|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:5339 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-09-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202500974/1/R3 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | In het besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Meppel het bestemmingsplan "Meppel - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van acht woningen in een landhuis mogelijk op de Schiphorsterweg 25 in De Schiphorst. De Schiphorst is een buurtschap in de gemeente Meppel. Op de gronden waaraan de woonbestemming is toegekend, rustte onder het vorige bestemmingsplan een horecabestemming. De te realiseren woningen zijn volgens de plantoelichting bedoeld voor een specifieke doelgroep, zogenoemde ‘empty-nesters’. Het beoogde doel van het plan is dat zij in zelfstandige wooneenheden binnen het landhuis gaan wonen en gezamenlijk zorg zullen dragen voor het landhuis en de bijbehorende gronden. [appellant] woont op ongeveer 300 meter afstand op het [locatie 1]/[locatie 2], ten oosten van het plangebied. [appellant] is het niet eens met de mogelijkheid voor woningen op deze locatie. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | perceel | | | | Uitspraak | 202500974/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B] ([appellant]), wonend in De Schiphorst, gemeente Meppel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Meppel,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 19 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Meppel - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat in Heerenveen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G. Siebel, vergezeld door H.G. Kuipers, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. T.D. Polak, advocaat in Groningen, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van acht woningen in een landhuis mogelijk op de Schiphorsterweg 25 in De Schiphorst. De Schiphorst is een buurtschap in de gemeente Meppel. Op de gronden waaraan de woonbestemming is toegekend, rustte onder het vorige bestemmingsplan een horecabestemming.
De te realiseren woningen zijn volgens de plantoelichting bedoeld voor een specifieke doelgroep, zogenoemde ‘empty-nesters’. Het beoogde doel van het plan is dat zij in zelfstandige wooneenheden binnen het landhuis gaan wonen en gezamenlijk zorg zullen dragen voor het landhuis en de bijbehorende gronden.
2.1. [appellant] woont op ongeveer 300 meter afstand op het [locatie 1]/[locatie 2], ten oosten van het plangebied. [appellant] is het niet eens met de mogelijkheid voor woningen op deze locatie.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep
Strijd met de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe
4. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 2.17, derde lid, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (de Omgevingsverordening). Volgens hem bevat het bestemmingsplan te vage en ruime planregels, waardoor onder de bestemming "Wonen - Landhuis" vrijwel alles mogelijk is, en kan de leefstijl van de doelgroep waar het plan zich op richt niet worden afgedwongen. Daarbij wijst hij in het bijzonder op arbeidsmigranten en diverse zorgfuncties, waarvan volgens hem een andere ruimtelijke uitstraling uitgaat.
4.1. De raad stelt zich in het verweerschrift ten eerste op het standpunt dat artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening niet strekt ter bescherming van het belang van [appellant], omdat volgens de toelichting bij artikel 2.17 van de Omgevingsverordening dit artikel hoofdzakelijk is gericht op het verzekeren van de ruimtelijke belangen van het rijk en de provincie bij een goede ruimtelijke ordening. Artikel 2.17 van de Omgevingsverordening strekt daarmee tot bescherming van het algemeen provinciaal belang. [appellant] kan zich daarom, gelet op artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgens de raad niet met succes beroepen op dit artikel.
Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat dit bestemmingsplan wel in overeenstemming is met artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening. Daarover voert de raad aan dat het bestemmingsplan, naar aanleiding van de zienswijze van de provincie Drenthe, is aangepast. Uit de brief van 17 oktober 2024 volgt dat het college van gedeputeerde staten van Drenthe nu wel akkoord is met het bestemmingsplan. Daarmee staat volgens de raad vast dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening.
4.2. Artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening luidt:
"3. In uitzonderlijke gevallen kan een ruimtelijk plan buiten het bestaand stedelijk gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits
a. deze kleinschalig zijn;
b. deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen;
c. het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en;
d. het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere functies, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie."
Artikel 1.42 van de planregels luidt:
"een landhuis is een als eenheid vormgegeven woongebouw in een landelijke omgeving, waarin zelfstandige wooneenheden en bijbehorende faciliteiten in één bouwvolume zijn ondergebracht. De wooneenheden worden bewoond door zelfstandig wonende personen, die als collectief het landhuis en omliggende terreinen in samenhang beheren."
Artikel 4.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Wonen - Landhuis' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen in een landhuis in combinatie met:
1. Levensloopbestendige woningen;
2. Gemeenschappelijke voorzieningen
[…]."
4.3. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening. Uit artikel 4.1, in samenhang gelezen met artikel 1.42, van de planregels volgt dat het plan voorziet in het wonen in een landhuis, waarbij het gaat om zelfstandig wonende personen in levensloopbestendige woningen met gemeenschappelijke voorzieningen, die als collectief het landhuis en omliggende terreinen in samenhang beheren. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een bijzonder woonmilieu dat is gericht op woonwensen en leefstijlen van een kleine specifieke doelgroep. Dat in de planregels niet is vastgelegd welke specifieke doelgroep deze woningen mag bewonen, betekent niet dat niet is voldaan aan artikel 2.17, derde lid, van de Omgevingsverordening. Uit die bepaling volgt niet dat de raad moet regelen wie er voor deze woonvorm in aanmerking komt.
Het betoog slaagt niet.
4.4. Omdat het betoog niet slaagt, zal de Afdeling het standpunt van de raad dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg zou staan aan de vernietiging van het bestreden besluit niet bespreken.
Strijd met gemeentelijk beleid
5. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid. De raad heeft volgens [appellant] niet onderbouwd waarom de woonfunctie beter passend zou zijn dan de horecafunctie die gold onder het vorige plan. Daarmee staat strijd met het gemeentelijke beleid volgens hem vast.
5.1. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.
[appellant] heeft niet geconcretiseerd met welk gemeentelijk beleid het bestemmingsplan in strijd is en waar die strijdigheid op ziet. Alleen al om die reden ziet de Afdeling hierin geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit vernietigd zou moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
6. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Volgens hem heeft de raad zijn bezwaren over de landschappelijke inpassing onvoldoende meegenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Hij is het niet eens met het aan te leggen wandelpad. Daarnaast vreest hij voor een intensivering van het gebruik van de nu nog bestaande ‘sluiproute’ over het zandpad achter zijn perceel, doordat dit zandpad door de toekomstige bewoners als toegangsweg naar het plangebied gebruikt zal worden. Ook vreest hij dat het bestemmingsplan een negatieve invloed zal hebben op de mogelijkheden voor zijn bedrijfsvoering.
6.1. Artikel 4.6 van de planregels luidt:
"a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan/erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
[…]"
6.2. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellant] onvoldoende heeft betrokken. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.
Op grond van het landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij de planregels is opgenomen, moet aan de oostkant van het plangebied een boswal aangelegd worden om zo het perceel van [appellant] te scheiden van het plangebied. Op de zitting is door partijen gemeld dat deze boswal inmiddels is aangelegd, zodat deze gereed is bij de start van de bouw. De wandelpaden moeten op grond van het landschappelijk inpassingsplan aan de westzijde van de boswal gerealiseerd worden. [appellant] heeft niet geconcretiseerd waarom dit volgens hem onvoldoende is.
Op de zitting is verder gebleken dat de vrees van [appellant] over het gebruik van het zandpad en de invloed op zijn bedrijfsvoering gaat over mogelijke toekomstige ontwikkelingen ten noorden van het plangebied die een gevolg zouden kunnen zijn van dit bestemmingsplan. Die mogelijk toekomstige ontwikkelingen zijn niet concreet en liggen hier niet voor. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat in het plan voor de woningen een inrit is voorzien naar de Schiphorsterweg aan de zuidkant van het plangebied. Deze inrit is aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - inrit". Voor deze woningen is in het plan geen inrit aan de noordzijde voorzien, waardoor de vrees dat het gebruik van het zandpad zal toenemen in zoverre ook onterecht is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
896 - 1205 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|