Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2025:5166 
 
Datum uitspraak:06-08-2025
Datum gepubliceerd:14-08-2025
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 24/6935
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:WOZ niet-woning, ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
ozb
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/6935


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2025 in de zaak tussen




[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),

en


de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Oosterhout), de heffingsambtenaar.





1Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 oktober 2024.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 mei 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (hierna: het object) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 1.479.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen gebruiker van de gemeente Oosterhout voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).



1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [persoon] en [taxateur 1] , taxateur.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende is gebruiker van het object. Het is een winkelpand gelegen op de [plaats 2] (bouwjaar 1997). Het winkelpland bestaat uit een winkelruimte op de begane grond en een winkelruimte op de eerste verdieping met een totale oppervlakte van 2.690 m2, waarvan 1.395 m2 op de begane grond en 1.295 m2 op de eerste verdieping.






3Beoordeling door de rechtbank


3.1.
De rechtbank beoordeelt of de waarde van het object te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Belanghebbende heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere algemeen geformuleerde brieven ter aanvulling daarop ingediend. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat belanghebbende zeer zwaar is getroffen door de coronapandemie, het object geen winkel betreft maar een meubelmarkt waarvoor een maximale huurwaarde van € 49 m2 zou moeten gelden en dat de kapitalisatiefactor te hoog is vastgesteld. De rechtbank zal het beroep beoordelen aan de hand van de op zitting ingenomen standpunten.


3.1.1.
Belanghebbende vindt dat de waarde van het object op de waardepeildatum maximaal € 900.099 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 1.479.000.




3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de waarde van het object niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Omvang van het geschil




3.3.
Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.


Vooraf



Nader stuk van belanghebbende




3.4.
De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een nader stuk te overleggen. De heffingsambtenaar voert aan dat het nader ter zitting overgelegde stuk van belanghebbende tardief moet worden verklaard. Het stuk kan alleen worden toegelaten als de wederpartij niet in zijn procespositie wordt geschaad. Gelet op het verhandelde ter zitting moet de rechtbank een oordeel geven over de toelaatbaarheid van de processtukken. De rechtbank heeft ter zitting nog geen beslissing genomen over de inbreng van de stukken.


3.4.1.
De rechtbank oordeelt dat de inbreng van het stuk tardief is. Niet valt in te zien waarom dit stuk – waar belanghebbende al aanzienlijk langer over beschikt – pas ter zitting is aangeboden. Een dragende reden is ook niet gesteld. Het toelaten van dit stuk zou de wederpartij in zijn belangen schaden doordat de mogelijkheid om hierop op een juiste wijze te kunnen reageren, zou worden ontnomen. Ook ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om tot aanhouding in dit kader over te gaan. De rechtbank zal dus voor de beoordeling van deze zaak geen acht slaan op de betreffende stukken. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier.


Stuk ingediend na afloop van de zitting





3.5.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank een aanvullend stuk van belanghebbende ontvangen. Het sluiten van het onderzoek ter zitting houdt onder meer in dat geen nadere stukken meer kunnen worden ingediend. De rechtbank ziet in het stuk van belanghebbende geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. De rechtbank laat het stuk dan ook buiten beschouwing van de beoordeling van het geschil. De rechtbank voegt wel een kopie van het stuk toe aan het dossier en het stuk zal digitaal worden opengesteld voor de heffingsambtenaar tegelijk met deze uitspraak.


Formele grond



Op de zaak betrekking hebbende stukken




3.6.
Belanghebbende heeft verzocht om verstrekking van de huur- en verkoopovereenkomsten van de onderbouwende transactiecijfers zoals gebruikt in het taxatierapport om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. . De verkoopcijfers blijken uit de akten van levering, die openbaar en dus raadpleegbaar zijn. Uit niets blijkt dat de heffingsambtenaar de gestelde huur- en verkoopovereenkomsten bezit en gebruikt heeft. De heffingsambtenaar heeft het taxatierapport overgelegd om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Voor beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar daarin is geslaagd dient te worden betrokken dat wat belanghebbende heeft aangevoerd. Het slechts (bloot) stellen dat de huur- en verkoopovereenkomsten nodig zijn om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is, is daarvoor onvoldoende. Ten minste zal twijfel moeten worden gezaaid over waarom de door de taxateur – een deskundige – gebruikte onderbouwingen niet zouden kunnen kloppen. Zonder dat begin van bewijs moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Voor zover het verzoek van belanghebbende moet worden opgevat als een beroep op artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ faalt het aangezien het taxatierapport en de daaronder liggende gegevens geen gegevens zijn die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Dat taxatierapport is immers pas opgemaakt in de beroepsfase en daarmee (ruim) nadat de waarde is vastgesteld. Het standpunt van belanghebbende kan in dit geval dus slechts afdoen aan de bewijskracht van het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport, maar dat doet het gelet op het voorgaande niet.


Toetsingskader van de rechtbank




3.7.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van het object bepaald op de waarde die aan het object dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".



3.8.
De waarde van een niet-woning kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ worden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van de onroerende zaak te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit verhuur- en verkooptransacties van vergelijkbare objecten.



3.9.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.


Onderbouwing van de WOZ-waarde




3.10.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatierapport met matrix ten grondslag gelegd dat op 15 november 2024 door taxateur [taxateur 2] over het object is opgemaakt.



3.11.
In het taxatierapport is een waarde voor het object van € 1.576.000 vermeld. De taxateur heeft de huurwaarde gebaseerd op de huurprijzen van de objecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . Daarnaast is de kapitalisatiefactor berekend en vastgesteld op 9.7 met de NAR-methode (bottom-up-methode).


3.11.1.
Volgens de heffingsambtenaar is hiermee onderbouwd dat de waarde van
€ 1.479.000 niet te hoog is.




3.12.
Belanghebbende heeft hier enkel tegenin gebracht dat een maximale huurwaarde van € 49 m2 zou moeten gelden en dat de kapitalisatiefactor te hoog is vastgesteld, zonder deze stellingen nader te concretiseren en onderbouwen.



3.13.
Daarbij stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling van het object onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de coronapandemie en de daarmee samenhangende maatregelen. Belanghebbende verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.


3.13.1.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling rekening had moeten houden met de gevolgen van de coronapandemie. De rechtbank overweegt dat als er al sprake is van een waarde-relevante invloed van de coronapandemie, dit tot uitdrukking zal komen in de huurprijzen van de referentieobjecten die zijn gerealiseerd ten tijde van die coronapandemie. De gevolgen van de coronapandemie zijn dus verdisconteerd in de huurprijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de WOZ-waarde zich richt op de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak en dat niet gebleken is van een (bouwkundige) verandering van de onroerende zaak. De wijze waarop de gebruiker van de onroerende zaak zijn onderneming ter plaatse uitoefent, is daarbij (in de regel) niet van belang. Het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Het arrest is gewezen door de civiele kamer van de Hoge Raad met betrekking tot een rechtskader dat geen samenhang heeft met het rechtskader voor de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak. Het voorgaande geldt tevens voor de gevolgen van de oorlog in Europa. Belanghebbende heeft de door hem voorgestane korting niet aannemelijk gemaakt.




3.14.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan en aannemelijk heeft gemaakt dat hij de aan het object toegekende waarde niet te hoog heeft vastgesteld.


Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn




3.15.
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 19 juni 2024. De rechtbank doet uitspraak op 6 augustus 2025. De redelijke termijn is daarmee niet overschreden zodat geen recht op vergoeding van immateriële schade bestaat.



3.16.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van het object voor het belastingjaar 2024 niet te hoog vastgesteld.






4Conclusie en gevolgen


4.1.
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.



4.2.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht en proceskosten niet vergoed.





5Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om een schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier, op 6 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.


Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2023, 32442.


Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2023, 32442.


Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1413.


Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.


Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974.


Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak