Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2025:3337 
 
Datum uitspraak:11-08-2025
Datum gepubliceerd:14-08-2025
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/3482
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om studiefinanciering van eiseres. Die aanvraag heeft zij gedaan ten behoeve van de opleiding Título Superior en Quiropràctica, Máster en Quiropràctica bij de Barcelona College of Chiropractic te Barcelona in Spanje (BCC). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Trefwoorden:studiefinanciering
Wetreferenties:Wet studiefinanciering 2000
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels)

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Fazli).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om studiefinanciering. Die aanvraag heeft zij gedaan ten behoeve van de opleiding Título Superior en Quiropràctica, Máster en Quiropràctica bij de Barcelona College of Chiropractic te Barcelona in Spanje (BCC). [eiseres] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiseres] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Op 27 maart 2024 heeft [eiseres] een aanvraag studiefinanciering ingediend voor een studie Título Superior en Quiropràctica, Máster en Quiropràctica aan het Barcelona College of Chiropractic. Bij besluit van 13 mei 2024 heeft de minister meegedeeld dat deze opleiding geen recht op studiefinanciering geeft. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 op het bezwaar van [eiseres] heeft de minister het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.


2.1.

[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft de gronden van het beroep aangevuld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , mr. M. den Hartog als waarneemster van de gemachtigde van [eiseres] en mr. N. Fazli, als gemachtigde van de minister.

Het bestreden besluit


3. De minister heeft in het besluit op bezwaar als volgt overwogen.

“Motivering
U heeft recht op studiefinanciering voor uw opleiding in het buitenland, wanneer er in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt.
[…]
Uit het advies van de Nuffic blijkt dat de opleiding niet voldoet aan de voorwaarde die de meeneembaarheidsregeling stelt op het gebied van erkenning. De opleiding moet leiden tot een diploma dat op grond van nationale wetgeving erkend is in het land waar het diploma wordt afgegeven. Voor het onderwijs in Spanje betekent dit dat de opleiding moet leiden tot een erkend nationaal diploma (Titulo Oficial). De opleiding waarvoor een aanvraag studiefinanciering is ingediend voldoet niet aan deze voorwaarde.

Naar aanleiding van uw bezwaarschrift en de stukken die u hiermee heeft meegestuurd, heb ik de Nuffic gevraagd een herwaardering over uw opleiding te geven.

Uit het herwaarderingsacivies blijkt dat de onderwijsinstelling Barcelona College of Chiropractic is geaccrediteerd is door de ECCE. Dit betreft een accreditatie gericht op het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs op het gebied van chiropractie. Hiermee wordt echter niet voldaan aan de voorwaarde die de meeneembaarheidsregeling stelt op het gebied van de erkenning. De opleiding moet leiden tot een diploma dat op grond van nationale wetgeving erkend is in het land waar het diploma wordt afgegeven.
[…]
Vergelijkbaarheid met een opleiding binnen Nederland is het doorslaggevende criterium voor het recht op studiefinanciering. In Nederland kan er een recht op studiefinanciering bestaan wanneer de student ingeschreven staat voor het volgen van een opleiding waarvoor een nationaal erkend diploma binnen Nederland wordt behaald. Hieruit volgt dat er studiefinanciering kan worden toegekend voor een opleiding in het buitenland, wanneer ook die opleiding leidt tot een nationaal erkend diploma. Aangezien uw opleiding Chiropractic bij de onderwijsinstelling Barcelona College of Chiropractic te Barcelona in Spanje niet voldoet aan de voorwaarde van vergelijkbaarheid met een Nederlandse opleiding, waarvoor een recht op studiefinanciering bestaat, komt u niet in aanmerking voor studiefinanciering.”





Beoordeling door de rechtbank

4. De relevante wetgeving staat in de bijlage.


Kan [eiseres] aan artikel 2.14 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) een aanspraak op meeneembaarheid van studiefinanciering ontlenen?

5. [eiseres] betoogt dat zij aan artikel 2.14 van de Wsf 2000 een aanspraak op meeneembaarheid van studiefinanciering kan ontlenen. Daartoe heeft zij vier argumenten naar voren gebracht. Ten eerste heeft de onderwijsinstelling waar [eiseres] de opleiding volgt, het BCC, samenwerkingsovereenkomsten met zowel de Universitat Pompeu Fabra als de Universitat Autònoma de Barcelona. Beide samenwerkingsuniversiteiten zijn opgenomen in het Registro de Universidades, Centros y Titulos, het RUCT-register.
Ten tweede is volgens [eiseres] van belang dat BCC is erkend door de European Council on Chiropractic Education (ECCE), een internationale erkende accreditatieorganisatie die chiropractie opleidingen in heel Europa accrediteert. Deze accreditatie garandeert dat de opleiding voldoet aan de hoogste Europese normen en gelijkwaardig is aan andere ECCE-geaccrediteerde opleidingen in landen zoals het Verenigd Koninkrijk, waar studenten wel studiefinanciering ontvangen. Hoewel het beroep van chiropractor in Spanje niet als regulier wordt beschouwd, waarborgt de ECCE-accreditatie dat de opleiding van een even hoog kwaliteitsniveau is als in andere Europese landen. Hierdoor behoudt het diploma dezelfde waarde en erkenning, ongeacht het land waarin het diploma wordt behaald. [eiseres] verbindt hieraan de conclusie dat het enkele feit dat een opleiding al dan niet geaccrediteerd is op generlei wijze onder doet [de rechtbank leest: afdoet] aan het gestelde niveau en de kwaliteitseisen. BCC werkt immers samen met universiteiten die wél geaccrediteerd zijn en bovendien is BCC geaccrediteerd door ECCE, die chiropractie-opleidingen in heel Europa accrediteert.
Ten derde is voor de aanspraak op studiefinanciering niet leidend dat er in Nederland een gelijke opleiding bestaat maar dat de (in dit geval) Spaanse opleiding in Nederland aangeduid zou worden als master en/of bachelor in het hoger onderwijs (Kamerstukken II 2006-2007, 30933 nr. 3, p. 8). Dit is volgens haar het geval. Zij behaalt immers zowel een diploma op bachelor- en masterniveau, vergelijkbaar met de Nederlandse bachelor en master. Dat in Nederland momenteel geen specifieke erkende opleiding tot chiropractor beschikbaar is, doet niet af aan het voorgaande, aldus [eiseres] . Dit betekent simpelweg dat studenten – die ambitie hebben om chiropractor te worden – verplicht zijn om een buitenlandse universitaire opleiding in dit vakgebied te volgen. Daarbij komt dat de meeneembaarheidsregeling voor studiefinanciering specifiek bedoeld is om Nederlandse studenten te ondersteunen die in het buitenland studeren, wanneer een vergelijkbare opleiding in Nederland ontbreekt. Gezien het ontbreken van een Nederlandse opleiding is het voor aspirant-chiropractors noodzakelijk om hun studie in het buitenland voort te zetten, waar zij de benodigde opleiding en accreditatie kunnen verkrijgen om in dit vakgebied werkzaam te zijn.
Ten slotte heeft [eiseres] ter zitting gewezen op de uitspraken met nummers ECLI:NL:CRVB:2017:3538 en ECLI:NL:CRVB:2013:BY8293. Volgens haar volgt daaruit dat opleidingen die niet nationaal geaccrediteerd zijn toch door de accreditatietoets kunnen komen.


5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de Nuffic heeft geconstateerd dat de opleiding die [eiseres] volgt niet leidt tot een titulo oficial. Dat betekent dat niet voldaan is aan de accreditatietoets. [eiseres] betwist niet dat de opleiding niet is geregistreerd in het Spaanse RUCT-register, aldus de minister. De samenwerkingsovereenkomsten leiden niet tot een nationaal erkend diploma. De ECCE is een internationale autonome organisatie, opgericht vanuit het werkveld. Zoals de Nuffic heeft geconstateerd, gaat het bij accreditatie door de ECCE om accreditatie gericht op het waarborgen van de kwaliteit van chiropractieonderwijs en niet om een officiële accreditatie als hoger onderwijsopleiding op grond van nationale wetgeving. Daarom ziet de minister in wat [eiseres] heeft aangevoerd, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de Nuffic. Ten aanzien van de samenwerkingsverbanden met de geaccrediteerde universiteiten heeft de minister er ter zitting op gewezen dat het gaat om een praktische samenwerking voor de toegang tot hulpbronnen zoals de bibliotheek en de klaslokalen. Dat ziet niet op kwaliteit en betreft ook geen toezicht. Het diploma wordt uitgereikt door de niet-geaccrediteerde opleiding, aldus de minister.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt zij als volgt.


5.2.1.
Aan de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 2.14 van de Wsf 2000 per 1 september 2007 wordt het volgende ontleend.

“1.5. Kwaliteit van het onderwijs
Van de studenten die met studiefinanciering in het buitenland gaan studeren mag, net als bij studenten die in Nederland studeren, een prestatie worden verlangd. Dat betekent dat, voor omzetting van de voorwaardelijke lening (de prestatiebeurs) in een gift, een opleiding met goed gevolg dient te worden afgerond die ten minste op het niveau ligt van een opleiding in het Nederlandse hoger onderwijs. De opleidingen in het buitenland waarvoor studenten studiefinanciering kunnen krijgen, dienen dan ook van goede kwaliteit te zijn.
[…]
Bij de beoordeling van de vraag of meeneembare studiefinanciering wordt verstrekt voor buitenlandse opleidingen zal in ieder geval moeten vaststaan dat de student, door het met goed gevolg afronden van een opleiding, een diploma zal verwerven dat qua niveau ten minste overeenkomt met een Nederlands hoger onderwijsdiploma. Aangezien daarmee een oordeel over de toekomst wordt geveld, is het van groot belang dat de buitenlandse opleiding ingebed is in een kwaliteitszorgsysteem. In Nederland en Vlaanderen wordt de kwaliteit van opleidingen gewaarborgd door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. In andere landen zijn er vergelijkbare vormen van kwaliteitszorg.
[…]
Samenvattend zal Nuffic van elke opleiding in het buitenland waarvoor een student studiefinanciering aanvraagt, nagaan of de opleiding van voldoende kwaliteit is en wordt afgesloten met een diploma dat ten minste het niveau heeft van een Nederlands hoger onderwijsdiploma.”



5.2.2.
De minister heeft Nuffic om advies gevraagd ter beantwoording van de vraag of de opleiding in Spanje voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000.


5.2.3.
Bij aanvullend advies van 27 juni 2024 heeft Nuffic aan de minister medegedeeld dat het eerdere advies ongewijzigd blijft en dat geen waardering kan plaatsvinden. Dat aanvullende advies is als volgt onderbouwd.

“Betrokkene geeft in het bezwaarschrift aan dat de instelling geaccrediteerd is door de ECCE, de European Council of Chiropractic Education. Dit betreft accreditatie gericht op het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs op het gebied van chiropractie. Hiermee wordt echter niet voldaan aan de voorwaarde die de meeneembaarheidsregeling stelt op het gebied van erkenning: de opleiding moet leiden tot een diploma dat op grond van nationale wetgeving erkend is in het land waar het diploma wordt afgegeven. Voor het onderwijs in Spanje betekent dit dat de opleiding moet leiden tot een erkend nationaal diploma, een titulo oficial. ECCE accreditatie is niet hetzelfde als een officiële accreditatie als hoger onderwijs opleiding op grond van nationale wetgeving.
[…]
Daarnaast geeft betrokkene aan dat de instelling samenwerkingsovereenkomsten heeft met de Universitat Autònoma de Barcelona. Deze samenwerkingsovereenkomsten leiden evenmin tot een nationaal erkend diploma. Het blijft daarom niet mogelijk om een advies uit te brengen voor deze opleiding.”



5.2.4.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in haar jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat accreditatie voor de beoordeling van vergelijkbaarheid van opleidingen een (zeer) belangrijke maatstaf is. Het zijn immers de instanties in het land waar het onderwijs wordt verzorgd die zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs en op de voorwaarden die in dat land worden gesteld aan onderwijsinstellingen en opleidingen om daaraan accreditatie te kunnen verlenen.



5.2.5.
In een land met accreditatie op programma-niveau dient het te volgen programma geaccrediteerd te zijn. Bij de vaststelling van de vergelijkbaarheid van een buitenlandse opleiding met een Nederlandse opleiding als bedoeld in artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 is het gebruik van deze criteria toegestaan. De eis van accreditatie wordt beschouwd als een geschikt middel om te beoordelen of een diploma, behaald aan een onderwijsinstelling en/of een aldaar aangeboden opleiding, in het land zelf officieel is erkend. Als dat het geval is dan kan vervolgens het eindniveau van de buitenlandse opleiding worden vergeleken met dat van een Nederlandse opleiding op basis van de zogenoemde “Algemene waarderingscriteria” die door Nuffic zijn opgesteld voor de minister. Zo kan worden vastgesteld of iemand daadwerkelijk in aanmerking komt voor studiefinanciering.




5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nuffic in het aanvullend advies van 27 juni 2024 zorgvuldig en deugdelijk geadviseerd dat van vergelijkbaarheid van opleidingen reeds geen sprake kan zijn omdat de buitenlandse opleiding niet is geaccrediteerd of erkend. Daarom is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat [eiseres] niet voldeed aan de in artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder a., van de Wsf 2000 neergelegde eis dat in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt. Voor de rechtbank is verder niet gebleken dat de samenwerkingsverbanden met de geaccrediteerde universiteiten verder gaan dan de toegang tot hulpbronnen zoals de bibliotheek en de klaslokalen.



5.4.
De verwijzing naar de uitspraken bekend onder ECLI:NL:CRVB:2017:3538 en ECLI:NL:CRVB:2013:BY8293 kan [eiseres] niet baten. Die uitspraken zijn niet vergelijkbaar, want zien op het (andere) onderwijsstelsel van de Verenigde Staten van Amerika. In de onderhavige zaak gaat het evenwel om de wijze waarop aan accreditatie is vormgegeven in het onderwijsstelsel van het Koninkrijk Spanje.



5.5.
De minister heeft het advies van 27 juni 2024 derhalve aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. [eiseres] kan derhalve aan artikel 2.14 van de Wsf 2000 geen aanspraak op meeneembaarheid van studiefinanciering ontlenen.


Heeft de minister de hardheidsclausule op goede grond niet toegepast?

6. [eiseres] doet subsidiair een beroep op de hardheidsclausule die staat in artikel 11.5 van de Wsf 2000. Volgens haar kan op grond daarvan de wet buiten toepassing worden gelaten of kan daarvan worden afgeweken, indien de toepassing van de wet zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [eiseres] stelt dat hier in haar geval sprake van is omdat de wet in haar situatie niet recht doet aan de bijzondere omstandigheden van het ontbreken van een Nederlandse opleiding en de noodzaak om in het buitenland te studeren. Ondanks het feit dat [eiseres] de opleiding in het buitenland volgt vanwege het ontbreken van een Nederlandse opleiding, leidt de toepassing van de wet zoals deze momenteel is, tot een onbillijkheid. Dit betekent dat de regels of wetgeving niet-adequaat rekening houden met haar specifieke situatie, wat tot een oneerlijke of onrechtvaardige uitkomst zou leiden, aldus [eiseres] .



6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de afwijzing in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Daarom ziet hij geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Dat er in Nederland geen erkende chiropractieopleiding bestaat, maakt niet dat daarom studiefinanciering moet worden toegekend voor een Spaanse opleiding die in Spanje evenmin erkend is. Hij verwijst in dit verband naar (rechtsoverwegingen 4.2. en 4.6 van) ECLI:NL:CRVB:2020:2973.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om studiefinanciering voor een niet-geaccrediteerde opleiding in overeenstemming is met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. Daartoe verwijst zij naar de wetsgeschiedenis die is aangehaald in rechtsoverweging 5.2.1. Van een onbillijkheid van overwegende aard is de rechtbank niet gebleken. De minister heeft de hardheidsclausule in de zaak van [eiseres] dan ook op goede grond niet toegepast.





Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat de minister geen studiefinanciering hoeft toe te kennen aan [eiseres] voor het volgen van de opleiding Título Superior en Quiropràctica, Máster en Quiropràctica bij de Barcelona College of Chiropractic te Barcelona in Spanje. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025.













griffier


rechter



















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving



Wet studiefinanciering 2000

Artikel 2.14
1-2. […]
3. Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien:
a. in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt;
b. het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW;
c. het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; en
d. de opleiding voldoet aan criteria die bij ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld.
4. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
5-7. […]
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.

Artikel 11.5
1. Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. […]


. Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 3, blz. 7, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30933-3.pdf


. Vgl. ECLI:NL:CRVB:2015:4046, rov. 4.6.


. Vgl. ECLI:NL:CRVB:2017:3538, rov. 4.5.1. en 4.5.2.


. Vgl. ECLI:NL:CRVB:2017:2768, rov. 4.4. en 4.5.
Link naar deze uitspraak