gebied is.
6.3.    Op pagina 65 van de ISG staat onder het kopje "Beleidsuitgangspunt ruimtelijke ontwikkelingen buitengebied":
"Centraal beleidsuitgangspunt met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van het ISG-gebied is kwaliteitsverbetering. De voorliggende Intergemeentelijke Structuurvisie richt zich op het herstructureren van het buitengebied en het tot stand brengen van een "vitaal landschap". Enerzijds wordt in dit verband gestreefd naar het behouden van het bollenteeltcomplex, meer in het bijzonder het handhaven van ten minste 2.625 ha 1e klas bollengrond. Anderzijds wordt met deze structuurvisie nagestreefd: (i) het herstel van een open landschapsbeeld, onder meer en met name door het "opruimen van incourante en ongewenste bebouwing en onderliggende bestemmingen" en (ii) de herinrichting van het buitengebied tot een land schappelijk en recreatief aantrekkelijk geheel en een toekomstbestendig bollenteeltgebied."
6.4.    Uit de ISG volgt dat bij de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied wordt gestreefd naar kwaliteitsverbetering door het opruimen van incourante en ongewenste bebouwing. Indien die bebouwing wordt opgeruimd, moet de onderliggende bestemming van die bebouwing eveneens wordt opgeruimd. Naar het oordeel van de Afdeling volgt daarmee uit de ISG dat de ongewenstheid van de bebouwing centraal staat. Bij het oordeel of van dergelijke bebouwing sprake is, speelt de mogelijke planologische behoefte aan de onderliggende bestemming geen rol. De raad heeft aan de mogelijke behoefte aan die bestemming dan ook ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend, voor het oordeel dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is met de ISG. Daarnaast heeft de raad niet gemotiveerd dat de te saneren bebouwing nog als courant kan worden beschouwd en sanering daarvan om die reden in strijd is met de ISG.
Verder stelt de raad dat het plan tot een verbetering van de openheid leidt, maar dat het ontwerpplan onvoldoende beantwoordt aan de doelstelling om een open landschapsbeeld te herstellen. Naar het oordeel van de Afdeling is de enkele stelling dat het plan onvoldoende leidt tot herstel van een open landschapsbeeld, onvoldoende voor het oordeel dat het plan in strijd is met de ISG. Daarbij betrekt de Afdeling dat de zichtlijnen door de huidige kassen volledig worden belemmerd, terwijl het ontwerpplan zorgt voor een toename aan zichtlijnen, doordat alleen op de gronden met een woonbestemming kan worden gebouwd. Daarnaast zorgt het saneren van de kassen op de achterkant van de percelen ervoor dat de openheid daar toeneemt.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat het plan in strijd is met de ISG, zodat het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen.
Het betoog slaagt.
Woonbestemming ten aanzien van omliggende bedrijven
7.       [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat voldoende is gemotiveerd dat de bedrijven nabij de burgerwoningen niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daartoe voert hij aan dat de afstand tussen de met het bestemmingsplan voorziene burgerwoning op het perceel [locatie 2] en het direct daarnaast liggende bedrijf, dat bestaat uit een autogarage en tankstation, op het perceel [locatie 3] voldoet aan de richtafstand uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". Volgens [appellant] valt het genoemde bedrijf onder milieucategorie 2 en ligt de planlocatie in een gemengd gebied, waardoor een richtafstand van 10 m geldt. Die afstand wordt met het ontwerpplan aangehouden.
Daarnaast betoogt [appellant] dat het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning op het perceel [locatie 2] niet leidt tot een extra belemmering voor de omliggende bedrijven. Daartoe voert hij aan dat de bedrijven ook nu al worden beperkt door de aanwezige bedrijfswoning. Anders dan de raad stelt, komt een bedrijfswoning ten aanzien van omliggende bedrijven evenveel bescherming toe als een burgerwoning, aldus [appellant].
7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat onvoldoende duidelijk is of de omliggende bedrijven in hun activiteiten zullen worden belemmerd, indien de bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Daarover stelt de raad dat weliswaar wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m die wordt aanbevolen in de VNG-brochure, maar dat die richtafstand slechts indicatief is en daarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde bedrijfsvoering. Volgens de raad veroorzaakt het tankstation mogelijk hinder in de vorm van geluidoverlast door het dichtslaan van portieren en hij betrekt bij zijn oordeel dat het tankstation 24 uur per dag geopend is. De enkele stelling dat aan de richtafstand van de VNG-brochure wordt voldaan, vindt de raad gelet op die omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat een goed woon- en leefklimaat bij de burgerwoningen kan worden gewaarborgd.
7.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat aan de in dit geval geldende richtafstand van 10 m voor benzineservicestations en voor reparatie- en servicebedrijven voor auto’s uit de VNG-brochure wordt voldaan.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat, ondanks dat aan de in dit geval geldende richtafstand wordt voldaan, ter plaatse van de om te zetten bedrijfswoning geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat om die reden de omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. De aspecten die de raad aanvoert, zijn onderdeel van de normale bedrijfsvoering die bij het bepalen van de richtafstanden in de VNG-brochure zijn meegenomen.
Het betoog slaagt.
Behoefte
8.       [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan voorziet in een behoefte. Daartoe voert hij aan dat uit het "Woonprogramma 2020 - 2024: naar een evenwichtiger woningmarkt", een onderzoek naar de woningbouwbehoefte voor de gemeente Teylingen, blijkt dat er behoefte blijft bestaan aan duurdere woningen. Bovendien is de ISG er volgens [appellant] op gericht grotere en dure greenportwoningen te realiseren.
8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet voorziet in een dringende maatschappelijke behoefte aan betaalbare woningen. De raad voert aan dat hij die omstandigheid in redelijkheid in zijn afweging heeft mogen betrekken. Overigens bestrijdt de raad niet dat aan woningen in het dure segment, waar het bestemmingsplan in voorziet, behoefte bestaat.
8.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat er behoefte bestaat aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt bevestigd in het Woonprogramma, waaruit volgt dat er behoefte bestaat aan woningen in het dure segment. In het Woonprogramma wordt overigens nog opgemerkt dat nieuwbouw voor hogere inkomens zorgt voor doorstroming op de woningmarkt. Dat de behoefte aan woningen in het middensegment groter zou zijn dan de behoefte aan woningen in het dure segment, zoals de raad stelt, neemt niet weg dat in de plantoelichting voldoende is onderbouwd dat de twee met het ontwerpbestemmingsplan voorziene woningen voorzien in een behoefte. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling niet gemotiveerd op grond waarvan de woningen alleen mogelijk zouden kunnen worden gemaakt als daarmee wordt voldaan aan de volgens hem dringende behoefte aan betaalbare woningen.
Het betoog slaagt.
Woonbestemming naast bollenteeltgronden
9.       [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat de woonbestemming verenigbaar is met de bestemming die bollenteeltgronden mogelijk maakt. Daarover voert hij aan dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de bollenteeltgronden, zal leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonbestemming. Hij wijst in dat kader op de in het bestemmingsplan opgenomen regels die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de bollenteelgronden beperken. Meer specifiek wijst hij op artikel 3.3.2 van de planregels, dat regels stelt over de afstand die moet worden aangehouden tot de woonbestemming, bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - drift" een geheel verbod.
Daarnaast brengt [appellant] naar voren dat de raad hem in de gelegenheid had moeten stellen nader onderzoek naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te laten doen, indien de raad dat nodig achtte. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij aanvragen om omgevingsvergunningen het bevoegd gezag onder omstandigheden gehouden is de aanvrager in de gelegenheid te stellen extra onderzoek te doen. Die lijn had de raad moeten doortrekken door hem in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen.
9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de woonbestemming en de achterliggende agrarische bollenteeltbestemming niet met elkaar verenigbaar zijn. Door het niet meer als zodanig bestemmen van de bedrijfswoning, kunnen de gronden met de bollenteeltbestemming slechts gebruikt worden door een agrariër op afstand. Onvoldoende is aangetoond dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden met een bollenteeltbestemming niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. Er ontbreekt een locatie-specifiek onderzoek, terwijl het plan de mogelijkheid biedt op een afstand van 5 m van de woonbestemming gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, mits een driftafschermende haag wordt aangelegd. Volgens de raad is onvoldoende aangetoond dat die afstand aanvaardbaar is. Daardoor wordt een agrariër mogelijk belemmerd in zijn bedrijfsvoering, doordat die geconfronteerd kan worden met klachten en handhavingsacties van de nieuwe bewoners.
9.2.    Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868, onder 62.1, dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Zie bijvoorbeeld onder 12.2 van de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407.
9.3.    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval met zich brengt dat de raad [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen om een locatie-specifiek onderzoek uit te voeren naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
9.4.    De Afdeling stelt vast dat de raad ten tijde van het nemen van het besluit van oordeel was dat onvoldoende was aangetoond dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een afstand van 5 m van de woonbestemming aanvaardbaar is, alleen al omdat een locatie-specifiek onderzoek ontbreekt. De verantwoordelijkheid voor het doen van dergelijk onderzoek lag in dit geval bij [appellant], omdat alleen op zijn initiatief een ontwerpbestemmingsplan is opgesteld en de raad de geldende bestemming nog steeds in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Het had in het kader van de zorgvuldigheid daarom op de weg van de raad gelegen om aan [appellant] kenbaar te maken dat bij gebrek aan een locatie-specifiek onderzoek, onvoldoende duidelijk was of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen en hem in de gelegenheid te stellen dat onderzoek te verrichten. Gelet op de onder 9.2 vermelde uitspraak van 17 september 2025 kan alleen met zo'n locatie-specifiek onderzoek worden aangetoond dat een afstand kleiner dan 50 m in een specifiek geval toch aanvaardbaar is. Omdat de raad de gelegenheid niet heeft geboden, is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Voor zover de raad stelt dat die gelegenheid niet had hoeven te worden geboden, omdat aan het besluit ook andere weigeringsgronden ten grondslag zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat gelet op wat onder 6.4, 7.2 en 8.2 is overwogen, die weigeringsgronden met de huidige motivering geen stand houden. 
Verder heeft de raad het gebrek aan een locatie-specifiek onderzoek, nadrukkelijk meegewogen in het oordeel dat het gebruik van de bollenteeltgronden door een agrariër op afstand minder aantrekkelijk is. Dat was voor de raad mede de reden voor het oordeel dat die bestemming niet verenigbaar is met de woonbestemming. Omdat de raad [appellant] de gelegenheid had moeten bieden dat onderzoek te verrichten, had hij zich bij het besluit nog niet op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de bollenteeltgronden onaantrekkelijk was en om die reden niet verenigbaar met de woonbestemming.
Het betoog slaagt.
10.     Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de Afdeling geen aanleiding om de beroepsgronden die [appellant] heeft aangevoerd over het evenredigheidsbeginsel te bespreken.
Conclusie
11.     Gelet op wat de Afdeling onder 6.4, 7.2 , 8.2 en 9.4 heeft overwogen, is het besluit tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb genomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. De raad zal voorafgaand aan het nemen van een nieuw besluit [appellant] binnen de te stellen termijn de gelegenheid moeten bieden om onderzoek te doen naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en/of een van de geconstateerde motiveringsgebreken moeten herstellen. De Afdeling merkt daarbij op dat één deugdelijke weigeringsgrond voldoende is voor de raad om wederom te besluiten het plan niet vast te stellen.
12.     Het nieuw te nemen besluit hoeft niet overeenkomstig artikel 3.4 van de Awb te worden voorbereid. De Afdeling geeft verder aan de raad mee dat op dat besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
13.     De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Teylingen van 6 februari 2024 tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2], Voorhout";
III.      draagt de raad van de gemeente Teylingen op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en deze op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;
IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Teylingen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.887,21, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
V.       gelast dat de raad van de gemeente Teylingen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
288-1157
Link naar deze uitspraak