|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:4878 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-08-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202501883/1/A3 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden het handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Schelluinen. Zijn woning grenst aan het perceel van de maatschap en de toegangsweg naar dat perceel. De maatschap exploiteert op het perceel [locatie 2] een veehouderij. [appellant] ervaart overlast van jongeren die privéfeesten houden in de ruimte boven de veestal van de maatschap (de bedrijfskantine). Hij woont op een afstand van 45 meter van deze veestal. Op 1 juli 2020 heeft hij bij het college een verzoek om handhaving ingediend, waarbij hij het college mede heeft verzocht om maatwerkvoorschriften aan de maatschap op te leggen. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de controles op vrijdag 7 en zaterdag 15 augustus 2020 geen overtredingen zijn geconstateerd. In het besluit van 31 augustus 2021 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit rechtmatig geacht. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | bestemmingsplan | | | perceel | | | veehouderij | | | | Uitspraak | 202501883/1/A3.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Schelluinen, gemeente Molenlanden,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en [maatschap] (de maatschap) hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 mei 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F.G. Akkaya, advocaat in Terneuzen, zijn verschenen. Verder is op de zitting de maatschap, vertegenwoordigd door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat in Rotterdam, gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Schelluinen. Zijn woning grenst aan het perceel van de maatschap en de toegangsweg naar dat perceel. De maatschap exploiteert op het perceel [locatie 2] een veehouderij. [appellant] ervaart overlast van jongeren die privéfeesten houden in de ruimte boven de veestal van de maatschap (de bedrijfskantine). Hij woont op een afstand van 45 meter van deze veestal. Op 1 juli 2020 heeft hij bij het college een verzoek om handhaving ingediend, waarbij hij het college mede heeft verzocht om maatwerkvoorschriften aan de maatschap op te leggen. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de controles op vrijdag 7 en zaterdag 15 augustus 2020 geen overtredingen zijn geconstateerd. In het besluit van 31 augustus 2021 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit rechtmatig geacht.
2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5403, het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2023 in zaak nr. 21/4915 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2021 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling heeft bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van [appellant], waartegen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Daarbij moet het college in een representatieve periode in de nachtelijke uren in het weekend op adequate wijze controleren of sprake is van geluidsoverlast en op basis van die resultaten een besluit op het bezwaar nemen. Ook moet het college nader onderzoek doen of het gebruik van de bedrijfskantine voor het houden van feesten in strijd is met de gebruiksbepalingen uit het bestemmingsplan, of bepalingen uit het Activiteitenbesluit worden overtreden en of maatwerkvoorschriften zijn aangewezen.
Het nieuwe besluit op bezwaar van het college
3. Het college heeft het bezwaar van [appellant] bij besluit van 5 maart 2025 opnieuw ongegrond verklaard. Hij ziet geen grond om handhavend op te treden en evenmin om een (preventieve) last onder dwangsom op te leggen. Tijdens de controles zijn er namelijk geen overtredingen geconstateerd. Verder is meermaals door dan wel namens de maatschap verklaard dat de bedrijfskantine niet meer wordt gebruikt voor privédoeleinden en dat zij die ruimte ook niet meer als zodanig laat gebruiken. Ook is verklaard dat de bedrijfskantine nu en in de toekomst uitsluitend wordt gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten in het kader van de uitoefening van het melkveebedrijf zoals dat is toegestaan volgens het bestemmingsplan.
Beroep
4. [appellant] betoogt dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling, omdat de nieuwe controles niet representatief, adequaat en deskundig zijn uitgevoerd. [appellant] betoogt verder dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld doordat het heeft nagelaten nader onderzoek te doen of het gebruik van de bedrijfskantine voor het houden van feesten in strijd is met bepalingen uit het Activiteitenbesluit en of maatwerkvoorschriften zijn aangewezen. Daarbij betoogt [appellant] dat het college heeft onderkend dat het gebruik van de ruimte voor feesten in strijd is met het bestemmingsplan, maar zijn bezwaar vervolgens ten onrechte niet (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard. Verder betoogt [appellant] dat het college vooringenomen is, omdat het weigert handhavend op te treden tegen de maatschap. Tot slot voert [appellant] aan dat het college in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld, omdat hij niet is gehoord, voordat het college opnieuw op het bezwaar heeft beslist.
Beoordeling beroep
5. De Afdeling stelt vast dat na haar uitspraak door opsporingsambtenaren van de gemeente controles zijn uitgevoerd, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze controles niet representatief, adequaat en deskundig zijn uitgevoerd. De controles zijn namelijk in een representatieve periode, in het weekend en in nachtelijke uren uitgevoerd, zoals de Afdeling het college in haar uitspraak heeft opgedragen, en niet is gebleken dat de controles niet deskundig zijn uitgevoerd. Verder heeft de maatschap verklaard in haar zienswijze van 10 februari 2025 dat de bedrijfskantine niet meer wordt gebruikt voor (privé)feesten en alleen nog wordt gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten in het kader van de uitoefening van het melkveebedrijf. De gemachtigde van de maatschap heeft dit ter zitting nogmaals bevestigd. Niet is gebleken dat dit niet klopt. Onder die omstandigheden heeft het college mogen oordelen dat er geen reden is om een (preventieve) last onder dwangsom op te leggen. Verder is, anders dan [appellant] stelt, niet gebleken dat het college bij die beoordeling vooringenomen zou zijn geweest.
6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1261) valt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting af te leiden tot het opnieuw horen van belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank, waarbij het eerdere besluit op het bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar te horen. [appellant] heeft naar aanleiding van de voorwaarschuwing van het college van 3 februari 2025 en de daaropvolgende zienswijze van de maatschap van 10 februari 2025, een zienswijze ingediend om zijn standpunt naar voren te brengen. Daarmee heeft hij op die stukken kunnen reageren en was zijn standpunt voldoende bekend bij het college voordat het college opnieuw op het bezwaar zou beslissen. Verder is niet gebleken dat [appellant] in zijn belangen is geschaad.
Slotsom
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
844 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|