|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:5306 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-09-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202601274/1/A2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 31 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een verzoek van [appellant sub 2] om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 afgewezen. Op 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de Catshuisregeling aan [appellant sub 2] een forfaitaire vergoeding van € 30.000,00 toegekend. Naar aanleiding van de daaropvolgende integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen zich in het besluit van 31 december 2021 op het standpunt gesteld dat hij geen fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 en dat [appellant sub 2] daarom geen (aanvullende) compensatie krijgt. In het besluit op bezwaar van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen dit standpunt gehandhaafd. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | 202601274/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de Dienst Toeslagen,
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 in zaak nr. 23/7592 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 31 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een verzoek van [appellant sub 2] om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 afgewezen.
[appellant sub 2] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door haar tegen het besluit van 31 december 2021 gemaakte bezwaar.
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar, en voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2024 vernietigd, bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak, de Dienst Toeslagen tot een bedrag van € 4.134,00 veroordeeld in de proceskosten die [appellant sub 2] in bezwaar en beroep heeft gemaakt en bepaald dat de Dienst Toeslagen het door [appellant sub 2] voor het beroep betaalde griffierecht van € 50,00 aan haar moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk en mr. I. Kayhan, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.B. Visser, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de Catshuisregeling aan [appellant sub 2] een forfaitaire vergoeding van € 30.000,00 toegekend. Naar aanleiding van de daaropvolgende integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen zich in het besluit van 31 december 2021 op het standpunt gesteld dat hij geen fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 en dat [appellant sub 2] daarom geen (aanvullende) compensatie krijgt. In het besluit op bezwaar van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen dit standpunt gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 2] in het jaar 2017 meerdere keren met de Dienst Toeslagen contact heeft opgenomen over de problemen die zijn ontstaan door het aanmerken van haar verhuurder als haar toeslagpartner, dat aannemelijk is dat de Dienst Toeslagen [appellant sub 2] hierbij onjuist heeft geadviseerd en geïnformeerd en dat ook aannemelijk is dat [appellant sub 2] hierdoor geen aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank heeft echter geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat het onjuiste advies en de onvolledige informatie het gevolg zijn geweest van institutioneel vooringenomen handelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Ook heeft de Dienst Toeslagen volgens de rechtbank terecht vastgesteld dat [appellant sub 2] niet in aanmerking komt voor compensatie vanwege hardheid van het wettelijke systeem als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht wordt immers geen compensatie toegekend voor schade als gevolg van hardheid als over een toeslagjaar minder dan € 1.500,00 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,00 is verlaagd. In het toeslagjaar 2017 was geen sprake van een terugvordering of vermindering. Aan [appellant sub 2] is voor dat jaar, naar aanleiding van een herzieningsverzoek, bij besluit van 18 februari 2020 alsnog kinderopvangtoeslag toekend voor een bedrag van € 1.366,00.
3. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Dienst Toeslagen in redelijkheid niet de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten, vanwege een onbillijkheid van overwegende aard en vanwege een bijzondere en schrijnende situatie. Het is aannemelijk dat zij in het jaar 2017 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, omdat zij door een onjuist advies van de Dienst Toeslagen in de onjuiste veronderstelling is komen te verkeren dat de registratie van haar toeslagpartner eerst moest worden gewijzigd, voordat zij in aanmerking zou komen voor kinderopvangtoeslag. Haar situatie vertoont overeenkomsten met typische gevallen van de toeslagenaffaire, waarbij door toedoen van de Dienst Toeslagen goedwillende burgers, die vaak al in moeilijke omstandigheden verkeerden, in (verdere) ernstige financiële problemen werden gebracht, aldus de rechtbank.
Omvang van het geschil
4. Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij, gelet op de bijzondere en schrijnende situatie van [appellant sub 2], de hardheidsclausule redelijkerwijs had moeten toepassen. De Dienst Toeslagen komt in hoger beroep niet op tegen de beslissing van de rechtbank over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en tegen het daarmee samenhangende oordeel dat hij de proceskosten voor het indienen van een beroepschrift (van € 934,00) en het griffierecht moet vergoeden.
5. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
6. De Afdeling zal hierna eerst ingaan op het incidenteel hoger beroep, omdat de vraag of [appellant sub 2] recht heeft op compensatie voorafgaat aan de eventuele toepassing van de hardheidsclausule.
Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor het recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Volgens haar was bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag wel degelijk sprake van institutionele vooringenomenheid, als bedoeld in die bepaling, omdat ook in haar geval lijkt te zijn gehandeld vanuit de gedachte dat iedere overtreding of onregelmatigheid een indicatie is van stelselmatig misbruik of fraude. Deze onregelmatigheid heeft zich bij haar voorgedaan, omdat de Dienst Toeslagen in de veronderstelling verkeerde dat zij een toeslagenpartner had, terwijl zij te kennen had gegeven dat dit niet zo was. Dit enkele feit is al voldoende om aan te nemen dat sprake is van institutionele vooringenomenheid. Daarbij komt dat zij geen reële mogelijkheid heeft gekregen om zich te verweren. De Dienst Toeslagen heeft destijds niet doorgevraagd naar haar situatie. Verder heeft de rechtbank miskend dat de Dienst Toeslagen, vanwege de principiële keuze van de wetgever voor ruimhartigheid, slechts kan beslissen om haar niet als gedupeerde aan te merken bij een sterke aanwijzing dat zij geen recht heeft op compensatie.
7.1. Dit betoog slaagt niet. [appellant sub 2] heeft een vergelijkbaar betoog in beroep aangevoerd. De rechtbank is daarop in haar uitspraak gemotiveerd ingegaan. De Afdeling benadrukt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat het onjuiste advies en de onvolledige informatie die de Dienst Toeslagen aan [appellant sub 2] heeft verstrekt, het gevolg zijn geweest van institutioneel vooringenomen handelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat, anders dan [appellant sub 2] kennelijk meent, het uitgangspunt van een ruimhartige compensatie niet inhoudt dat een aanvrager in de zin van de Wht als gedupeerde wordt aangemerkt, tenzij er een sterke aanwijzing is dat hij geen recht heeft op compensatie.
Hoger beroep van de Dienst Toeslagen
8. De Dienst Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de hardheidsclausule in redelijkheid niet buiten toepassing heeft kunnen laten. [appellant sub 2] heeft geen schade geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, waardoor het niet mogelijk is om van deze bepaling af te wijken op grond van de hardheidsclausule. Aan [appellant sub 2] is, naar aanleiding van het herzieningsverzoek, bij besluit van 6 maart 2020 alsnog kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 toegekend, zonder dat zij kinderopvangtoeslag heeft hoeven terugbetalen. Zelfs als zij al kinderopvangtoeslag had moeten terugbetalen, staat daar tegenover dat zij het forfaitaire bedrag van € 30.000,00 heeft ontvangen. Verder zijn de herstelregelingen niet bedoeld om elke fout te herstellen die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag is gemaakt. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de hersteloperatie zelf, vormt bovendien geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, aldus de Dienst Toeslagen.
8.1. Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5610), onder 5.1, heeft overwogen, is de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, voor zover daarmee kan worden afgeweken van artikel 2.1 van die wet, beperkt tot gevallen waarin een aanvrager van kinderopvangtoeslag schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Daarbij is van belang dat de essentie van de Wht is het bieden van herstel aan gedupeerden van de toeslagenaffaire. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is dus dat de aanvrager van die compensatie gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als op grond van de hardheidsclausule van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd, aldus de Afdeling in deze uitspraak.
8.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend. [appellant sub 2] is geen gedupeerde van de toeslagenaffaire, omdat zij geen schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Zij heeft op de zitting toegelicht dat de door haar gestelde schade bestaat uit de schuld aan de kinderopvanginstelling ter hoogte van € 7.000,00, die is ontstaan omdat zij over het jaar 2017 in eerste instantie geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. In het kader van de Catshuisregeling heeft zij inmiddels € 30.000,00 ontvangen. Bovendien heeft zij op de zitting te kennen gegeven dat de minister van Financiën een bedrag van € 14.000,00 aan schulden van haar heeft overgenomen en dat hij deze beslissing niet zal terugdraaien. Hoewel de Afdeling het invoelbaar acht dat [appellant sub 2] toegang wenst tot de brede ondersteuning door de gemeente Voorne aan Zee, is deze herstelmaatregel uitsluitend bedoeld voor diegenen die, anders dan zij, gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Zij komt hiervoor dus niet in aanmerking. Verder zijn de herstelregelingen uit de Wht niet bedoeld om elke fout te herstellen die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk is gemaakt. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1961), onder 4.2.
Het betoog slaagt.
Conclusie
9. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen is gegrond. De Afdeling vernietigt, voor zover aangevallen, de uitspraak van de rechtbank.
Beroep
10. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
11. [appellant sub 2] betoogt dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Gelet op de brief van 26 mei 2021 mocht zij erop vertrouwen dat zij als gedupeerde aangemerkt zou blijven. In die brief is een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan, doordat in deze brief, die in het kader van de Catshuisregeling is verstuurd, staat dat een gedupeerde ouder minimaal € 30.000,00 krijgt en dat ook zij die vergoeding krijgt. Ook heeft zij op 4 december 2021 een brief ontvangen van de toenmalige staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane, waarbij aan haar excuses is aangeboden en haar leed is erkend. Als juridisch ongeschoolde burger mag [appellant sub 2] ook hieraan het vertrouwen ontlenen dat een toezegging is gedaan dat zij definitief als gedupeerde is aangemerkt, zodat de Dienst Toeslagen haar status als gedupeerde in stand had moeten laten.
11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, rust er een onderzoeksplicht op degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Ook is er geen sprake van een toezegging als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694), onder 11.2.
11.2. De Dienst Toeslagen heeft niet in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. In de brief van 26 mei 2021 is immers een voorbehoud opgenomen omdat haar situatie nog niet helemaal was beoordeeld. De eerste toets in het kader van de Catshuisregeling is bedoeld om gedupeerde ouders snel en ruim te kunnen compenseren. De Dienst Toeslagen beoordeelt daarbij of de aanvrager van de compensatie op grond van de Catshuisregeling gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Deze toets heeft een voorlopig karakter, waarbij enkel beperkte informatie in de beoordeling wordt betrokken. De toekenning van compensatie op grond van deze lichte toets betekent dus niet dat [appellant sub 2] bij de integrale beoordeling ook per definitie als gedupeerde moet worden aangemerkt. Dit past niet bij het onderscheid tussen de beperkte toets in het kader van de Catshuisregeling en de uitgebreidere toets in de fase van de integrale beoordeling. De brief van 4 december 2021 doet hieraan niet af, aangezien die logischerwijs voortvloeit uit haar initiële aanmerking als gedupeerde en de Dienst Toeslagen al aan [appellant sub 2] had medegedeeld dat haar situatie nog niet helemaal was beoordeeld. Er is dus geen sprake van een toezegging waaraan [appellant sub 2] het vertrouwen mocht ontlenen dat zij definitief als gedupeerde zou zijn aangemerkt.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het besluit van 18 januari 2024 in stand blijft en dat [appellant sub 2] niet wordt erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire.
Proceskosten
13. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden. Wel moet hij, gelet op overweging 4 van deze uitspraak, de proceskosten voor het indienen van het beroepschrift ter hoogte van € 934,00 en het in beroep betaalde griffierecht van € 50,00 vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 in zaak nr. 23/7592, voor zover zij het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 18 januari 2024, gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, heeft bepaald dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen en de Dienst Toeslagen tot een bedrag van € 3.200,00 heeft veroordeeld in de proceskosten die [appellant sub 2] in bezwaar en beroep heeft gemaakt;
IV. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 18 januari 2024, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
452-1197 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|